Herstelplan voor bedreigde monumenten in Amsterdam

Onder deze titel verscheen eind 1984 een rapport als resultaat van een door het Bureau Monumentenzorg, in samenwerking met de dienst Bouw-en Woningtoezicht, uitgevoerd onderzoek. Het onderzoek was gericht op de constructief/bouwkundige staat van circa 300 ingevolge de Monumentenwet beschermde woonhuismonumenten en beoogde te komen tot een urgentielijst van de meest vervallen en bedreigde percelen.

De inventarisatie bevatte alarmerende conclusies en wierp een schril licht op de bouwtechnische staat van 234 panden. Zonder stimulansen, initiatieven en een actieve opstelling van alle betrokkenen, zoals gemeentebestuur, ambtelijke en andere instellingen en particulieren moet worden gevreesd, dat indien het verval niet tot staan wordt gebracht, deze monumenten binnen tien jaar vrijwel alle gesloopt en verdwenen zijn.
Alleen al om het voortschrijdende verval bij ie benen zouden per jaar circa 250 totale en partiële restauraties of groot onderhoud moeten worden uitgevoerd. Het plan beoogde verder bij te dragen aan versterking van de woonfunctie in de binnenstad en het stimuleren van de medewerking van particuliere eigenaren bij het herstel door het beschikbaar stellen van restaurariesubsidies en het geven van bijdragen in de kosten voor woningverbetering.
Al sinds 1978 is er sprake van een constante daling in het aantal gesubsidieerde monumentenrestauraties in Amsterdam. Werden in de jaren tot 1978 nog gemiddeld 200, overwegend particuliere, restauraties uitgevoerd, zo'n twee jaar geleden waren dat er niet meer dan 60 (exclusief verbouwingen en door de Gemeente uitgevoerde restauraties). De hoofdoorzaken van deze terugloop in de particuliere restauraties zijn algemeen bekend:

  • de economische situatie van de afgelopen jaren die eigenaren van woonhuismonumenten ertoe heeft gebracht, grotere terughoudendheid te betrachten bij het doen van investeringen in hun eigendommen;
  • de geweldige prijsstijgingen van onroerend goed in de periode 1975-1978 en de daarop volgende ineenstorting van de huizenmarkt wat eigenaren weerhield een pand financieel zwaarder te belasten mei de kans het daarop uit de markt te prijzen;
  • de subsidiestops bij het Ministerie van WVC voor restauraties van monumenten.
Door deze oorzaken doet zich de laatste jaren de situatie voor dat door particulieren nog slechts voornamelijk wordt geïnvesteerd in historische panden, voor zover deze in relatief goede bouwkundige staat verkeren en zijn gelegen in stadsdelen die kunnen worden aangeduid als 'zelf regenererend'. Het aandeel van de Gemeente bij restauraties daarentegen speelt de laatste jaren een grotere rol, althans voor zover het de stadsvernieuwingsgebieden betreft. Per jaar worden er momenteel in die gebieden op initiatief van de Gemeente ongeveer 30 panden gerestaureerd in de woningwetsfeer (het zogenaamde 'Experiment Woningwetmonumenten'). De in het kader van deze regeling uitgevoerde restauraties maken het wonen in een monument ook voor mensen met een smallere beurs mogelijk. Na restauratie zijn de huren namelijk gelijk aan die welke in de sociale woning(nieuw)bouw worden gevraagd.
De in het herstelplan opgenomen urgentielijst bevat 194 rijksmonumenten, waarvan er 56 in uiterst deplorabele staat verkeren en maximaal binnen vier jaar dienen te worden gerestaureerd. De totale herstelkosten die dit ingrijpen met zich brengt zijn globaal begroot op 68 miljoen gulden (peildatum juli 1984), waarvan 38 miljoen betrekking heeft op constructief herstel (het zogenaamde casco-herstel) en 30 miljoen op de inbouwkosten voor de woningen. Vooral het casco-herstel is van belang - en subsidiabel - uit oogpunt van monumentenzorg. Het benodigde subsidiebedrag is begroot op 25,4 miljoen gulden.
In het plan is uitgegaan van een periode van tien jaar voor realisering van het herstelprogramma. Als variant werd een vijfjarige streefperiode geopperd hetgeen consequenties heeft voor de hoogte van de jaarlijkse kosten en verdeling ervan. In het rapport werd verder de aanbeveling gedaan, te komen tot een tweede (vervolg)rappon, waarin de ingevolge de gemeentelijke Monumentenverordening beschermde monumenten en de zogenaamde beeldbepalende panden binnen de beschermde stadsgezichten aan de orde komen. Dit tweede rapport zou moeten worden samengesteld nadat bestuurlijke besluitvorming over het eerste herstelplan had plaatsgevonden.
Bij de beslispunten in de vergadering van het College van burgemeester en wethouders op 25 juni 1985 werd omtrent de 194 panden uitgegaan het herstel 'in een periode van vijfjaar te bevorderen dan wel te realiseren, uitgaande van een hoofdbestemming wonen'. De urgentie van herstel, waarvoor een extra inspanning van alle partijen is vereist, leidde tot de keus van een kortere streefperiode. Ten einde deze 'inhaaloperatie' te kunnen uitvoeren dient de Gemeente bij het Ministerie van WVC een extra subsidiebudget ter beschikking te krijgen.
In het herstelplan en de besluitvorming wordt onderscheid gemaakt tussen rijksmonumemen, gelegen binnen en buiten de stadsvernieuwingsgebieden. Bij deze gebieden zijn onderling verschillende subsidieregelingen, bestuurlijke verantwoordelijkheden en coördinerende instanties van toepassing. In het hierna volgende wordt nader ingegaan op de bedreigde monumenten en de aanpak binnen die 'twee' gebieden.

Binnen de stadsvernieuwingsgebieden

Van de 194 te herstellen monumenten liggen er 91 in stadsvernieuwingsgebieden, zoals de Jordaan, de Nieuwmarkt/Bethaniënbuurt, de Haarlemmerbuurt/Westelijke eilanden en de Oostelijke eilanden/Kadijken. Binnen deze gebieden zijn 67 panden particulier eigendom. De overige 24 panden zijn eigendom van de Gemeente of van restaurerende instellingen. Het beleid in deze wijken ressorteert onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de wethouder voor de Coördinatie Stadsvernieuwing en wordt geconcretiseerd en uitgevoerd door de ambtelijke projectgroep.
De taakstelling van de projectgroepen is coördinerend van aard en (kan) niet exclusief gericht (zijn) op aspecten vanuit het oogpunt van de monumentenzorg. Door het grote belang van (volks)huisvesting in deze buurten, met kaalslag en veel open gaten, alleen al in de Jordaan ter lengte van 5 kilometer(!), lag de nadruk in het begin van de jaren zeventig (onvermijdelijk) op vernieuwing. Tegenwoordig wordt een beleid gevoerd dat gericht is op behoud en herstel.
Bij de uitvoering van hun taken maken de projectgroepen gebruik van meerjarenprogramma's (lange termijn-planning), die jaarlijks worden bijgesteld in werkprogramma's. Van de 91 te herstellen percelen zijn er inmiddels circa 80 opgenomen in meerjarenprogramma's en bestuurlijk goedgekeurde werkprogramma's. Dit betekent dat deze panden uiterlijk binnen tien jaar zullen worden aangepakt. De overige 11 panden werden alsnog met prioriteit in de werkprogramma's opgenomen. Het overgrote deel van de monumenten zal overigens, overeenkomstig de in het herstelplan aangegeven prioriteiten, over vijf tot tien jaar voor herstel aan de orde komen.
Gezien de eerder vermelde urgentie met het karakter van een inhaaloperatie in een periode van vijf jaar lijkt een nadere afstemming op elkaar van herstelplan en diverse werkprogramma's en van bestuurlijke portefeuilles hier gewenst.

Buiten de stadsvernieuwingsgebieden

Van de 194 bedreigde monumenten liggen er 103 buiten de stadsvernieuwingsgebieden. Restauratievoornemens bestaan er reeds voor 31 panden. Van de overige rijksmonumemen zijn er 61 particulier eigendom. Deze groep baart de meeste zorgen. Voor de restauratie van deze buiten de stadsvernieuwingsgebieden gelegen monumenten was tot voor kon niet in een coördinerende instantie voorzien. Uitgangspunt bij deze panden is dat herstel in eerste instantie een verantwoordelijkheid is van de eigenaren, waarbij de Gemeente stimulerend en met een actieve en gerichte benadering naar de eigenaren moet optreden. De uitvoering van het beleid in deze gebieden is een verantwoordelijkheid van de wethouder voor de Monumentenzorg.
Met de inschakeling van de nv Bouwfonds Adviesgroep in februari jl. werd een belangrijke stap gedaan naar coördinatie van het project. Het Bouwfonds ontwikkelde in samenwerking met het Bureau Monumentenzorg een concreet plan voor aanpak naar herstel van de panden in deze gebieden. Dit fasegewijs uit te voeren plan bestaat in hoofdlijnen uit: het opnemen van contact met de eigenaren en het verrichten van haalbaarheidsonderzoeken voor het bouwkundig herstel en verbetering van deze monumenten en het opstellen van restauratieprogramma's, voorzien van kostenindicaties. Tevens wordt informatie gegeven over mogelijke subsidieregelingen. In een later stadium, na beslissing van de eigenaar, wordt overgegaan tot het maken van definitieve restauratie- en uitvoeringsplannen, exploitatieopzetten en het aanvragen van restauratiesubsidies. Om de voortgang van het project in het oog te houden en te voorzien in verdere coördinatie werd uit het Bouwfonds en een aantal gemeentelijke diensten en instellingen een werkgroep samengesteld. Wat is er inmiddels gebeurd en hoe is nu (medio juli 1986) de stand van zaken?

Tussen verschijning van het rapport en de huidige situatie ligt een periode van twee jaar. Van de 61 monumenten waren er 11 afgevallen, doordat inmiddels de restauratieaanpak al in gang is gezet en in een enkel geval doordat het pand is gesloopt. Verder is in een aantal gevallen het pand verkocht aan de Gemeente en ondergebracht in een ander programma. Van de overige 50 panden zijn de eigenaren schriftelijk benaderd, waarvan er 29 positief op de plannen reageerden. Met hen zijn gesprekken gevoerd en eventuele wensen en globale mogelijkheden geïnventariseerd. Vervolgens hebben 13 eigenaren ingestemd met het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek.
Eén pand is bestempeld tot proefproject en vervult een voorbeeldfunctie, waarvan de ervaringen ten nutte van het gehele project worden gebracht. De overige 16 eigenaren waren in het algemeen op de een of andere manier al van plan iets aan hun pand te doen. De eigenaren die niet hebben gereageerd op de eerste brief zullen de komende tijd worden gerappelleerd. Gezien de korte tijd een gematigd positief resultaat. Na de bouwvakvakantie zullen de panden groepsgewijs worden opgenomen en opmetingstekeningen worden geproduceerd.

Financiën en subsidies

Van de te herstellen rijksmonumenten zijn er 91 gelegen binnen de stadsvernieuwingsgebieden. Met het casco-herstel van deze panden is een bedrag gemoeid van 18,3 miljoen gulden. De voor dit herstel benodigde subsidies dienen beschikbaar te komen uit het Stadsvernieuwingsfonds dat mogelijkheden biedt voor integraal herstel binnen deze gebieden.
Onder integraal herstel wordt verstaan herstel dat dient om de bouwtechnische gebreken weg te nemen als ook om te komen tot goede woningen in de te restaureren monumenten. De beoordeling van deze twee aspecten geschiedt door het Bureau Monumentenzorg in samenwerking met de dienst Bouw- en Woningtoezicht en/of de dienst Volkshuisvesting.
Voor particuliere eigenaren bedraagt de hoogte van de bijdrage die wordt verleend op een goedgekeurd plan en begroting in het algemeen 50% van de aanvaardbare of subsidiabele kosten. Deze kosten bedragen maximaal / 150.000 per pand, vermeerderd met ƒ 10.000 maal het aantal in het pand na herstel aanwezige kamers en afgescheiden keukens. Voor de 91 panden betekent dit dat het totaal benodigde subsidie voor casco-herstel komt op 12,5 miljoen gulden, berekend over een periode van tien jaar. Per jaar wordt uit het oogpunt van monumentenzorg in het Stadsvernieuwingsfonds een bedrag van ongeveer 9 miljoen gulden gestort. De omvang van dit bedrag is toereikend om er de restauratiesubsidies voor het herstelplan uit te putten. Restauratie binnen een periode van vijfjaar zal aanzienlijk hogere subsidiebedragen per jaar vereisen, waarvoor extra reserveringen onontbeerlijk lijken.

Van de te herstellen panden zijn er 103 gelegen buiten de stadsvernieuwingsgebieden. Het bedrag voor casco-herstel van deze monumenten is begroot op 19,8 miljoen gulden. De voor dit herstel benodigde subsidies ten bedrage van 12,9 miljoen dienen te komen uit de per 1 januari 1986 van kracht geworden Rijkssubsidieregeling Restauratie Monumenten (RRM). Deze regeling is van belang voor eigenaren van rijksmonumenten die buiten de stadsvernieuwingsgebieden integraal of partieel herstel willen uitvoeren. De RRM bevat de gelden die jaarlijks door de minister van WVC ten behoeve van woonhuisherstel voor Amsterdam worden gereserveerd. (In de stadsvernieuwingsgebieden is deze regeling in principe alleen van toepassing voor partieel herstel, omdat voor integraal herstel een beroep kan worden gedaan op het Stadsvernieuwingsfonds).
De hoogte van het rijkssubsidie bedraagt voor particuliere eigenaren van (woon) huismonumenten in principe 30% van de door Monumentenzorg op basis van een goedgekeurd plan en begroting vastgestelde subsidiabele kosten. Deze kosten zijn de bedragen die verband houden met de instandhouding van de constructief/monumentale waarden. De hoogte van het subsidiepercentage is afhankelijk van fiscale aftrekmogelijkheden. Indien deze niet aanwezig zijn, wordt het percentage nog eens verhoogd met 30%. In het geval men wel in aanmerking komt voor fiscale aftrekmogelijkheden kan tegen gunstige voorwaarden een restauratiehypotheek worden afgesloten tot 30% van de subsidiabele kosten. Deze hypotheek wordt verstrekt tegen laag rentend kapitaal door het Nationaal Restauratiefonds op grond van een subsidietoezegging van het Rijk. Dit fonds is een particuliere stichting welke samenwerkt met beleggers en de rijksoverheid.
Voor Amsterdam wordt per jaar door het Ministerie van WVC een bedrag van ongeveer 10 miljoen gulden gereserveerd voor woonhuisherstel. De in hei herstelplan jaarlijks benodigde subsidiebedragen voor het casco-herstel kunnen ruimschoots uit deze 'woonhuispot' worden betaald. Maar ook hier geldt dat, wil men de operatie binnen vijf jaar uitvoeren, extra subsidiebudgetten vereist zijn.
Naast deze twee 'hoofdregelingen' inzake subsidieverlening voor restauratie- en herstelwerkzaamheden van rijksmonumenten bestaat er de mogelijkheid in aanmerking te komen voor subsidies van de diensten Bouw- en Woningtoezicht en Volkshuisvesting van de gemeente Amsterdam.
Ten slotte is in het herstelplan een begroot bedrag neergelegd van afgerond 30 miljoen gulden voor de inbouwkosten. Voor het verstrekken van financiële bijdragen in deze kosten zal, naast het Stadsvernieuwingsfonds, een beroep moeten worden gedaan op de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan particuliere huurwoningen 1985 en voor zover nodig de Regeling geldelijke steun huurwoningen 1975.
Het herstelplan vraagt een inspanning van alle betrokken partijen. Naast de gemeentelijke initiatieven binnen de stadsvernieuwingsgebieden is medewerking van particuliere eigenaren voorwaarde voor het welslagen van een groot deel van het plan. De Gemeente dient dit te stimuleren door verlening van allerlei faciliteiten. Zoals: de mogelijkheid van volledige voorfinanciering met garantiestelling door de Gemeente, gebruikmaking van een te ontwikkelen bouwmethodiek voor sober en doelmatig restaureren in samenwerking met de bouwwereld, lage bemiddelingskosten, etcetera. En een snelle subsidietoezegging met mogelijk even snelle uitbetaling. Veel zal afhangen van de ter beschikkingstelling van de benodigde financiële middelen. Afweging van prioriteiten bij verdeling van de financiën en afstemming op elkaar van de bestuurlijk verantwoordelijke portefeuilles is gewenst.
Tussen het verschijnen van het herstelplan en de huidige situatie ligt een korte tijd. Overdreven en (te) hoog gespannen verwachtingen zijn in zo'n korte periode nauwelijks denkbaar. Over een aantal jaren is er duidelijker zicht op de resultaten; hoe ver de realisatie is gevorderd om bedreigde monumenten te veranderen in gerestaureerde en weer bewoonde monumenten. Het begin van de eerste aanpak is echter bemoedigend en biedt positieve vooruitzichten.

Dick van der Horst

(Uit: De Lamp van Diogenes 100, okt. 1986)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.