De Nieuwmarktbuurt en het Huis de Pinto

Normen van behoorlijk bestuur ...of de flipperkast van het Wibauthuis..

Onder deze titel publiceerde dr. A.J. Hoekema bij Kluwer te Deventer een 'beschrijving van de invloedsverdeling bij een rooilijnbesluit in een grote gemeente'. De grote gemeente is Amsterdam, de rooilijn betreft de hoek Sint Antoniesbreestraat - Zwanenburgwal van het z.g. blok De Pinto en dr. Hoekema is wetenschappelijk medewerker van de juridische faculteit van de Vrije Universiteit.
Plattegrond van de omstreden hoek Sint Antoniesbreestraat / Zwanenburgwal (thans Sint Antoniesluis), waarop de werken van de stichting De Pinto en verschillende 'hoekpunten' zijn aangegeven.

Het eerste resultaat van zijn onderzoek naar de gang van zaken in het bewuste bouwblok werd in 1975 ter discussie gesteld in de Calvinistische Juristenvereniging. Buiten deze kring is daar, voor zover ik weet, geen aandacht aan besteed. Dr. Hoekema is echter doorgegaan. Hij heeft de affaire haarfijn uitgezocht, hij geeft een helder expose van de loop der gebeurtenissen, analyseert de rol van de 'medespelers' en trekt consequenties uit het gebeurde ten aanzien van de hedendaagse bestuurspraktijk in het algemeen. In 23 bijlagen, bestaande uit notulen en brieven, produceert hij de bewijsstukken van zijn requisitoir, want een andere naam kan men dit stuk niet geven. Hoekema stelt de betrokkenen een voor een in staat van beschuldiging.
Maar wie zijn de rechters? Dat zouden de gemeenteraadsleden van Amsterdam moeten zijn. Over de rol van de toen zittende gemeenteraad concludeert Hoekema echter: "Pover is dit allemaal, bijzonder pover. Amsterdams hoogste beleidsbepalend orgaan heeft zichzelf buitenspel gezet. De raad en de raadscommissies hebben het de wethouder en diens ambtenaren wel bijzonder gemakkelijk gemaakt. De volksvertegenwoordiging heeft zich laten afschepen, heeft genoegen genomen met vage toezeggingen en pure onwaarheden en heeft tenslotte haar eigen besluiten niet eens meer serieus genomen."
En wat was nu eigenlijk het delict? Dat is de onbehoorlijke manier van handelen door verschillende partijen, in de eerste plaats wethouder Lammers en de gemeentelijke diensten bij de erfpachtsuitgifte en de rooilijnvaststelling in het bouwblok. Daarbij staan twee opvattingen tegenover elkaar. De ene houdt in dat men de binnenstad moet openhouden en waar nodig openbreken voor de ontwikkelingen van het moderne verkeer en bedrijfsleven. Dat is de lijn van de wederopbouwplannen-1953 en van de metro. De andere opvatting houdt in dat er in de binnenstad al teveel is doorgebroken; de kleinschalige historische structuur en de bebouwing moeten thans worden gehandhaafd en aangevuld, met verbetering van de woonfunctie. Volgens de eerste visie zijn Weesperstraat, het Jonas Daniel Meijerplein en de Jodenbreestraat verbreed en grotendeels van een bijpassende nieuwe bebouwing voorzien. Bij de Sint Antoniesluis botst het: zou het blok-De Pinto volgens de historische rooilijnen worden hersteld en herbouwd, met een gevelbreedte langs de Zwanenburgwal van 47 à 48 m, dan betekende dit: hier eindigt de doorbraakgedachte, hier is de bres in de binnenstadsstructuur gesloten. Dat wilde Publieke Werken voorkomen. Kon de bewuste gevelbreedte op 36 m worden vastgepend, dan zou een soepeler overgang mogelijk zijn tussen de verbrede Jodenbreestraat en de Sint Antoniesbreestraat, die volgens het raadsbesluit van januari 1972 zijn oude 2-baans-profiel moest terugkrijgen, en dan zouden ook verder 'kleine correcties' in het historische structuurpatroon mogelijk blijven. Zoals men ziet: op zichzelf een volstrekt honorabel verschil van inzicht over wat voor de stad het beste zou zijn.

Het plan om het blok volgens de historische rooilijnen te herbouwen kwam van de Stichting De Pinto, het werd in 1972 ontwikkeld door het architectenbureau Dunnebier, Mol en Ronstadt, in overleg met het Bureau Monumentenzorg, en het kwam overeen met het raadsbesluit van januari 1972. De zaak werd echter vertroebeld doordat de gemeentelijke diensten de bouwgrond in het blok aan twee gegadigden aanboden, eerst aan de Stichting De Pinto en daarna zonder hiervan deze stichting op de hoogte te stellen aan de Algemene Woningbouw Vereniging (AWV). De gemeente heeft beide tegen elkaar uitgespeeld om hierdoor de rooilijn volgens de inzichten van Publieke Werken terug te leggen, welke inzichten in strijd waren met de desbetreffende raadsbesluiten. Hoekema stelt: "Wat te zeggen van het optreden van B & W resp. Lammers? In het eerste deel van de affaire kenmerkt hun optreden zich door dubbelzinnigheid en onduidelijkheid. Als het moment daar is, wordt niet duidelijk gemaakt, of de AWV dan wel De Pinto de voornaamste gegadigde is. Er wordt niet gecoordineerd als de activiteiten van de ene ambtelijke sector (Monumentenzorg) strijdig zijn met die van een andere (Stadsontwikkeling). Eind 1974/begin 1975 probeert Lammers persoonlijk de gang van zaken te beinvloeden. Hij probeert stemming te maken door het schuiven met pionnen, hij probeert gegadigden tegen elkaar uit te spelen door de een te paaien met inperkende maatregelen ten opzichte van de afwezige andere. Achter de rug van de architect om probeert hij de opdrachtgever te bewerken. Dat er in het voorbijgaan nog tendentieuze en aantoonbaar onjuiste mededelingen aan raadsleden worden gedaan, laten wij nog maar terzijde.
In Amsterdam hoort men wel zeggen dat Lammers, ondanks zijn tekortkomingen, toch een bekwaam en doortastend bestuurder is geweest. Ais dit zo is, dan is er in deze affaire niets van te merken."
Over de rol van de Stichting De Pinto oordeelt Hoekema aldus: "Van alle betrokkenen in het drama is De Pinto ongetwijfeld de meest standvastige, de meest consequente en de meest correcte geweest. Niemand is in het onzekere gelaten omtrent doelstellingen en verlangens van De Pinto. Anders dan bij de 'concurrente' AWV heeft De Pinto steeds een normale relatie met haar architecten onderhouden.
In de laatste fase van de historie heeft De Pinto een vreemde stap gedaan. Men nam genoegen met een rooilijn op 39 meter na aanvankelijk een principieel standpunt over de historische rooilijn te hebben ingenomen. Dat de rooilijn uiteindelijk op 44,5 m is komen te liggen, is niet te danken geweest aan De Pinto, maar aan de AWV-architect Bosch."
Als secretaris van de Stichting De Pinto moet ik erkennen dat Hoekema ook op dit punt gelijk heeft. Een verklaring - geen excuus - is, dat De Pinto toen al maandenlang wachtte op de erfpachtsaanbiedingom te beginnen met de herbouw van Zwanenburgwal 8-10-12, waarin de 12 woningen voor bejaarde buurtbewoners waren bestemd. Dat woog voor De Pinto zo zwaar, dat de stichting de gemeente dreigde te dagvaarden wegens het niet nakomen van haar beloften. In een bespreking tussen de raadsman van de stichting en wethouder Lammers op 14 maart 1974 - de gespreksverslagen zijn in de bijlagen van Hoekerna te vinden - werden wederzijdse concessies gedaan: de erfpachtsaanbieding voor het woningbouwplan van De Pinto zou komen, de stichting zou zich daarentegen 'soepel opstellen' ten aanzien van de historische rooilijn. In feite was De Pinto ten aanzien van het bewuste hoekterrein toen al uitgerangeerd. Via die concessie kon de eerste sociale woningbouw voor de Nieuwmarkt starten.
Hier komen wij op het principiële bezwaar van Hoekema, en in feite het criterium, waaraan hij ieders rol in de historie toetst. "Hedendaags bestuur", zo schrijft hij, "verloopt mijns inziens via gebruik van en reactie op aanwezige krachtenverhoudingen die met de zaak zelf weinig of niets te maken hebben ... De standpunten verschuiven dus niet volgens de lijn van een zich ontwikkelend inzicht, dat de belangstel1ende leek voor zich kan naproeven. De standpunten schuiven heen en weer volgens de uitkomst van een verborgen samenspel van krachtlijnen ... De oude betekenis van 'politiek-principiele noodzaak om alle denkbeelden over een omstreden zaak die allen raakt naar voren te laten komen - verdwijnt ... Kenmerkend voor deze situatie is dat principiele, dus omstreden, en min of meer onomstreden, praktische uitvoeringspunten door elkaar lopen ... De waarnemer moet steeds zoeken naar wat zich eigenlijk achter een reeks van stremmingen... verbergt. Achter woorden en procedures moet hij zoeken naar verborgen bedoelingen. De rooilijngeschiedenis laat dit duidelijk zien. De principiele visie van Publieke Werken (openhouden van mogelijkheden voor een brede toegangsweg) komt slechts naar voren onder het mom van een praktisch probleem betreffende een hoekpunt. Deze gelijkschakeling van praktische en principiele zijde van een vraagstuk doet afbreuk aan een der klassieke eisen van de rechtsstaat, nameIijk dat bestuur herkenbaar en inzichtelijk dienstbaar is aan de voltrekking van de visie, die in de politieke meningsvorming naar voren is gekomen."

De rol van de ambtelijke instanties nagaand, stelt Hoekema ten aanzien van de sector Grondbedrijf van Publieke Werken de vraag: "Waarom heeft deze centraal staande ambtelijke sector die over alle informatie beschikte, niet in een vroeg stadium op helderheid aangedrongen ten aanzien van de conflicterende aanspraken? Mede door het spreken met 'dubbele tong' door ambtenaren van het Grondbedrijf ontstonden verwikkelingen die concrete bouwplannen hebben gefrustreerd en vertraagd."
En over Stadsontwikkeling: "Evenals het Grondbedrijf is Stadsontwikkeling (SO) een 'sector' van Publieke Werken. In de loop van de affaire vertoont SO zo mogelijk nog meer gezichten dan het Grondbedrijf. Ten aanzien van de aanspraken van De Pinto en de AWV geldt hetzelfde als voor het Grondbedrijf: de betrokken arnbtenaar had zowel met De Pinto als met de AWV overlegd, hij beschikte over informatie en verzuimde opheldering te verschaffen op momenten, dat hij daartoe de gelegenheid had ... Wonderlijk is een SO-interventie op 15 januari 1975 in de vergadering van de raadscommissie voor de Publieke Werken en de Stadsontwikkeling. Hier was de rooilijn van 39 m aan de orde. SO-ambtenaar Struben komt met een schets voor bebouwing aan de overzijde van het blok ... Meer dan een schets is het niet; de ambtenaar had hierover geen contact gehad met bewonersgroepen, zelfs met zijn eigen directie van PW zou hij het nog moeten bespreken ... Het gaat hier dus om ideeen die nog volslagen in het stadium van 'brainstorming' verkeren. Dat kan op zichzelf nuttig zijn, maar het is een eigenaardige manoeuvre in dit geval, waar het er immers om ging een stagnerend project weer op gang te krijgen. Veeleer lijkt het voorstel de functie gehad te hebben om politieke golfjes tot bedaren te brengen en om de raadsleden ertoe te bewegen, akkoord te gaan met een 39-meter lijn. Die wordt inderdaad aanvaard. Maar negen dagen later - op 24 januari dus - gaat iedereen zonder slag of stoot akkoord met 44,5 m. Alle stedebouwkundige argumenten en voorbehouden lijken opeens niets meer waard te zijn. Wat nog te zeggen van de rol van StadsontwikkeIing? Laten we er maar het zwijgen toe doen."
Dan de Algemene Woningbouw Vereniging. Hoekema besluit de paragraaf over de AWV aldus: "Ten aanzien van architect Bosch heeft de AWV zich laakbaar gedragen. Tot twee keer toe je architect laten vallen ... dat kan een opdrachtgever eenvoudig niet maken ... Het valt verder op dat de AWV zich uiterst 'politiek' heeft gedragen en ook het bijpassende opportunisme vertoont. Vanuit zorgvuldig verborgen visie en verlangen opereert de AWV nu eens zorgvuldig, dan weer grof, en in beide gevallen als realistisch machtspoliticus."
Ook de projectgroep Nieuwmarkt komt aan de beurt. "Als deze ambtelijke groep initiatieven vertoonde, dan gebeurde dat vooral op aandringen van de bewonersraad ... Doordat echter de projectgroep voortdurend door de eigen superieuren buiten spel wordt gezet hebben deze ambtenaren zelf ook reden voor een wrevelige houding jegens Publieke Werken en B & W. We zien hier een duidelijk voorbeeld van een strijd tussen oude en nieuwe bestuurlijke elementen, waarbij vooralsnog het oude element het nieuwe blijkt uit te stoten."
Er zou nog veel meer te citeren zijn uit de studie van dr. Hoekema: over de rol van de directie Publieke Werken, over de rivaliteit tussen Publieke Werken en Volkshuisvesting of over het vreemde feit, dat de Dienst Volkshuisvesting achter de schermen de bouw van de bejaardenwoningen door De Pinto blijkt te hebben tegengewerkt. Wat in het voorgaande werd aangehaald zal voor ieder die zich zorg maakt over de bestuurspraktijken in Amsterdam - en wie doet dat niet? - voldoende zijn om het boek aan te schaffen en te bestuderen. Want het betreft geen uitzondering, maar, zoals Hoekema in zijn inleiding zegt, "een modelgeval voor problemen die steeds naar voren komen bij de totstandkoming van de gebouwde omgeving."

Enkele persoonlijke kanttekeningen wil ik daarbij nog maken. Als secretaris van De Pinto heb ik de brieven geschreven, die van de stichting zijn uitgegaan, en het merendeel van de besprekingen gevoerd. De episodes waarin De Pinto buiten de deur werd gehouden waren mij slechts half of bij geruchte bekend. De vage plekken zijn nu ingevuld; het verhaal van Hoekema klopt van a tot z. Hij heeft het gebeurde als jurist uitgeplozen en hij heeft daarbij twee draden in het weefsel gevolgd: de erfpachtaanspraken en de rooilijnkwestie. Zijn relaas gaat over machtsconcentraties en rivaliserende partijen die voortdurend bezig zijn elkaar beentje te lichten om de eigen positie te versterken. Daarbij komt niet tot uiting, dat er tenminste een partij in het geding was, die het tegenovergestelde beoogde. De Stichting De pinto was opgericht om de impasse in het Nieuwmarktgebied te doorbreken door middel van een combinatie van drie doelstellingen: monumentenherstel, woningen voor de minst-draagkrachtigen en stedebouwkundig herstel. De stichting beoogt bovendien geen eigen macht of bezit; zij zal over circa tien jaar, zodra dit financieel verantwoord is, tot liquidatie overgaan. De stichting heeft daarom van het begin af aan samenwerking gezocht, niet alleen met de verschillende gemeentelijke diensten, maar ook met de AWV.
Een dergelijke werkwijze veronderstelt een basis van goede trouw bij de gesprekspartners, ook als men op tegenstand stuit. Hoekema toont aan dat die basis, na een hoopgevende aanvangsperiode, heeft ontbroken. De heren hebben onwaarheid gesproken, essentiele informatie achtergehouden en hun woord gebroken. Kortom: zij hebben vals gespeeld.
Dat de Stichting De Pinto het desondanks niet opgaf en tenminste de eerste fase van haar project wilde realiseren, heeft wethouder Lammers ten slotte zo geïrriteerd, dat hij eiste dat verder overleg tussen De Pinto en zijn ambtenaren niet meer door mij zou worden gevoerd (bijlagen 11 en 12 van Hoekema). Ik neem direct aan dat het vervelend is op vals spelen te worden betrapt, maar ik vraag mij af, of dit nu de manier is waarop een gemeentebestuur mag omgaan met burgers die een werk in het algemeen belang willen realiseren. Dr. Hoekema heeft nu de deksel van de doofpot gelicht; het woord is aan de nieuw gekozen Gemeenteraad.

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 51/52, oktober 1978.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.