De maat van de straat

Verkeersdoorbraken verstoren harmonisch stadsbeeld

Amsterdam maakte grote indruk op de Zweed Bengt Ferrer, die in 1759 Nederland bezocht. Niet alleen door de mooie huizen, de grachten met hun bomenrijen, maar vooral door de 'breedte, effenheid en bijzondere zindelijkheid van zijn straten. De straten zijn in het midden geplaveid met gelijkvormige en gladde stenen, maar aan de kant van de huizen en van de grachten, waar de voetgangers lopen, met hollandse klinkers, die op hun kant zijn gezet'. De breedte van de straten viel meer buitenlanders op: 'De straten zijn ruim, de grachten zeer breed' schreef in 1681 de Fransman Regnard; zijn landgenote Madame de Villedieu was veertien jaar tevoren, toen zij Amsterdam bezocht, al hetzelfde opgevallen.

Die Straszen sind sehr breit, u. daher ist das Gewühl hier nicht so unangenehm wie es sonst wohl in groszen Handelstadten zu seyn pflegt' schreef de jonge Arthur Schopenhauer op 11 mei 1803 in zijn dagboek. Het beeld dat hij van de stad schetst lijkt wel wat geflatteerd, maar een ervaring is nu eenmaal geen wiskundesom, zij blijft subjectief. Deze subjectiviteit krijgt objectieve trekken wanneer wij in dagboeken van andere reizigers die Amsterdam aandoen, dezelfde opmerkingen lezen: steeds weer enkele woorden gewijd aan de Amsterdamse straten, hun breedte en, altijd terugkerende verbazing, hun zuiverheid.
Toen Madame de Villedieu Amsterdam bezocht was de grachtengordel nog niet geheel voltooid; deze zou pas - tot aan de Weesperstraat - rond 1700 gereed zijn.
Het verschil in maat tussen de oude stad en de uitbreiding is niet groot; Laten wij zeggen het verschil in breedte tussen Heiligeweg en Leidsestraat, tussen Heisteeg en Wijde Heisteeg. Op straat; wandelaars, spelende kinderen, later rijtuigen en de door paarden getrokken sleden, die de jonge Schopenhauer zozeer verbaasden. Werkelijk brede straten, in de moderne betekenis van het woord, had Amsterdam niet. Een plan om bij de uitbreiding van 1613 tussen Herengracht en Prinsengracht een parallelle avenue aan te leggen - in plaats dus van de Keizersgracht — was door de Vroedschap in de kiem gesmoord (resolutie 2 september 1614).
Lang bleef de structuur van de stad ongewijzigd. 'Zonder ingrijpende wijzigingen en zonder het systeem van den plattegrond aan te tasten kon de binnenstad aan de eischen van het moderne verkeer worden aangepast' kon Ir. J.G. Wattjes nog in 1944 schrijven in zijn 'Amsterdamse Bouwkunst en Stadsschoon'. Weliswaar hadden de 'eischen van het moderne verkeer' een reeks dempingen bewerkstelligd (o.a. de N.Z. Voorburgwallen, Rozengracht, Rokin, Vijzelgracht) en ontstonden door verbreding nieuwe straten met eigenlijk on-Amsterdamse verhoudingen (Raadhuisstraat!), maar het hanteren van de verkeerseisen als enig juiste richtlijn bij de keuze tussen behoud of sloop moest nog komen.
Als Madame de Villedieu, Regnard, Ferrer, Schopenhauer en al die andere reizigers die hun lof over Amsterdam zongen, in 1977 de stad weer zouden bezoeken en op de plaats waar de oude Leidse Poort stond hun wandeling zouden beginnen, zouden zij veel van wat zij toen zagen ook nu nog terugvinden: De Leidsestraat, als één der dwarsstraten van de grachtengordel bedoeld voor handwerkslieden en neringdoenden, nog steeds een 38 voet breed. De nering zou hen mogelijk als eenzijdig zijn opgevallen: vijfentwintig winkels - samen aanzienlijk meer panden in beslag nemend - gewijd aan luchtvaart en reizen. Ook de Heiligeweg zouden zij nog in de oude maat aantreffen: ca. 27 voet, ongeveer dezelfde maat die de kleinere verbindingsstraten tussen de grachten hadden en hebben.
Wanneer zij echter uit Weesp de stad genaderd zouden zijn en hun moderne wandeling op de plaats van de oude Weesperpoort zouden starten, zouden zij weinig of niets meer van Amsterdam hebben bespeurd. Een strook niemandsland, nog steeds Weesperstraat geheten, zonderling van proporties, met aan één zijde onherkenbare, buitenschaalse gebouwen. Zij passeren de oude synagoges die door hun omgeving zijn gereduceerd tot geïsoleerde, vervreemdende stukken theaterdecor. Via het meest deprimerende van alle Amsterdamse pleinen, het Mr. Visserplein, een met ongekend vernuft geconstrueerde psychologische barrière, zouden zij met moeite weer een andere brede strook asfalt bereiken: de Jodenbreestraat. 'Door de Jodenbuurt gekomen' Schreef Hans Cristian Andersen in zijn dagboek op 15 juni 1847 'breed en ruim aangelegd, net als de andere straten.'
Hij zou de omgeving niet meer herkennen. De buurt is een abstractie geworden.
In de architectuur, zei Palladio, moeten de verhoudingen zo zijn dat alle delen tezamen een 'zoete harmonie' uitdrukken, of - in de woorden van Francesco Giorgi die de muzikale beeldspraak uitwerkte - de verhoudingen tussen stemmen zijn harmonieën voor de oren; die tussen afmetingen zijn harmonieën voor het oog.
Wanneer verhoudingen geweld wordt aangedaan, ontstaat disharmonie en dit is de kwalificatie die het meest duidelijk het onbehagen verwoordt wanneer wij, Amsterdammer of bezoeker aan de stad, door de Weesperstraat lopen.
Langzamerhand begint weer officieel begrip te dagen voor datgene wat altijd al officieus werd bepleit: eerbied voor al die onweegbare factoren, waarvan de maten nog de meest weegbare zijn, die tezamen een harmonisch stadsbeeld vormen. Wanneer dit begrip in de werkelijkheid vorm krijgt, behoeven wij voor een herhaling niet bevreesd te zijn: voor de reiziger die Amsterdam in de komende eeuwen aandoet, zal een wandeling door de Weesperstraat een voorbeeld zijn van de wansmaak van een voorgeslacht, dat echter kort daarna officieel erkende dat het inderdaad wanverhoudingen schiep.

W. Sutherland

(Uit: De Lamp van Diogenes 43, mei 1977)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.