Rechtzinnig restaureren

Collegianten en catechisanten

Toen de remonstrantse predikanten weigerden om zich onvoorwaardelijk te onderwerpen aan de uitspraken van de Dordtse Synode, werden zij weggestuurd uit de vergadering: 'Met leugens zijt gij begonnen, met leugens geëindigd, ... gaat heen'. Kort daarop, in 1621, kwamen in Rijnsburg enkele remonstranten opnieuw bijeen, ondanks de verbodsbepalingen. De 'Rijnsburger Collegianten' hielden vast aan hun ondogmatische uitleg van de Schrift, aan vrijzinnigheid en tolerantie, en werden daarom, evenals de katholieken en de joden, uitgesloten van openbare functies. Wie de ware catechismus niet aanhing, zo oordeelden de machthebbers, mocht al blij zijn als hij op vrije voeten bleef.

Collegianten en catechiseermeesters, preciezen en rekkelijken, het zijn tegenstellingen die men voortdurend ontmoet, op de meest uiteenlopende gebieden in de vaderlandse geschiedenis. Zelfs het antwoord dat de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg formuleerde op 'enige recentelijk gepubliceerde bezwaren tegen het huidige rijksmonumentenbeleid' doet daaraan denken. De zuivere leer die de commissie wil verdedigen is die van het conserverende herstel, en de ketterij die moet worden uitgedelgd is de historische vervalsing ('met leugens zijt gij begonnen...'), waarmee wordt bedoeld 'elke wijziging of toevoeging aan een monument die de zichtbare historische ontwikkeling ervan omkeert of misvormt'.
Het omvormen van een monument met het doel een andere verschijningsvorm dan de bestaande op te roepen, bevat 'een element van bedrog'. Resultaat van dat bedrog is: 'het beschermde gebouw werd vervangen door een gebouw dat een beeld tracht op te roepen van een andere situatie. Het nieuwe gebouw is tot stand gekomen, nadat de overblijfselen uit een periode van zogenaamde culturele armoede - de jongere geschiedenis meestal - eruit verwijderd zijn en nadat de herinneringen aan perioden van zogenaamde culturele bloei erin versterkt of eraan opgedrongen zijn'.

Culturele bloei of armoede

Wat in deze passages het eerst opvalt is het woordje 'zogenaamd', waarmee in feite wordt ontkend dat er in de Cultuurgeschiedenis perioden van bloei en perioden van verarming bestaan. Deze ontkenning komt voort uit wat de commissie noemt: 'een nuchtere, naar objectieve maatstaven strevende toepassing van de Monumentenwet'.
Maar is het wel zo nuchter en objectief om kwaliteitsverschillen te ontkennen in het algemene niveau van de bouwproduktie van de ene en de andere periode? Is een gave gotische kerk met een contemporaine uitmonstering en inventaris werkelijk gelijkwaardig aan een gave neo-gotische? Heeft het gesneden altaarretabel uit de 15de eeuw, nuchter en objectief, dezelfde waarde als de in omvang en verschijning overeenkomstige bondieuserie van honderd jaar geleden? Geen verzamelaar ter wereld zal dat onderschrijven. Indien er geen perioden van culturele bloei en armoede zouden bestaan, hoe kan dan worden verklaard dat de literatuur en de muziek uit sommige eeuwen telkens opnieuw herdrukt c.q. ten gehore wordt gebracht, en uit andere tijden in de archieven wordt opgeborgen?

Het is een feit dat de kwalificaties bloei en verval thans met minder stelligheid worden gehanteerd dan vorige generaties, onder de invloed van een nationalistisch gekleurde geschiedbeschouwing, dat plachten te doen. Men praat niet meer over een Gouden Eeuw, waarin Rembrandt als protagonist optreedt naast Admiraal de Ruyter en Jan Pietersz. Coen, of over een decadente pruikentijd die erop volgde. De eerste driekwart van de 19de eeuw, door de volgende literatorengeneratie verfoeit als suf en steriel, blijkt vooral in de architectuur en in de eenvoudige ambachtelijke produkten kwaliteiten van sombere harmonie te bezitten die ons tegenwoordig sterk aanspreken. Het oordeel is genuanceerder geworden, met meer besef van de eigen tijdgebondenheid en minder absoluut; met andere woorden: eerder collegiant dan catechetisch.
Doch ziedaar, het bloed der rechtzinnigheid kruipt waar het niet gaan kan: de ontwikkeling die zich losmaakte van vroegere, al te stellige waardeoordelen mondt uit in de nieuwe dogmatiek dat er 'nuchter en objectief geen culturele bloei en armoede bestaan, hetgeen in de restauratiepraktijk wil zeggen dat men principieel wijzigingen uit de laatste honderd jaar in een ouder gebouw moet handhaven en dat het een 'element van bedrog' inhoudt, wanneer een opdrachtgever-eigenaar de vroegere, in zijn ogen fraaiere of beter bruikbare verschijningsvorm wil herstellen. Zo kon het gebeuren dat de Vereniging Hendrick de Keyser geen toestemming kreeg om in een 17de-eeuws huis te Workum, waarvan in de vorige eeuw de kelder en de parterre waren veranderd in een stal, de staldeuren te vervangen door een reconstructie van de vroegere pui, waardoor het pand, behalve zijn architectonische gaafheid, ook zijn bruikbaarheid als woonhuis zou terugkrijgen. Dat is ten slotte toch gebeurd, na jaren aandringen en na het aanspannen van een Arob-procedure voor de Raad van State. Zo zijn er vele voorbeelden te noemen in de laatste jaren.

Achter deze ergerniswekkende en tijdrovende conflicten die meestal in compromissen eindigen, komt altijd dezelfde doctrine te voorschijn, waarvan de grondfout is dat tot dogma wordt verheven wat niet meer kan zijn dan een praktijkregel, die van geval tot geval dient te worden afgewogen tegen andere praktijkregels betreffende de bruikbaarheid, de kosten, de vondsten tijdens het werk, en de mate van nauwkeurigheid van de gegevens over de oorspronkelijke vorm. Het dogmatische karakter van de doctrine over het conserverende herstel blijkt vooral uit het moraliserende oordeel over de andersdenkenden ('het element van bedrog'), terwijl het hele verhaal op geen andere theoretische grondslag berust dan op de uiterst subjectieve en aanvechtbare stelling dat culturele bloei en armoede slechts 'zogenaamd' bestaan: professorale predikanten-pedanterie in optima forma!

De praktijk

Het merendeel van de Nederlandse monumenten is niet 'onder architectuur gebouwd', zoals dat in vooroorlogse advertenties heette. Het is werk van ons onbekende meester-timmerlieden en meester-metselaars die hun vak verstonden. Hun opgave was het om hun werkstuk naar de stijl van de tijd zo mooi mogelijk en bruikbaar mogelijk af te leveren, zodat de opdrachtgever waar voor zijn geld zou krijgen. Nu staan opnieuw bouwvakkers op de steigers om dat werk van een paar honderd jaar geleden te herstellen. Zij hebben dezelfde opdracht als toen, maar er is een dimensie bij gekomen: de historische substantie die zo min mogelijk mag worden aangetast. Daar beginnen de moeilijkheden al, want de historische substantie is al aangetast door wat er sindsdien met het bouwwerk gebeurde, anders gezegd: door de tand des tijds. Ware dat niet zo, dan was er geen restauratie nodig. Er zijn zettingen in de fundering, de voegen in het metselwerk liggen open, houtworm, houtrot en in het ergste geval zwam hebben het hout aangetast, natuursteen is gebarsten, bakstenen zijn verkankerd, stucwerk is verteerd, ijzer is vergaan door roest; het is een meevaller, als men, wanneer alle ellende is blootgelegd, nog gave onderdelen tegenkomt.

Er bestaat in elke restauratie een permanente spanning tussen de eis om een gaaf en deugdelijk stuk werk af te leveren en de eis om het historische gegeven te respecteren. Onophoudelijk komt die vraag aan de orde op de bouwvergaderingen: kunnen wij dit onderdeel handhaven of is het zover heen dat vervanging onvermijdelijk wordt? Dan komt de volgende vraag: hoe vervangen wij het? Sommige materialen zijn niet meer te krijgen. Inlands eiken in lange en zware maten bestaat niet meer. Oude baksteen werd in veldovens gebakken; vandaar de variëteit in kleur en graad van hardheid. Nieuwe baksteen is constructief beter van kwaliteit, maar ziet er heel anders uit. Loden goten zijn beter dan zink of kunststof, maar wie kan het betalen? Stucplafonds zijn vaak bevestigd aan rietmatten, een zeer brandgevaarlijke constructie; handhaven of vervangen ?
Dat zijn enkele van de praktijkvragen bij een restauratiewerk. Op die vragen moet terstond worden geantwoord, want het werk kan niet stilstaan. Maar op elk antwoord volgt een ingreep in de bestaande toestand, want wat bestaat is de toestand van verval en bouwvalligheid. Elk vernieuwd onderdeel keert de zichtbare historische ontwikkeling een eindje om, en bevat, volgens de doctrine van de Rijkscommissie, een 'element van bedrog'. Wil men dat niet, ter wille van de zuivere leer, dan kan worden volstaan met een goede documentatie in beschrijving, tekeningen en foto's en dan is het verder wachten op de sloper en de puinschuit: om Francois I te citeren: 'Tout est perdu, sauf l'honneur!' Dat is natuurlijk een zeer verantwoorde historische tekst, maar de Monumentenwet bedoelde toch eigenlijk iets anders.
Ook de Rijkscommissie ontwijkt deze consequentie uit haar eigen woorden. Wat is dan de toepassing in de praktijk van de ware catechismus? Wel, dat de bouwgeschiedenis wordt gereconstrueerd. Heeft - om een voorbeeld te noemen - een gebouw door verzakking ramen gekregen met hoeken van 80 en 100 graden en moeten die ramen om veiligheidsredenen worden vernieuwd, dan worden zij opnieuw met scheve hoeken gemaakt. Dat kost veel meer, en het is een mal gezicht, maar voor het gevoel van de rechtgelovigen is de schijn van het historisch gegroeide gered. De oorzaak van de scheve ramen, namelijk de verzakking, is opgeheven, want een nieuwe fundering met betonpalen wordt in dergelijke gevallen door Bouwtoezicht voorgeschreven. Het is dus pure schijn, geen schone schijn maar scheve en lelijke, in de termen van de commissie: bedrog. Het komt vaker voor dat de schijn van rechtzinnigheid tot schijnheiligheid voert. Er zijn geen hypocrietere restauraties dan die met de nagemaakte verminkingen...

Het gezagsargument

Een groot deel van de paragraaf 'Uitgangspunten bij de beoordeling van restauratieplannen' wordt ingenomen door verwijzingen naar gelijkgerichte vroegere beginselverklaringen: van de Italiaanse monumentendiensten uit 1972, het Charter van Venetië uit 1964, en de 'Grondbeginselen' van de Nederlandse Oudheidkundige Bond van 1917. 'In deze traditie', zo zegt de commissie, 'stond ook J. Kalf, destijds directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg, toen hij in 1948 de restauratiebeginselen van de Royal Institute of British Architects (1865, herzien in 1888 en 1926) vertaalde'.
Dit lezend, wrijft men even zijn ogen uit. Begon het verhaal niet met de constatering dat de richtlijn van conserverend herstel 'niet zelden botst met naar reconstructie, vrije individuele creatie, toepassing van een toevallige architectuurtheorie en -interpretatie ... uitgaande verlangens van opdrachtgever en/of particuliere architect en aannemer'?
En was Jan Kalf niet de monumentenzorg-directeur die de vrije individuele creatie en de toepassing van de in de jaren 1920-1940 gangbare architectuurtheorieën en -interpretaties afdwong in de restauratieplannen? Wie het niet geloven wil leze de hoofdstukken over de periode-Kalf in Tillema's 'Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland'.
De steun die de commissie zoekt bij het gezag van vroegere declaraties, charters of richtlijnen suggereert een continuïteit in de restauratieopvattingen die hoogstens ten dele in plechtige algemeenheden-op-papier heeft bestaan, maar zeker niet in de praktijk van het restauratiewerk. De stijl van restaureren verschilt niet alleen per architect, per object en per land, maar ook per generatie en per ambtenarenploeg. Deze omstandigheid wordt door de commissie buiten beschouwing gelaten waar zij stelt: 'De marges van de staatsbemoeienis en de particuliere vrijheid fluctueren onduidelijk, maar bij de huidige kritiek is in ieder geval niet in discussie de wettelijk vastgestelde verantwoordelijkheid van de staat inzake het bewaren en naar stof en geest, materie en symbool, zo ongeschonden mogelijk overleveren aan het cultureel erfgoed.'
Na zo'n indrukwekkende volzin is het bijna ongepast om nog vragen te stellen, maar waar staat dat in de wet? En wie anders dan toevallig in functie zijnde ambtenaren beoordeelt — volgens hun persoonlijke, subjectieve inzichten — of door bepaalde werkzaamheden een monument al dan niet naar stof, geest, materie of symbool geschonden wordt? Ten slotte: dragen de eigenaren, zo men wil rentmeesters, van die gebouwen niet óók enige verantwoordelijkheid voor stof, geest enzovoorts of worden zij buiten de deur gehouden, zijnde niet tot oordeel bevoegd, maar wel tot betaling verplicht en tot vervalsing geneigd?
Op de keper beschouwd blijft er van het gezagsargument even weinig over als van het theoretische: een consistente, blijvend houvast gevende interpretatie van de algemene formuleringen van het conserverend herstel bestaat niet, de pretentie ter zake berust op niets anders dan op de inderdaad zeer reële neiging van elk overheidsorgaan om de eigen invloedssfeer zover mogelijk uit te strekken.

Het bouwambacht en het industrieprodukt

Hoe gevaarlijk deze tendens is blijkt uit de passage over de in oude ambachtelijke technieken en materialen gespecialiseerde bedrijven en restauratieateliers. 'Het over- en herleven van ambachtelijke tradities en vakbekwaamheid is tegelijk een gevaar en een remedie, zij kunnen in geen geval een echte uitdrukking zijn van het verleden of van het heden van de industriële samenleving'.
Laten wij, om het beter te begrijpen, even overstappen van het zichtbare naar het hoorbare culturele erfgoed. Dan zien wij tegenwoordig instrumentenbouwers die naar historische voorbeelden muziekinstrumenten reconstrueren, musicologen die zoeken naar de oorspronkelijke versies van composities, en uitvoerende musici die het een en ander in praktijk brengen om muziek van eeuwen geleden net zo te laten klinken als toen. Is dat een echte uitdrukking van het verleden? Natuurlijk niet, want het gebeurt nu en het trekt een dankbaar 20ste-eeuws publiek. Is het een uitdrukking van het heden van de industriële samenleving? Wel van het heden, maar niet van de industriële samenleving; in fabriekshallen en kantoren klinkt Hilversum 3, maar geen Mozart. Een kenmerk van het industriële tijdvak (is het niet eerder het post-industriële?) is, dat het allerlei compenserende behoeften doet ontstaan aan belevingen die juist niet bepaald zijn door de huidige sociaal-economische omstandigheden: bezoek aan natuurgebieden en aan historische steden en musea, het kopen van meubels en snuisterijen uit grootmoeders tijd, ja eigenlijk ook de hele monumentenzorg. Zou de Rijkscommissie het criterium dat activiteiten op dit gebied of een bepaalde fase van het verleden of de industriële samenleving zuiver tot uitdrukking moeten brengen, consequent hanteren, dan zou zij moeten beginnen met zichzelf op te heffen, en dat zou natuurlijk jammer zijn.
Het is niet zo dat de Rijkscommissie geen waardering zou hebben voor het in stand houden van ambachtelijke tradities. Minzaam wordt geconstateerd dat deze een steun, zelfs een 'onmisbare' steun zijn voor 'de kennis en de appreciatie van de materiële hoedanigheden van oude monumenten', en verder 'een zinvolle bijdrage aan de werkgelegenheid' vormen. Dat vakmanschap mag men 'om de daartoe nodige menselijke inzet wel een roeping noemen'. Daarmee kan de ambachtsman het doen: hij is een interessant studieobject, hij is in tijden van werkloosheid zinvol bezig en hij heeft een roeping. Vooral dat laatste is een troost, want roepingen zijn nu eenmaal gratis. Maar, en daar galmt het weer van de katheder: 'Dat is iets anders dan partijdig steun geven aan afkeer jegens de moderne bouwindustrie en de technische cultuur van onze hedendaagse samenleving, iets anders dan het 'edele handwerk' bevorderen als humaan alternatief voor de moderne architectuur. Nu ook de industriële monumenten en de eerste prestaties van het nieuwe bouwen dat in die technische cultuur is geworteld, binnen het aandachtsgebied van de monumentenzorg komen te liggen, moet het ontstaan van een tegenspraak tussen zorg voor het ambachtelijke en zorg voor het industrieel vervaardigde worden vermeden. Trouwens, in feite is restaureren zonder de nieuwe technische middelen een onmogelijkheid'.

De lezer die wel eens met restauraties te maken heeft gehad, voelt de vraag opkomen: over wat voor ambachtelijkheid, over wat voor restauraties en wat voor nieuwste technische middelen hebben de heren het eigenlijk?
Om met het slot te beginnen: een woonhuis restaureren zonder die nieuwste technische middelen is heel goed mogelijk, maar geen verstandige timmerman zal een balk afkorten met een handzaag, als er ook een cirkelzaag op het werk staat, om maar een voorbeeld te noemen. Men gebruikt plaatmaterialen voor isolatie en beton voor de versterking van muurwerk. Het kan ook zonder. Maar waarom zou men materialen en gereedschappen die technische verbeteringen inhouden, niet gebruiken? Sanitair, verwarming en verlichting worden toch ook in elk gerestaureerd huis aangebracht. Wanneer de commissie dergelijke produkten van de moderne bouwindustrie bedoelt, die inderdaad deel uitmaken van de huidige technische cultuur, dan is de hele tirade zinloos. Geen mens die daar bezwaar tegen maakt of 'partijdig steun geeft aan afkeer'. (Hoe kan iemand overigens onpartijdig zijn, als hij ergens een afkeer van heeft?).
En die tegenspraak tussen zorg voor het ambachtelijke en zorg voor het industrieel vervaardigde? Ook dat is nonsens, er bestaat noch ontstaat een tegenspraak. Men kan in onze tijd zowel bewondering hebben voor de verbazingwekkende techniek en organisatie, waarmee een Amerikaanse wolkenkrabber uit de grond wordt gestampt, als voor de minutieuze zorg van een ambachtskunstenaar die een oud stuk snijwerk restaureert. Het is geen kwestie van het een of het ander, maar van het een én het ander. De tweede helft van de 20ste eeuw kenmerkt zich nu juist door de gelijktijdigheid van vele, onderling sterk uiteenlopende cultuurstromingen, waarvan de monumentenzorg met al haar nevenverschijnselen er één is. Er bestaat wel degelijk een verschil, soms zelfs een contrast tussen het industrieel — dat wil zeggen in serie — en het ambachtelijke — dat wil zeggen individueel — vervaardigde voorwerp.
Het industriële produkt is gedurende een bepaalde tijd voor veel mensen bereikbaar; zodra de ene serie door een andere wordt vervangen, is de herhaalbaarheid voorbij. Zie de verzamelaars van oude auto's; wanneer daarvan een onderdeel ontbreekt, moet het met de hand — door een kundig ambachtsman — worden bijgemaakt, en dat is een dure liefhebberij. Het 'edele handwerk' kan moeilijk als alternatief voor de moderne architectuur worden aangeprezen, maar het is wel onmisbaar, ook om 'monumentwaardige' prestaties van het nieuwe bouwen in stand te houden.
Wat in het verhaal van de commissie ontbreekt, is de precisering van het soort ambachtelijke vaardigheid dat zij bedoelt. Timmerlieden, metselaars, stucadoors, loodgieters en schilders blijven nodig, niet alleen voor groot- en klein-onderhoud, maar ook in de moderne architectuur, en hoe beter zij hun vak verstaan, des te beter. Daarnaast bestaat nog een ander soort ambacht; het gespecialiseerde kunstambacht van de met zoveel achterdocht door de commissie genoemde restauratieateliers.

De ambachtskunstenaar

De ambachtskunstenaar die anno 1980 de decoratieve onderdelen van een monument herstelt en waar nodig aanvult, werkt in hoofdzaak met dezelfde materialen en hetzelfde gereedschap als een paar honderd jaar geleden. Hij voelt zich opvolger, om niet te zeggen: collega van de maker en van degenen die sindsdien het werkstuk vakbekwaam onderhielden. Hij ziet, welke beschadigingen ontstonden door verwering en welke door slordige ingrepen, hij vervangt waar nodig onderdelen en conserveert zodoende een geheel. Het is niet zijn bedoeling dat dit geheel er dan 'als nieuw' uitziet, maar wel dat bij volgende restauraties - het proces van verwering staat nooit stil - zijn bijdrage aan het voortbestaan niet als knoeiwerk zal worden gediskwalificeerd.
De ambachtskunstenaar vertegenwoordigt een manier van omgaan met het monument die gericht is op de continuïteit, niet op het chronologisch herkenbaar maken van het detail. Hij moet bovendien beschikken over een behoorlijke kennis van historische ornamentstijlen. Die kennis is allang geen alchemistengeheim meer, zij is voor iedereen toegankelijk die ogen in zijn hoofd heeft, in musea en in een onafzienbare stroom kunsthistorische plaatwerken.

Wat nader bekeken richt de commissie zich met een nogal bombastische redenering die alleen betrekking zou kunnen hebben op het normale bouwbedrijf, maar in dat verband zinloos is, eigenlijk tegen het gespecialiseerde kunstambacht; de beeldhouwers in steen, hout en stuc, de mensen die nog een stuk smeedwerk of een ander decoratief onderdeel kunnen maken dat kwalitatief niet voor het oude werk onderdoet en dat veel mensen van deze tijd meer aanspreekt dan allerlei hedendaagse gedateerde vormen in onze gebouwde omgeving.
En waarom zou dat nu niet meer mogen? De catechiseermeesters tonen zich geraakt. Daar zijn mensen bezig die zich niet aan het spoorboekje houden. Dat zegt: 1750 = rococo-krul, 1980 = technische cultuur en moderne bouwindustrie. Wie in 1980 een rococo-krul maakt doet iets onbehoorlijks. Hij hoort niet in de monumentenzorg thuis. Daar kan men volstaan met een afgietsel in kunststof van die krul, dat is herkenbaar als bouwspoor van de technische cultuur, zoals het hoort volgens het spoorboekje.
Wanneer met de maatschappelijke positie van de ambachtskunstenaars in aanmerking neemt, dan krijgt de passage over hun 'bijdrage tot de werkgelegenheid' en hun 'roeping' wel een zeer wrange bijsmaak. De ambachtskunstenaars zijn kleine zelfstandigen; zij kunnen het hoofd financieel nauwelijks boven water houden. Hun belangrijkste arbeidsterrein is de restauratie. Daar leveren zij een onvervangbare bijdrage aan de instandhouding van een Europees cultuurbezit. Wanneer de draad van kunde en kennis die in de werkplaatsen wordt doorgesponnen, afknapt, omdat zij het niet meer kunnen bolwerken, dan gaat er iets verloren dat niet meer terugkomt. Het is te vergelijken met het uitsterven van dieren- en plantensoorten.
Voor de catechiseermeesters gelden dergelijke overwegingen niet. Zij zijn uitverkoren en bevestigd als de behoeders van de ware tekstverklaring. Wie zich met de monumenten wil bezighouden dient zich te gedragen als volgzaam catechisant. De collegianten worden de deur uitgezet: 'Met leugens zijt gij geëindigd, gaat heen!'

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 67, mei 1981)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.