De beeldhouwers Van Logteren en het Amsterdamse gevelornament

De gevels van het oude Amsterdam hebben op hun wijze een geschiedenis van Amsterdam geschreven. Een geschiedenis van vier eeuwen. Aan de hand van de gevels kan men de geschiedenis, zeker van ongeveer 1625 af, van jaar tot jaar volgen. Al staan ze niet keurig op jaarvolgorde. Een geschiedenis van verschillende facetten in het leven der stad, maar in de eerste plaats van de schoonheidsidealen die in Amsterdam hebben geheerst. Want de voorgevel van het huis moest de uitdrukking zijn van de voortreffelijkheid, zowel de geestelijke als de stoffelijke, van zijn bewoner. Naar het beste en het mooiste streefde het kwartet van bouwheer, bouwmeester, beeldhouwer en steenhouwer. En dat mooiste vond zijn sterkst uitgesproken vertolking in het ornament, waarmee de gevelarchitectuur werd bekleed.

Reeksen van opeenvolgende jaren kan men bundelen tot periodes, wanneer hoofdfiguren er hun stempel op hebben gedrukt, er hun stijl aan hebben opgelegd.
Zo kennen we de periode Hendrick de Keyser, tussen ongeveer 1600 en 1625, dan de periode-Van Campen en Vingboons, van ongeveer 1625 tot 1670, hierna die van Dordtsman van circa 1670 tot 1690. Tot dan zijn het namen van bouwmeesters, die de periodes beheersten. De Keyser en zijn zoons zelf echter namen ook de gevelversiering, het ornamentale beeldhouwwerk voor hun rekening.
Uit de volgende perioden kennen we belangrijke beeldhouwers, die de bouwmeesters ter zijde stonden, bovenal Quellijn, verder de beide Ghijselings, vader en zoon, en de gebroeders Eggers.
Betreden we de achttiende eeuw, dan valt op, dat we wel weer in periodes denken, deze nochtans niet benoemen naar hoofdmeesters, maar naar stijlen: we spreken van de Lodewijkstijlen en van het achttiende-eeuws classicisme.
Waren er dan geen belangrijke meesters? Ze waren er wel degelijk, ofschoon minder in aantal. Hier heeft onder meer de miskenning van de achttiende-eeuwse kunst ons parten gespeeld. Deze miskenning was geboren tegelijk met die van de Nederlandse kunsthistorie en -kritiek in de negentiende eeuw, in de romantiek. Geheel op romantische wijze zocht men naar de ideale, absolute held en vond die in Rembrandt: onder de dwang van dit criterium kon men de estetische idealen van de achttiende eeuw onmogelijk waarderen. Eerst sinds de tweede wereldoorlog is men zich langzamerhand van deze vergissing bewust geworden en kwam een herwaardering tot leven, ingeblazen door enige pioniers, vooral Knoef en Staring. Beiden brachten ook de beeldhouwers Ignatius en Jan van Logteren, vader en zoon (resp. 1685 - 1732 en 1709 - 1745) voor het eerst duidelijk, hoewel summier, voor het voetlicht. Nu, dertig jaar later, bevinden we ons nog altijd in het beginstadium van de herwaardering en wachten ook de Van Logterens nog op een hun waardige litteratuur.

Als we nu onze blik richten op de vroege achttiende eeuw, de periode die we meestal als die van het Noord-Nederlandse Louis XIV weergeven, dan zouden we, het belang van hun sculptuur in samenhang met de architectuur herkennend, ook kunnen spreken van de periode-Van Logteren. Maar, zal menigeen opwerpen, komt zo iets niet méér toe aan Daniël Marot? Marot, de gewezen architect van Koning-stadhouder Willem III die na diens dood in 1702 enige jaren in Amsterdam gewoond heeft en die de eigenlijke grondlegger is van het Nederlandse en Amsterdamse Louis XIV? Of misschien zijn assistent en opvolger, Jean Coulon? Deze gedachte moeten we echter verwerpen. Lange tijd werd de rol van Marot in Amsterdam als volstrekt overheersend beschouwd en werd ieder voortreffelijk verschijnsel van Louis XIV-stijl met hem persoonlijk in verbinding gebracht. Heden stelt men zich op dit punt terughoudender op. Men heeft bij voorbeeld geconstateerd, dat in Amsterdam tenslotte geen enkel gevelontwerp van Marot is uitgevoerd; dat, wanneer Ignatius van Logteren in bepaalde interieurs wel degelijk met Marot moet hebben samengewerkt - zoals het geval is bij Herengracht 476 -, de uitvoerende beeldhouwer-stucateur Van Logteren het ontwerp zodanig op eigen wijze heeft geïnterpreteerd, dat het resultaat niet zozeer een werk van Marot maar veeleer van Van Logteren genoemd moet worden. Van Coulon zijn wel vrij veel uitgevoerde gevelontwerpen aan te wijzen. Maar ook hier is waar te nemen, dat, wanneer de uitvoering van gevelsculptuur in handen wordt gelegd van de Van Logterens, hun artistiek aandeel dat van Coulon niet alleen in zich opneemt, maar ook overtreft. Ofschoon de werkzaamheid der Van Logterens aan de gevels van Amsterdam slechts een betrekkelijk klein gedeelte vertegenwoordigt in hun oeuvre is zij zó voornaam, dat ze tot de belangrijkste verschijnselen van de gehele Amsterdamse gevelarchitectuur en -decoratie behoort. Hun bijdragen zorgen voor een aantal van de vorstelijkste monumenten en hoogtepunten aan de grachten, voor het mooiste wat Amsterdam ook aan verwende buitenlandse kunstliefhebbers daar te bieden heeft.
Laten we, om ons dat te realiseren, eens de voornaamste objecten, die van hen bekend zijn of aan hen moeten worden toegeschreven, aan ons oog voorbijtrekken.

Van Ignatius:

  • Herengracht 539, ca. 1718 (naar ontwerp van Coulon);
  • Herengracht 476, 1731 (kroonlijst);
  • Keizersgracht 175, ca. 1728 (kroonlijst);
van hun plaats verdwenen, maar wel bewaard:
  • Kalverstraat, de 'Keizerskroon', bekroning, 1725 (nu in de buitenmuur van het Rijksmuseum);
  • Herengracht 286, kroonlijst, 1732 (geplaatst op huisje in de tuin erachter);
van Jan:
  • Herengracht 475, 1736 (waarschijnlijk naar ontwerp van Coulon) de 'parel' van de 'Bocht';
  • Herengracht 548, 1737 (gedeeltelijk gewijzigd);
  • Keizersgracht 64, 1738 (sculptuur aan de hals);
  • Keizersgracht 209, tussen 1735 en '38 (kroonlijst);
  • Keizersgracht 756, 1738 (kroonlijst en deurpartij).

Van de meeste dezer huizen is ook het interieur - hal, gang(en), trappehuis - door hen met grootse ornamentiek opgeluisterd. Meerdere hunner huizen zijn verdwenen of gemutileerd.
Zouden we dit 'blok' uit het beeld van onze grachten wegnemen, dan zouden deze op slag een aantal van de flonkerendste edelstenen uit de kroon verliezen.
In het algemeen volgt het architectonische fond van de gevels dezer huizen juist niet de manier van Marot (vergelijk diens huis Van Wassenaar Obdam in Den Haag), maar het oudere Hollandse classisme van (Van Campen-) Vennecool en Dordtsman: een edel sobere trant, waardoor de decoratie des te fraaier afsteekt; deze toch rijkere, wél op Marots trant teruggrijpende decoratie houdt zich, wat de plaatsing betreft, evenzo aan de strenge wetten van de oudere traditie: alleen aan middentravee en kroonlijst.
Nog een tweede stilistische opmerking.
De ornamentale ontwerpen van Marot en Coulon, die puur decoratief van aard zijn, luchtig, dun en speels, worden door de Van Logterens, echte beeldhouwers, in krachtige sculpturale vormen omgezet. Zo is dus Ignatius van Logteren en niet zozeer Marot de schepper van een prachtige, eigen Amsterdamse laatbloei van het Louis XIV, een stijl die in hoge kwaliteit van zijn uitvoering de vergelijking met de beste kunstuitingen in Europa kan doorstaan.
Naast de Van Logterens werkten aan de Amsterdamse gevels hun leerlingen, de gebroeders De Wilde (zij zijn helaas, waarschijnlijk omstreeks 1745 - '46 na de dood van Jan van Logteren uit Amsterdam vertrokken), Francois Absil (zijn gevels Herengracht 495, uit 1739, en 543, uit 1743, tonen fraai de overgang naar het rocaille (no. 543) en Jurriaan Westerman (de geveldecoratie van Amstel 218 is waarschijnlijk zijn werk).
Voor 'De Lamp' kozen we uit het werk der Van Logterens het onderwerp gevelsculptuur. Deze bijdrage moge - naast enige hier en daar verspreid gepubliceerde artikelen - een eerste grotere publikatie over deze grote Amsterdamse kunstenaars in het vooruitzicht stellen, in een niet al te veraf liggend verschiet.

Pieter Fischer

(Uit: De Lamp van Diogenes 79, mei 1983)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.