Kentering

De periode waarin ons blad verscheen is van grote betekenis geweest voor het voortbestaan van de Amsterdamse binnenstad als stedenbouwkundig architectonisch monument. Het jaar 1967 begon met de nasmaak van een nederlaag: de Gemeenteraad had op 15 december 1966 na een bewogen debat de grondtransactie goedgekeurd, die het gebouw van de ABN aan de Vijzelstraat mogelijk maakte.
Het Voorlopig Schema Verkeersverbeteringen, 1930, detail: binnenstad.

Nog nooit was tegen een enkel bouwplan een zó heftige oppositie losgebarsten. Tientallen bezwaarschriften waren bij de Raad ingediend. 'De Vijzelbank' werd gezien als een symbool van de cityvormings-gedachte, samenhangend met het stadsspoorwegplan, waarvan immers de hoofdtak onder de Vijzelstraat moest lopen, en met de oude, maar nog niet vergeten projecten van P. W.: behalve langs de Haarlemmer Houttuinen van de Elandsgracht naar de Nieuwezijds Voorburgwal een volgende nieuwe radiaalweg door de grachtengordel heenbreken, daarna de Utrechtsestraat verbreden en deze via de doorbraak Bakkersstraat naar de Amstel door trekken. Daarop sloot dan weer het wegensysteem aan rondom het nieuwe stadhuis met de grote doorbraak van het vastgestelde plan-Nieuwmarkt. Ook door de Jordaan waren nieuwe wegen voorzien in het kader van een krachtige sanering en het eiland Uilenburg was voor nieuwbouw van de Universiteit bestemd, hetgeen sloping van de bebouwing en demping van de Uilenburgergracht onvermijdelijk maakte. Deze plannen of studies, waarvan zo nu en dan een stukje in de openbaarheid kwam, waren in grote lijnen terug te voeren naar het 'Schema verkeersverbeteringen binnenstad' uit 1931, dat niet los kan worden gezien van het bekende 'Algemeen Uitbreidingsplan' van 1935.

De doorbraak die niet doorging: Rosmarijnsteeg / NZ Voorburgwal

Volgens de daaraan ten grondslag liggende idealen moest de woonfunctie uit de onvolwaardige binnenstadsbuurten opschuiven naar de nieuwe tuinsteden, waar vooral mensen met lage inkomens eindelijk voldoende ruimte in en om hun woning zouden krijgen. Men berekende toen dat er door sanering 13.460 en door cityvorming 12.039 oude woningen zouden verdwijnen. Aangezien de 19de-eeuwse wijken vóór 1940 als een betrekkelijk veilige voorraad goedkope woningen golden, zou de grote 'krotopruiming' vooral in de binnenstad moeten plaatsvinden.
Deze doelstellingen hielden niet in dat bij het gemeentebestuur geen belangstelling bestond voor het historische karakter en voor de woonfunctie van de oude stad. De eerste Nota-Binnenstad uit 1955 stelt dat het wenselijk zou zijn, zowel het een als het ander zo veel mogelijk in stand te houden. Belangrijker werd het echter geacht dat de binnenstad het concentratiegebied zou blijven van de centrale economische en bestuursfuncties, en dus bereikbaar voor het autoverkeer. Verbouwing van grachtenhuizen tot kantoren werd daarom als een gunstige ontwikkeling gezien, en doorbraken golden als pijnlijke, doch onvermijdelijke operaties met als bijkomende voordelen dat er versleten huizen werden opgeruimd en dat de moderne architectuur de kans kreeg, ook aan de binnenstad een eigentijds accent te geven. De tegen dit toekomstbeeld ingebrachte bezwaren uit de Heemschut-hoek hadden, hoe gefundeerd ook, weinig effect gesorteerd. Voordat een door vroegere besluiten bepaalde en gedurende tientallen jaren ambtelijke routine ingeslepen beleidslijn een andere koers krijgt moet er heel wat gebeuren. Daarvoor zijn krachtige schokken nodig, en die kwamen er ook.

De ban-de-bank episode fungeerde als een katalysator. Veel mensen die gewoon waren te reageren met 'het zal mijn tijd nog wel duren' of 'je doet toch niets tegen de macht van het Wibauthuis' ontdekten dat het wel zin had om zich voor de oude stad in te zetten.
De Provo-beweging, toen op haar hoogtepunt, haakte in. In september '67 werd op initiatief van de heer F.C. Mijnssen de handtekeningenactie 'Amsterdaad' georganiseerd, die in een week 114.000 adhesiebetuigingen inzamelde onder de leuze 'Ik vind dat de binnenstad van Amsterdam niet naar de bliksem mag gaan'. Onder de druk van dit aantal gaf wethouder De Wit toe aan het verzoek de stopingen in het Nieuwmarkt-gebied te beperken en te temporiseren.
Inmiddels was ook een uitvoerig gedocumenteerd 'Voorontwerp van de tweede nota over de Amsterdamse binnenstad' verschenen. Zeventien organisaties, waaronder ook de Kamer van Koophandel, restaurerende instellingen, architecten- en kunstenaarsverenigingen, Heemschut en Amstelodamum, stelden hierop een gedegen 'gemeenschappelijk commentaar' op, dat in december 1968 in druk verscheen.
Een jaar later ontbrandde de strijd om de Jordaan. Het schetsplan dat door B en W in een folder aan de bewoners was voorgelegd, en dat in sloping van circa tweederde van de bebouwing voorzag, ontmoette zoveel weerstand, dat de in 1970 optredende wethouder Lammers het introk en verving door een globaal bestemmingsplan waarin de stratenstructuur intact werd gelaten.
Op het Bickerseiland werd het verzet gewekt door de bouw van een tweede groot kantoorgebouw, 'De Narwal'. Dit bouwplan kon niet worden-tegengehouden, omdat het in overeenstemming was met het bestemmingsplan, dat de Westelijke Eilanden, op de gerestaureerde Zandhoek na, voor bedrijven had bestemd. Het verzet bereikte echter wel dat het bestemmingsplan werd herzien ten gunste van het wonen en dat een krachtig begin werd gemaakt met verbetering en uitbreiding van het woningbestand in de buurt.
Ook in het Nieuwmarktgebied is een soort bestandslijn bereikt. Het fatale plan-1953 is ingetrokken, de metro-oostlijn wordt afgebouwd en het nieuwe bestemmingsplan moet volgens het raadsbesluit van 1972 de oude stratenstructuur en de woonfunctie herstellen. Het stadsspoorwegplan, zo besliste de Raad, mag niet verder worden uitgevoerd dan de zwaar omstreden oostlijn.

Wanneer men de loop van deze gebeurtenissen in gedachten volgt, dan dringen zich enkele conclusies op.

  • De eerste is dat in de periode 1967-1978 inderdaad, aarzelend en stapje voor stapje, het toekomstbeeld van een binnenstad als zakencentrum, waar weinig meer wordt gewoond, wordt losgelaten. Amsterdam verandert in een stad met meerdere werk- en bestuurskernen. Het blijkt geen ramp te zijn dat b.v. de confectiebedrijven de kop van de grachtengordel hebben verruild voor het Koningin Wilhelminaplein en dat de P.C. Hooftstraat en de Van Baerlestraat de Kalverstraat overvleugelen. Het krampachtige concentratie-idee binnen de Singelgracht verdwijnt, en daarmee vervalt ook de 'noodzaak' van kantoorklonten en verkeersdoorbraken in het Centrum.
  • De tweede conclusie is minder verheugend. De eendrachtige bereidheid om, met erkenning van verschillen in uitgangspunten, samen te werken aan een nieuw toekomstbeeld voor de binnenstad of delen daarvan, is na de bewogen periode 1966-1970 weer ingezakt. Het zou nu niet meer lukken de 17 organisaties van het 'gemeenschappelijk commentaar' om de tafel te krijgen. Men is het vergaderen en discussiëren moe, mede omdat het actievoeren volgens polariserend politieke clichés voor sommigen een soort beroepsbezigheid is geworden, waar mensen die nog wat anders aan hun hoofd hebben geen heil in zien.
  • De derde conclusie, de belangrijkste, betreft de feitelijke ontwikkeling die haar gang gaat, onafhankelijk van alle plannen, nota's en beleidsvoornemens. De kaart 'structuurbeleid' in het voorontwerp tweede nota binnenstad geeft voor de gordel der grote grachten de bestemming 'kantoren' aan, met wat kruimeltjes 'wonen' in de radiaalstraten. Wanneer men nu langs de grachten loopt of fietst, dan ziet men op tientallen plaatsen hoe pakhuizen en kantoren volgens de aanwijzingen van monumentenzorg worden verbouwd tot woningen. Dat gebeurt zonder bestemmingsplan, alleen omdat de mensen die het doen er veel voor over hebben. De vrees dat na het vertrek van de confectiebedrijven tal van huizen leeg zouden blijven, blijkt ongegrond. Er zijn veel van die gevallen. Het vertrek van de kranten is zeker een verlies voor de Nieuwezijds Voorburgwal. Maar het is allerminst een ramp dat het gele geraamte van het Vrije Volk plaats maakte voor het Sonesta-hotel dat beter in het stadsbeeld past, en dat de stimulans gaf voor de restauratie van de Ronde Lutherse en van de zwaar verkrotte huizen langs de Stroomarkt door Stadsherstel.

Wie de 50 nummers van de Lamp doorbladert, ziet hoe kleine en grote herstelplannen gestalte krijgen: het Claes Claesz Hofje in de Jaren 1968-1973, het eerste rehabilitatieproject van formaat in de Jordaan, de stichting Aristoteles die de investering van particulieren bundelt, het project de Pinto dat in 1973-1976 de impasse in het Nieuwmarktgebicd doorbreekt, en nu het West-Indisch Huis.
Een buitenstaander heeft geen idee van de moeilijkheden die voor elk restauratieproject, ook voor het kleinste huisje, moeten worden opgelost, van de technische en financieringsproblemen, en van de vaak absurde ambtelijke weerstanden die moeten worden overwonnen.
Toch vormt wat in de jaargangen van dit blad werd beschreven nog maar een fractie van wat er gedurende deze periode op restauratiegebied in Amsterdam gebeurde, want het aandeel van de particulieren overtreft verre dat van alle restaurerende instellingen samen.
Natuurlijk is dat alles niet genoeg. Het werk dreigt nu te stagneren door het uitblijven van subsidies. De woningwetbouw, onmisbaar complement van de monumentenrestauraties, blijft achter en heeft tot nu toe zelden een in het stadsbeeld bevredigende architectonische vorm gevonden.
In de Jordaan is de verkrotting nog niet tot staan gebracht. Er is aanleiding genoeg tot geklaag en gekanker: over de woonschepen, de vervuiling, de jarenlang braakliggende terreinen, de hoge huren, de verkeerschaos; ga zo maar door. Toch kan de somberste zwartkijker niet ontkennen dat er een ommekeer gaande is; de grote doorbraakplannen zijn van de baan, de ruimtehonger van het bedrijfsleven neemt af, het wonen wint terrein, het herstel van de monumentale binnenstad is begonnen.

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 50, juni 1978.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.