Handvest van het architectonisch erfgoed van Europa ('Verklaring van Amsterdam')

Op de slotzitting van het congres dat van 21 tot 25 oktober 1975 te Amsterdam plaats vond, werd het 'Handvest van het architectonisch erfgoed van Europa' bekend gemaakt, zoals dit kort tevoren door het comité van Ministers bij de Raad van Europa was aanvaard.

(Het handvest staat bekend als de Verklaring van Amsterdam.)

1. Het architectonisch erfgoed van Europa bestaat niet alleen uit onze belangrijkste monumenten, daartoe behoren ook groeperingen van minder belangrijke gebouwen in onze oude steden en karakteristieke dorpen in hun natuurlijke of aangelegde omgeving.

Lange tijd hebben wij de situatie gekend dat alleen de grote monumenten werden beschermd en gerestaureerd, zonder dat daarbij op het verband met de omgeving werd gelet. In de laatste tijd is men tot het inzicht gekomen, dat ook bij die monumenten de waarde voor een belangrijk deel afhangt van de vraag in hoeverre de omgeving gaaf is gebleven.
Bovendien zijn wij in onze tijd gaan beseffen, dat een groepering van een aantal gebouwen, ook al is er daarbij niet één van uitzonderlijke betekenis, de waarde kan hebben van een monument: nl. wanneer daarin verschillende cultuurperioden en bouwstijlen op een harmonieuze wijze een geheel vormen. Ook zulke monumenten moeten we beschermen.
De oude gebouwen om ons heen zijn getuigen van het verleden. Zij zijn geschikt ons de betekenis daarvan te doen beseffen.

2. De directe band met het verleden die wij in onze oude bouwkunst bezitten vormt een waardevol element in ons leefmilieu en levert een onmisbare bijdrage tot een evenwichtig en zinvol bestaan van de mens.

De nu levende mens voelt onbewust de betekenis hiervan, geconfronteerd als hij wordt met een voortdurende verandering van het hem omringende beeld, waarbij ongeëvenaarde prestaties gepaard gaan met even wezenlijke bedreigingen.
Wij zijn verplicht hetgeen wij bezitten aan bouwkunst, van vorige geslachten, over te dragen aan de generaties na ons, in al zijn verscheidenheid en in de staat waarin wij het hebben gekregen, als een tastbaar onderdeel van ons verleden. Als wij in die overdracht tekort schieten gaat dit ten koste van de beleving van de historische continuïteit waarvan wij deel uitmaken.

3. Het architectonisch erfgoed vormt een kapitaal van onvervangbare waarde: geestelijk, cultureel, maatschappelijk en economisch.

Elke generatie opnieuw put inspiratie uit het verleden en werkt op een eigen manier met het materiaal dat de geschiedenis oplevert. Het gaat hier om een kapitaal, bijeengebracht in de loop van eeuwen. ledere aantasting ervan betekent verarming, omdat iets nieuws, hoe mooi ook, het verlies van het oude niet zal kunnen vergoeden.
In onze tijd zijn wij verplicht zuinig om te springen met de hulpbronnen waarover de samenleving beschikt. Het architectonisch erfgoed behoort tot ons kapitaal. Onze oude bouwkunst is bepaald geen overbodige luxe maar een economisch waardevol bezit, dat ons op allerlei manieren direct en indirect profijt oplevert.

4. De structuur van onze oude stads en dorpskernen draagt bij tot een harmonieus en evenwichtig karakter van de samenleving.

De structuur van onze oude steden en dorpen, die gekenmerkt werd door een grote maatschappelijke gevarieerdheid, bevorderde het onderlinge contact van de verschillende lagen van de bevolking. Wij moeten hopen dat de oude stads- en dorpskernen deze nuttige functie in de samenleving zullen behouden, of, waar dit nodig is, opnieuw zullen gaan vervullen.

5. Het architectonisch erfgoed is van belang voor het onderwijs.

Vooral in onze tijd, nu bij het onderwijs het visuele aspect en het directe contact met de materie zo'n grote rol spelen, is het van wezenlijk belang dat we blijven beschikken over wat de diverse tijdvakken in de geschiedenis aan bouwkunst hebben opgeleverd. Dit onderdeel van ons erfgoed levert bijzonder geschikte stof op voor het aankweken van vorm- en stijlbegrip, en een onuitputtelijke voorraad aan vergelijkingsmateriaal op dit gebied.
Het voortbestaan van ons architectonisch erfgoed zal alleen dan zijn verzekerd wanneer de noodzaak het te beschermen door de meerderheid van de bevolking wordt ingezien, inzonderheid door de jonge generatie, die na ons de verantwoordelijkheid ervoor zal dragen.

6. Dit erfgoed is in gevaar.

Er zijn diverse factoren die dit erfgoed bedreigen, zoals verval, verwaarlozing, achteruitgang op allerlei manieren en gebrek aan besef van de waarde ervan. Stedebouwkundige en planologische ingrepen kunnen funest zijn, met name wanneer de overheid te gauw geneigd is toe te geven aan de eisen van het gemotoriseerde verkeer of aan druk op haar uitgeoefend omdat het economisch belang in het geding zou zijn. Evenals een verkeerde manier van restaureren kan ook misplaatste toepassing van de moderne techniek rampzalig zijn vooreen oud bouwwerk. Eén van de ergste dingen is speculatie in onroerend goed. In het bijzonder grondspeculatie. Zij wordt in de hand gewerkt door het uitblijven van maatregelen of fouten van de overheid, zulks ten nadele van de monumenten. Zij kan tot gevolg hebben dat het nuttige effect van zorgvuldig uitgewerkte plannen er door te niet wordt gedaan.

7. Een vorm van monumentenzorg die op de juiste wijze op de behoeften van de maatschappij inspeelt keert deze gevaren.

Van een aan de behoeften van de maatschappij aangepaste monumentenzorg kunnen wij spreken als zorgvuldig herstel volgens de regels van de restauratiekunde gepaard gaat met het zoeken naar passende bestemmingen. Vroeger werden de centra van onze steden of dorpen vaak aan hun lot overgelaten. Niemand deed iets om verval tegen te gaan of om te voorkomen dat ze degradeerden. Als we nu gaan herstellen mag de sociale rechtvaardigheid tegenover de bestaande bewoners niet uit het oog worden verloren: uitbanning van de minder kapitaalkrachtigen mag er geenszins het gevolg van zijn. Deze vorm van monumentenzorg moet ons uitgangspunt zijn zowel als er voor de steden als voor de dorpen en het platteland plannen worden gemaakt. Opgemerkt dient te worden dat een maatschappelijk geïntegreerd monumentenbeleid geenszins uitsluit dat er eigentijds wordt gebouwd in een historisch bepaalde omgeving zoals met name in een oude stadswijk: voorwaarde dient echter te zijn dat het nieuwe gebouw aan de bestaande omgeving wordt aangepast op het punt van verhoudingen, vormgeving, omvang en schaal, en dat vanouds gebruikelijke materialen worden toegepast.

8. Een maatschappelijk geïnspireerd monumenten beleid is slechts mogelijk als de vereiste basis van wetgeving en verordering, administratie, financiën en vakkennis aanwezig is.

Wetten en verordeningen
Voor ons op de behoeften van de maatschappij afgestemd monumentenbeleid moeten wij alle kansen benutten die bestaande wetten en verordeningen bieden om restauratie of rehabilitatie mogelijk te maken. Indien de bestaande regelingen te kort schieten, dienen ze te worden aangevuld, hetzij op landelijk of provinciaal, hetzij op gemeentelijk niveau.
Bureaus
Voor de uitvoering van een op de maatschappij afgestemd monumentenbeleid moeten met voldoende, gekwalificeerd personeel bemande bureaus beschikbaar zijn.
Financien
Waar nodig dienen het onderhoud en de restauratie te worden aangemoedigd door passende vormen van financiële steun en aanmoediging, waaronder ook te rekenen faciliteiten van fiscale aard. Het is van wezenlijk belang dat de fondsen, door de overheid beschikbaar gesteld voor de rehabilitatie van oude binnensteden tenminste gelijk zijn aan die, welke worden uitgetrokken voor de subsidiëring van nieuwbouw.
Vakkennis
Er zijn momenteel te weinig architecten, deskundige technici, gespecialiseerde firma's en ervaren ambachtslieden om bij de restauraties en stadsvernieuwingen te worden ingeschakeld. Het is dan ook gewenst dat er meer opleidingsmogelijkheden komen. Bovendien dat de vooruitzichten van hen, die op het gebied van restauratie en stadsherstel beschikken over leidinggevende of technische kwaliteiten of over een bijzondere handvaardigheid, worden verbeterd. We moeten de bouwbedrijven er toe zien te bewegen zich aan te passen aan de behoeften van rehabilitatie en restauratie; het aloude handwerk, dat met de ondergang bedreigd wordt, dient te worden begunstigd.

9. Alleen dan kan de opzet van een op de behoeften van onze maatschappij afgestemde monumentenzorg slagen, als iedereen zich daarbij betrokken voelt.

Hoewel het architectonisch erfgoed als geheel gemeenschappelijk bezit is van ons allen, is ieder afzonderlijk deel ervan helaas aan de willekeur van de enkeling overgeleverd. Het publiek behoort voldoende te worden voorgelicht over ons architectonisch erfgoed; immers iedere burger heeft recht op inspraak, als er beslissingen genomen moeten worden die van belang zijn voor de omgeving waarin hij moet leven.
De thans levenden hebben alleen het vruchtgebruik van dit erfgoed; zij zijn er verantwoordelijk voor dat het in goede staat kan worden overgedragen aan toekomstige generaties.

10. Het architectonisch erfgoed van Europa is gemeenschappelijk bezit van ons werelddeel.

De strijd voor het behoud van zijn architectonisch erfgoed is niet een zaak van ieder land afzonderlijk; voor de problemen daaraan verbonden ziet heel Europa zich geplaatst en bij de aanpak ervan heeft men met die omstandigheid rekening te houden.
Het behoort tot de taak van de Raad van Europa er voor te zorgen dat ieder van de leden-staten zich bewust is van zijn verantwoordelijkheid jegens de gemeenschap om zijn beleid in overeenstemming te brengen met dat van de andere landen.

(Uit: De Lamp van Diogenes 35, dec. 1975)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.