De continuïteit van het stadsbeeld

Toen in 1955 de Nota-Binnenstad van B. en W. aan de Raad werd gepresenteerd, had het kort tevoren ingestelde Bureau Monumentenzorg de eerste bewijzen geleverd dat het met enige subsidiesteun mogelijk was vervallen oude woonhuizen weer goed bruikbaar te maken. Men leefde in de wederopbouwsfeer: de westelijke tuinsteden waren in uitvoering, de ekonomie herstelde zich, het aantal auto's begon een probleem te worden, en velen vroegen zich af wat er met de oude stad zou gaan gebeuren.

Moest men het voorbeeld van Rotterdam en andere gebombardeerde steden volgen in de keuze voor een zakencentrum met hoogbouw en straatverbreding? Dat betekende voortzetting op grotere schaal van de vooroorlogse lijn, namelijk dat het historische stadsbeeld, op enkele "museumstukken" na, vroeg of laat plaats zou moeten maken voor een heel ander, 20-ste eeuws stadsbeeld.
Hoewel de Nota tal van voornemens bevat die gelukkig niet tot uitvoering zijn gekomen — verbreding van de Utrechtsestraat en het Muntplein b.v. — en een meer aarzelende opsomming van problemen inhoudt dan een duidelijke beleidsvisie, blijft de verdienste van het stuk dat hier voor het eerst door het gemeentebestuur een karakteristiek gegeven wordt van de binnenstad als een waardevolle totaliteit, die gehandhaafd zou moeten worden. De nota stelt:
"Van een groot aantal huizen geldt dat zij op zichzelf beschouwd niet van bijzondere betekenis zijn, het totaalbeeld echter wel . . . De horizontale uitgebreidheid bestaat voor het grootste gedeelte uit niet grote, elk voor zich een eigen taal sprekende huizen, veelal gekenmerkt door een typische vertikaal gerichte vormgeving . . . Vooral de oude huizen zijn uitdrukking van de individuele gezindheid, die de stichters bij de bouw tot uitdrukking willen brengen, zij zijn evenwel ondergeschikt aan het grote geheel van de binnenstad, waarop de stichters trots waren. Zij waren bereid, eigen bouwwensen ondergeschikt te maken aan. het streven naar een boeiend en architektonisch waardevol stadsbeeld. Deze gezindheid is een tijdlang vrijwel verloren gegaan. De behoefte aan een plan voor de binnenstad ... is een reaktie hierop en een gevolg van de erkenning van de kultuurwaarde van het stadsbeeld".
Sinds dit geschreven werd, heeft verder onderzoek de aandacht gevestigd op de familietrekken van het gewone stads-woonhuis, die eeuwenlang herkenbaar zijn gebleven. Meer nog dan de in de Nota-Binnenstad gesignaleerde bereidheid om eigen bouwwensen ondergeschikt te maken aan het geheel, was het de ambachtelijke traditie van de timmermans-bazen, die vanaf de middeleeuwse houten huizen tot in het begin van onze eeuw, de praktijk van het bouwen aangaf.
Die kontinuiteit heeft een sterker stempel op het stadsbeeld gedrukt dan de wisselingen van stijl en mode. De houten gevels "versteenden" in de 16-de eeuw, maar bleven bij de eenvoudige huizen in de onderste helft voortleven in de hoge puien van hout en glas. De trapgevels uit de vroege 17-de eeuw gingen over in de halsgevels met hun rijk gebeeldhouwde vleugel-stukken en bekroningen, waarvan de zwierige lijn werd voortgezet in de klokgevels. De rechte kroonlijst, die onder invloed van Franse en Italiaanse voorbeelden de dubbele herenhuizen afsloot, werd met eindeloze variaties aangepast bij het hoge dak van de normale 4 tot 6 m. brede huizen. Bij de periodieke opknapbeurten kregen vele panden een nieuwe modieuze uitmonstering aan de gevelbe kroning, deur en ramen. Herhaaldelijk vindt men langs de burgwallen achter 18-de en 19-de eeuwse gevels, de konstruktie terug van huizen die eeuwen ouder zijn. De gegevens die in 25 jaar restauratiepraktijk door het bureau Monumentenzorg zijn verzameld, hebben ook een duidelijker inzicht gegeven in het verband tussen de ruimtelijke en konstruktieve ontwikkeling en de gevelarchitektuur. Het is een geleidelijk proces van specialisatie en afsplitsing, dat van de ongedeelde ruimte in de middeleeuwse houten huisjes voert naar het in verdiepingen bewoonde huis zoals wij het nu kennen.
De menging van wonen en werken, en het kontakt tussen de straat en de woning in het voorhuis en de "grenszone" van stoepen, luifels en pothuizen, zijn oeroude stedelijke gegevens. De perceelsmaten dateren van lang voor de huidige bebouwing, evenals de rooilijnen. Hoe meer men zich verdiept in de wordingsgeschiedenis van het stadshuis, des te sterker spreken de konstante elementen, en des te bescheidener wordt de betekenis van de tijdgebonden dekoratie, vooral in de eenvoudige huizen.

Dit inzicht is van groot belang bij de beoordeling van het bouwen in de binnenstad. Het argument dat een begaafd ontwerper de vrije hand moet hebben om een gebouw in eigentijdse vorm, kleur, maat en materiaal in de rij der oude huizen te zetten, omdat men dat vroeger ook aandurfde, blijkt te berusten op een oppervlakkige vergelijking van de wisselende dekoratieve onderdelen. De konstante faktoren van massa, kapvorm, indeling, verhouding tussen metselwerk en raamopeningen, verdiepinghoogten en ambachtelijke afwerking, worden daarbij over het hoofd gezien, en deze zijn wezenlijker voor het geheel dan de datering van een hals- of klokgevel. Het zijn de versierende elementen die op een diskrete wijze de speelse variatie in het stadsbeeld brengen, en daarom ook de meeste aandacht trekken, maar het is het hechte architektuurstramien dat de versiering zijn houvast, zijn plaats en zijn funktie geeft. De formulering in de Nota Binnenstad van 1955 over de bereidheid om eigen bouwwensen ondergeschikt te maken aan een boeiend en architektonisch waardevol stadsbeeld is aktueler dan ooit: het is een richtlijn die voor elke bouwaktiviteit in de binnenstad dient te gelden.

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 39, augustus 1976.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.