Drie monumenten-pioniers in discussie

De particulier heeft het nu moeilijker dan vroeger

Wie meent, dat de zorg voor onze monumenten al lang in ons volk leeft, doet aan 'wishful thinking - want de pioniers van dit streven zi]n nog springlevend. Het geschiedenisboek van de Monumentenzorg is niet dik: met drie, vier decennia heb je het wel gehad. Ten minste, in de praktijk. Hendrick de Keyser is ouder, da's waar. Heemschut ook - maar je kunt er niet onderuit, dat de eerste voorlopige Monumentenlijst van 1928 dateert en dan nog maar een vrij oppervlakkige inventarisatie was, geen wet. De Monumentenzorg in Amsterdam kreeg dan ook pas na de tweede wereldoorlog z'n echte gestalte, onder andere met de oprichting van het bescheiden gemeentelijke Bureau Monumentenzorg in 1953.
De pioniers zijn dus nog springlevend; een ervan stond aan de wieg van dat gemeentelijke bureau, een tweede begon in die jaren zijn scherpe pen te roeren en een derde was nadrukkelijk aanwezig op bestuurlijk niveau, want Monumentenzorg is - voor hoeveel procent? - nog steeds veel vrijetijdsbesteding... Drie pioniers dus: Henk Zantkuijl, Geurt Brinkgreve en mr. U.W.H. Stheeman - en voor dit honderdste nummer van 'De Lamp' kwamen ze samen om te discussieren over ruim dertig jaar Monumentenzorg, de overeenkomsten én de verschillen met nu.

Voorstellen is nauwelijks relevant. Henk Zantkuijl, die al in 1953 de tekenpen voerde op het gemeentelijk bureau en er nu, in 1986, nog steeds als adviseur aan verbonden is; Geurt Brinkgreve, beeldhouwer en kunstcriticus, de onvermoeibare ijveraar voor en schrijver over alles wat met dit stukje cultuur te maken heeft; mr. U.W.H. Stheeman, gepensioneerd president van de Arrondissements-rechtbank en meer dan figurant in vele, vele besturen. Hun leertijden zijn 61, 68 en 83, op het rijtje af - maar als ze praten in de werkkamer van Stheeman aan de Cornelis Dopperkade, in de mistbank van het sigaartje en Geurts kromme maar geurige pijpje, bij koffie en het kristallen bokaaltje met Medium Dry, dan nemen hun gedachten een jeugdige vlucht.
Nou kennen ze mekaar al zo'n beetje, zou je zeggen, want ze zitten bij voorbeeld samen in het bestuur van de Stichting Monumentenonderhoud en zagen hun namen broederlijk vereend op meer dan één lijstje onder de titel 'Comité van aanbeveling' - maar tóch. Oude knarren, noemen ze zichzelf, en wij - bescheiden terzijde met bloknoot en knebelpen - maken daar maar 'oude garde' van. De Pioniers.

De bulldozer rolde...

Gek genoeg saboteren ze stelselmatig de zachte dwang van de verslaggever om 'naar vroeger' terug te gaan en halen ze met geinig genoegen graag de maatschappij van vandaag overhoop. Zantkuijl is nog het gehoorzaamst. 'Ja, na de oorlog. Er móest iets gedaan worden, want de bulldozer rolde. En het is de verdienste van de overheid geweest, dat ze het behoud van historische zaken als eerste heeft opgepakt, bescheiden en kleinschalig eerst. Maar 't sloeg aan, het vond een draagvlak in de gemeenschap, met een nadruk op de beschermende functie van dit behouden. Een restauratiefilosofie - ach, daar maakte je je in die dagen nog niet zo druk over, 't moest eerst op gang komen. Restauratie, dat beschouwden we als gewoon bouwen, eigenlijk...'. Stheeman valt hem goedig in de rede: 'Bouwen ja, maar dan toch steeds in een goed verband met de omgeving.' 'Dat komt,' zegt Zantkuijl, 'omdat - laten we heel eerlijk zijn - de gaten in onze stad gewoon een economische waardevermindering gaven.' Brinkgreve, na even wat afwachtend met dat pijpje in de weer te zijn geweest: 'Je moet natuurlijk niet vergeten, dat het stadsbeeld in de vijftiger jaren gaver was dan vandaag, en gek genoeg, was er ook meer het streven, dat de opvulling van de gaten in de bebouwing zich bij de omgeving diende aan te passen. Dat is voor mij een wezenlijk verschil met vandaag, nu zo velen zich tegen die omgeving afzetten, agressief afzetten eigenlijk. Uit die vijftiger jaren hebben we dan toch maar mooi een paar waardevolle erfenissen overgehouden: het weghouden van hoogbouw in de oude stad bij voorbeeld, voor een groot deel de verdienste van juffrouw Mulder van Stadsontwikkeling.'
'Dat verschil in inzicnt is duidelijk; het Pinto-huis moesten we voor de poorten van de hel wegslopen, en het Westindisch Huis, dat ging veel gemakkelijker.' (Brinkgreve) 'Die golfbewegingen in de attitudes, dat blijf je zien, maar dat is niet erg, dat kan de stad best hebben. De stad is een goede moeder.' (Zantkuijl weer). Op hun vingers tellen ze ze af, de trends en modes, die door de 'goede moeder' zo goedmoedig zijn geslikt, zonder dat haar eigen karakter ook maar één moment in gevaar kwam: 't nieuwe bouwen sinds Berlage, De Stijl, De Amsterdamse School, en nu weer de aandacht voor de klassisistische detaillering. 'Hoeveel procent van de stad is daar nu eigenlijk door beïnvloed?', stelt Zantkuijl als retorische vraag, en Brinkgreve belijdt zijn geloof in de handhaving van de bouwgeschiedenis ('Is dat belangrijk?', vraagt Stheeman olijk, 'of geven jullie daar niet om?'), maar Brinkgreve raakt niet van 't spoor. 'Gebouwen moeten bruikbaar blijven, ook na restauratie. Als we aan 't Westindisch Huis alle latere toevoegingen en verminkingen van de laatste honderd jaar hadden laten zitten, stond het nu al leeg, een onbruikbaar gebouw.' Zantkuijl pleit dan tóch voor de toevoegingen aan gebouwen, die 'heilig' zouden zijn, maar Brinkgreve noemt het 'meer ongelukken dan toevoegingen'.
Die zit, en we kijken elkaar eens diep in de ogen. Stheemans aandeel gaat zich meer en meer bepalen tot het stellen van spitse, soms wel controversiële vragen, zoals 'Bestemmingen van gebouwen na de restauratie zijn voor de rijksdienst belangrijk, maar hebben jullie daar een standpunt over?' (de rechter verraadt zich niet), maar de discussiegenoten laten hem op het punt van antwoorden beslist niet in de steek. 'Niet altijd is de bestemming bepalend,' zegt Brinkgreve, en 'Ja, een gebouw stelt z'n eigen eisen,' zegt Zantkuijl. Stheeman vraagt door. 'Kan een bestemming zich in de loop van een restauratie dan niet wijzigen?' en dan vallen ze met z'n allen over hem heen. Sommige bestemmingen bestaan niet meer en kunnen niet meer. Grote woonpanden kunnen nooit meer bewoond worden, kerken kunnen nooit weer als kerk heropend worden, arsenalen hebben hun bloedige rol uitgespeeld, verdedigingswerken hebben hun zin volledig verloren. 'Neem het Burgerweeshuis,' zegt Zantkuijl, 'dat moest iets anders worden en de museumbestemming móest een stuk geschiedenis wegpoetsen, onontkoombaar. Hetzelfde geldt voor de Muiderpoort, die nu een belastinginstituut herbergt.' Is restauratie een compromis? Het antwoord is, voor zover het de rokerige werkkamer aan de Cornelis Dopperkade betreft, ja.

Oude en Nieuwe Kerk

Mr. Stheemans bemoeiingen met de restauratie van de Oude Kerk zijn spreekwoordelijk - en het woord 'kerken' is gevallen. De bestemming van de Oude Kerk, waarvan de restauratie in 1955 begon, heeft nooit ter discussie gestaan, in tegenstelling tot die van de Nieuwe Kerk, waarvan de restauratie niet eens zo veel later begon, in het begin van de zestiger jaren. Stheeman blijkt dan ook nog steeds een warm pleitbezorger te zijn voor de functie van 'zijn' Oude. 'Da's nog steeds een lieve kerk,' zucht hij, 'lieflijker dan de Nieuwe...', maar Zantkuijl springt de Nieuwe Kerkers bij. 'Die bestemming is kon voor het beëindigen van de restauratie pas besloten, en zoals de Nieuwe Kerk er nu bijstaat, in het hart van Amsterdam, is het een Monument met een hoofdletter.' Maar het is ook Zantkuijl, die van de 'grote' gebouwen in de discussie af wil en het woonhuis op het tapijt brengt.
'Daar ligt het allemaal veel simpeler. Wonen is wonen, en dat kun je in de meeste gevallen intact laten.' Brinkgreve haakt daar meteen op in en brengt een eresaluut aan de Zandhoek-operatie, een pioniersproject uit de vroege vijftiger jaren. 'De vraag, of je een 17de-eeuws versleten woonhuis weer bewoonbaar kunt maken, is daar voor het eerst beantwoord,' zegt hij. 'De vraag was, zoals rijksdienst-directeur Meischke het eens stelde, of stadsrestauratie ooit wel economisch verantwoord was. De Zandhoek was de 'testcase'. En we moeten nooit vergeten, dat het eigenlijk een particulier was, de aannemer Wouters, die het eerste pand, nummer 5, aanpakte. Daarna volgden pas Hendrick de Keyzer, Stadsherstel en Diogenes.'
Het college dwaalt weer af naar het heden, vooral als Stheeman de knuppel in het hoenderhok gooit met zijn vraag, of je Amsterdam kunt vergelijken met enige andere stad in de wereld. Zantkuijl komt weer met z'n 'draagvlak van de gemeenschap' en Brinkgreve zou Brinkgreve niet zijn, als hij provocerend parkeergarages, verkeer en 'het blik op de grachten' in hun envelopjes zou laten. En dan moet je maar even vergeten, dat de gemiddelde leeftijd van het gezelschap zo'n 70 jaar is, want, Stedebouwers, houd je vast! Hier volgt het actie-programma van de Cornelis Dopperkade.

Actie-programma

Eén: parkeergarages in de oude stad, zeker onder pleinen (Museumplein) en wellicht onder de grachten, al moet je voorzichtig zijn met de in- en uitritten.
Twee: geen zorgen over het verkeer en het parkeren in de binnenstad, want rommel en bedrijvigheid horen bij Amsterdam (opmerkingen: 'Op die oude schilderijen lieten ze de karren, schepen, kranen, kisten en balen weg, want dat was sjieker', en: 'De stad is een huis en de straat is de huiskamer. Daar slingert wel eens wat rond.')
Drie: als je restaureert om te wonen, moet je voor licht en hygiëne zorgen - niet bang zijn.
De discussie spoedt zich naar een einde. Want de heren raken het meer en meer eens over de punten, die ter tafel komen. Hier zijn er een paar:

  • We moeten zorgen, de totaal-schoonheid van de stad niet aan te tasten, maar we moeten ons niet verzetten tegen het bewonen ervan, het leven erin en het werken en rommelen, dat een stadsgemeenschap nu eenmaal met zich meebrengt.
  • Amsterdam is ijzersterk en heeft al vele stormen overleefd, zoals het vertrek van de scheepvaart, het vertrek van de confectie uit de binnenstad. Amsterdam vult dat geruisloos op.
  • Er is weer migratie naar de binnenstad en dat is verheugend.
Met moeite wringt de verslaggever zich tussen wat een lyrische lofzang op Amsterdam dreigt te worden en stelt zijn slotvraag: wat zijn nu de verschillen tussen de vijftiger en de tachtiger jaren? Dit zijn de antwoorden van een illuster drietal.
Zantkuijl: 'Niet zo veel. Er is een verschuiving van het particuliere initiatief naar bij voorbeeld de woningbouwverenigingen en -corporaties. De rol van de overheid is belangrijker geworden en er wordt beter gepland. Het is vandaag meer een kwestie van 'kansen pakken' door de overheid én de particulier dan vroeger.'
Brinkgreve: 'De mogelijkheden voor particulieren zijn minder geworden. De particulier, een van de steunpilaren van monumentenzorg, heeft het moeilijker dan vroeger. Dat is een verlies, want we kunnen niet zonder hem.'
Zantkuijl (na z'n beun): 'We bouwen nu weer gaten vol. Niet meer hele blokken. Dat is gunstig.'
Stheeman: 'Ik kom uit een provincieplaats en heb een heerlijke jeugd gehad.' (Hilariteit). 'Er is veel goeds gedaan in Amsterdam, dat alles heeft overleefd.' Ook deze discussie.

Guido Hasselaar

(Uit: De Lamp van Diogenes 100, okt. 1986)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.