Jukconstructie ontdekt uit 15de eeuw

In het pand Prins Hendrikkade nr. 35 is onlangs een belangrijke bouwhistorische vondst gedaan. Achter de huidige 19de-eeuwse voorgevel zijn restanten gevonden van een houtskeletconstructie uit de 15de eeuw. Deze constructie, waarbij verticale houten stijlen of jukken werden gekoppeld aan de balklagen en de kapconstructie, was gebruikelijk bij de bouw van gotische huizen in Amsterdam.
PH Kade 35

Het zo ontstane geraamte vormde dan het dragende element van een bouwwerk, waarna houten aftimmeringen of gemetselde wanden aan de buitenzijden van de jukken de samengestelde draagwanden vormden.
Wanneer de eerste bebouwing verrees op de huidige Prins Hendrikkade is niet met zekerheid te zeggen. Op de vogelvluchtkaart van Cornelis Anthoniszoon uit 1544 zijn de achtererven van de gronden al bebouwd. Van het bewuste perceel bleef het voorterrein onbebouwd tot in het eerste kwart van de 17de eeuw en deed dienst als houtopslag aan de toenmalige 'houttuinen'. De bebouwing op het achterterrein bestond uit twee bouwlagen plus een kapverdieping. Het oude huis was zes balkvakken diep met een totaal binnenwerkse lengte van 13,45 meter. De breedte bedroeg 5,05 m. en de afstand tot de voorgevelrooilijn aan de kade, d.w.z. de lengte van het voorterrein, ongeveer 25 meter. Onder de balken en boven de jukken bevonden zich sleutelstukken, waarvan er nog enige aanwezig zijn, voorzien van een peerkraalprofiel en gehakte rozetten. Het plafond bestond uit moer- en kinderbalken, waarvan de laatste op de moerbalken zijn gelegd. Over de kinderbalkjes werden vloerdelen gelegd en om de naden daarvan aan de onderzijde aan het oog te onttrekken werden 3 a 4 mm dikke houten schotten of platen tussen de kinderbalken aangebracht: het zogenaamde spreidsel. Het pand heeft waarschijnlijk twee stookplaatsen gehad en de houtconstructie was uitgevoerd in eikehout. De oostelijke gemetselde bouwmuur bevat nog een aantal zeer vroege en lange muurankers. Het geheel vertoont een duidelijke 15de-eeuwse structuur. Het perceel dat binnenkort ingrijpend wordt verbouwd ten behoeve van de uitbreiding van het Victoria-hotel, herbergt daarmee één van de oudste, ons bekende jukconstructies uit het laat-middeleeuwse Amsterdam.
Na de bebouwing van het voorterrein bleef het oudste pand op het achtererf in gedegradeerde vorm gehandhaafd als achterhuis. Het perceel bestond toen uit voorhuis met kelder, binnenplaats en achterhuis. In het voorhuis werd eveneens een houtskelet toegepast, waarvan nog vier jukrestanten met twee zwanehalskorbelen aanwezig zijn in de westwand. Ongeveer gelijktijdig met de bebouwing van het voorterrein werd naast het huis uit de 15de eeuw aan de oostzijde, achter het huidige nr. 36, een ander huis gebouwd. Ook dit huis bevatte een houtskeletconstructie, voorzien van vroeg-17de-eeuwse sleutelstukken en een plafond van moer- en kinderbalken met spreidsel. Het is zeer aannemelijk dat de bebouwing op beide erven omstreeks 1631 in het bezit kwam van één koper.
De beide panden, bouwhistorisch gezien zeer waardevol, maar wettelijk geen beschermde monumenten, worden momenteel uitvoerig gedocumenteerd door medewerkers van het Bureau Monumentenzorg van de gemeente.

Dick van der Horst

NASCHRIFT

Dat de monumentenbescherming ooit volledig en effectief zou zijn, is natuurlijk een illusie. In verhouding tot andere West-europese landen is ons register van beschermde objecten zeer uitvoerig. De monumentenlijsten moesten, na het van kracht worden van de Monumentenwet-1961, in iedere gemeente door rijksambtenaren worden opgesteld met een redengevende omschrijving per object. Voor dat omvangrijke karwei waren weinig mensen en was weinig tijd beschikbaar. Het ligt voor de hand dat men huizen met een minder interessante 19de-eeuwse gevel oversloeg en geen onderzoek instelde naar interieurs. Ook de interieurs van wél op de lijst geplaatste panden zijn vaak niet, of onvolledig beschreven. Van de Amsterdamse woonhuizen zijn interieurs en exterieurs, die aanvankelijk een eenheid vormden, in de loop der jaren vaak een 'eigen leven' gaan leiden. Dat kan het gevolg zijn geweest van bestemmingswijziging, van verandering in de woonstijl of de mode, of ook van gedeeltelijke bouwvalligheid. Soms verbergt een statige gevel een later verknoeid interieur of, omgekeerd, wordt men binnenkomend verrast door gangen en kamers die veel boeiender zijn dan het gezicht van het huis. Afgezien nog van de thans in het middelpunt van de belangstelling staande vraag, of de lijst van beschermde panden moet worden uitgebreid met een groot aantal gebouwen van na 1850, is het duidelijk dat de bestaande lijst geregeld herziening behoeft. In 25 jaar zijn inzichten en waarderingen gewijzigd, zijn waardevolle zaken ontdekt, en zijn helaas ook heel wat wettelijk beschermde panden verdwenen, mét of zonder de vereiste vergunning van de minister, door verwaarlozing en bouwvalligheid. De ontdekkingen worden gedaan bij het uitpeilen of ontmantelen van een gebouw. Achter stucplafonds en behang kunnen de meest verrassende vondsten te voorschijn komen. Wanneer die speurtocht wordt ondernomen in het begin van een restauratie, dan leidt dit vaak tot een verrijking van het restauratieplan - en tot begrotingsoverschrijdingen die soms prohibitief zijn voor de uitvoering. Pijnlijk wordt het echter wanneer de vondsten worden gedaan in een niet-beschermd pand dat naar de mening van de eigenaars moet worden gesloopt ten behoeve van een goedgekeurd bouwplan. Dan verkeren de monumentenzorgers in dezelfde positie als archeologen die in ijltempo een bouwput mogen onderzoeken vóórdat de funderingsplaat wordt gestort die alle historische bouwsporen voorgoed bedekken zal. Snel en zo volledig mogelijk documenteren en alle verplaatsbare onderdelen meenemen is het enige. Er blijven gaten in het netwerk van de monumentenbeschermmg.

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 104/105, sept. 1987)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.