Meer dan 10.000 handtekeningen voor Jacob Hooij

De Amsterdammers willen dat de drogisterij Jacob Hooij op de Kloveniersburgwal behouden blijft. Meer dan 10.000 mensen hebben de petitie voor het behoud van de historische winkel inmiddels getekend. De winkel wordt bedreigd omdat de eigenaar van het pand de huur heeft opgezegd.
Petitie Jacob Hooij weg, dacht het niet

Op 26 februari werden we opgeschrikt door een artikel in Het Parool (NMB wil eeuwenoude drogisterij weg hebben). Volgens het artikel wil de eigenaar de drogisterij weg hebben om een grotere winkel te vestigen in de panden Kloveniersburgwal 10 en 12, allebei beschermde rijksmonumenten. De buurt vreest de volgende ijs- of wafelwinkel en dus een verdere verschraling van het winkelaanbod in de buurt.

Geen vergunning voor sloop

De VVAB heeft van de gemeente de schriftelijke bevestiging gekregen dat het winkelinterieur als een onderdeel wordt beschouwd van het beschermde rijksmonument op nummer 12. Er zal geen vergunning worden verleend voor sloop en verwijdering van de historische winkel, overigens ook niet voor sloop van de 19de-eeuwse uitbreiding achter het winkelpand. Bovendien laat de verleende omgevingsvergunning voor funderingsherstel de vloer en de winkel ongemoeid. Het is niet nodig en ook niet toegestaan voor het funderingsherstel de vloer van de winkel boven de kelder te verwijderen. Ambtenaren zullen dat handhaven. Oplettendheid blijft echter geboden.

Nog niet getekend? Teken dan de petitie.

De historische winkel van drogisterij Jacob Hooij, Kloveniersburgwal 12

Kloosterpanden uit ca. 1500

Op de kaart van Berckenrode uit 1625 zijn de huurhuizen te zien.

De winkel van Jacob Hooij is sinds de 18de eeuw gevestigd in een pand dat oorspronkelijk onderdeel uitmaakte van een vleugel van het Bethaniënklooster. Uit de stadsplattegrond van Cornelis Anthonisz weten we dat de vleugel al vóór 1538 werd verbouwd tot drie winkelpanden, de huidige nummers 10, 12 en 14. Deze huurpanden waren ondiep en hadden een blinde achtergevel en bestonden uit slechts één verdieping in een over de drie panden doorlopende dwarskap. Uit deze vroege bouwperiode dateren de restanten van een gotisch houtskelet, zoals de balken met sleutelstukken met peerkraalmotief en rozetje. Uit dendrochronologisch onderzoek is gebleken dat de kap bestaat uit jukken gemaakt uit een boom geveld in 1498, waardoor we het oorspronkelijke kloosterpand kunnen dateren op ca. 1500. De jukken bevatten telmerken, aan de hand waarvan de kap als een bouwpakket in elkaar is gezet. De kap werd echter eind 18de eeuw ingekort toen de gevel met een verdieping werd verhoogd, waarbij de huidige gevel met winkelingang tot stand kwam. In 1882 vond een grote uitbreiding aan de achterzijde plaats, waarbij het huidige achterhuis tot stand kwam. De historische winkel dateert vermoedelijk uit 1799, alhoewel sommige onderdelen 19de-eeuws zijn. De winkelinventaris bestaande uit toonbanken, ladekasten, tonnetjes, weeg- en ophangattributen etc. is grotendeels origineel. Boven de toonbank hangt een smeedijzeren slang.

Jacob Hooij en Jan Christoffel Oldenboom

Het uit 1927 daterende uithangbord.

Jacobus Hooij (1722-1788) werd gedoopt in 't Vredesduifje in de Kerkstraat, maar binnen een kwart eeuw verloor Jacobus zijn katholieke geloof en noemde zich voortaan Jacob Hooij. In 1747 ging hij in ondertrouw met Dina Roosevoort (1721-1762) die op het Roeterseiland woonde. Hij woonde toen nog bij zijn ouders in de Lange Leidsedwarsstraat. Zij trouwden in de Nieuwe Kerk. Het jaartal '1743' op het uithangbord is foutief overgenomen uit een proefschrift over de geneeskruidcultuur in Nederland. In 1747 liet Jacob zich inschrijven als poorter waardoor wij weten dat hij toen winkelier was, wat wij moeten interpreteren als drogist-kruidenwinkelier. Hij woonde toen in de Barndesteeg, vlakbij de enige kruidenmarkt in Amsterdam: de Kloveniersburgwal tussen de Barndesteeg en de Koestraat. Reeds in 1762 stierf Dina, maar Jacob hertrouwde binnen drie maanden met Aagje Polderman (1719-1783). Uit diverse bronnen is af te leiden dat Jacob opklom van onbeduidend winkeliertje naar de eigenaar van een bloeiende zaak. In 1776 kocht hij een huis aan de zuidzijde van de Barndesteeg, waar hij vermoedelijk al als huurder woonde. In 1778 kocht hij op de Kloveniersburgwal het 'derde huijs van de Koestraat', het huidige nummer 12, waar hij de nog steeds bestaande winkel vestigde (het is dus niet bekend waar zijn winkel daarvoor gevestigd was). Het huis had een waterlozing in de burgwal en in de Hoogkamersgang die achter het pand naar de OZ Achterburgwal leidt. De koopacte bepaalde tevens 'het regt van uitgang door gemelde Hoogcamersgang alsmede om door deselve op te doen turf, hout en andere dingen'. Jacobs zoon Hendrik, geboren in 1752, werkte als inkoper in het bedrijf van zijn vader, waardoor hij Aaltje Duijndam uit Noordwijk, dochter van een kruidenkweker, leerde kennen waarmee hij in 1779 trouwde. Het ging Jacob zo goed dat hij vier panden als belegging kocht. De verworven rijkdom blijkt ook uit het feit dat Aagje in 1783 niet zoals Dina in een naamloos graf op het Anthonieskerkhof werd begraven maar in een eigen graf in de Oude Kerk, waar ook Jacob in 1788 werd begraven. Uit de boedelinventaris weten we echter dat Jacob, ondanks zijn rijkdom, zijn huis niet overdadig had ingericht. Voor de bedstee hing bijvoorbeeld 'een groen saay behangsel'. Maar er bleek wel 19.557 gulden aan contanten in het huis bewaard te worden, niet eens in een brandkast, want daarvan wordt in de boedelinventaris niet gesproken.
Toen de zaak werd overgenomen door Hendrik bezat het bedrijf vier pakhuizen waar kruiden werden opgeslagen, waaronder één achter de winkel en één aan de Hoogkamersgang. De zaken gingen echter niet goed, waardoor Hendrik in 1798 zijn bedrijf moest verkopen. Het winkelpand aan de Kloveniersburgwal, door Jacob voor 17.000 gulden gekocht werd nu voor 10.000 gulden verkocht. Koper was de Zwollenaar Lucas Lans die ook het bedrijf kocht, dat daarna door zijn vrouw Cornelia Lans-Voet zou worden geleid. Het bedrijf bleef Jacob Hooij heten: de naam van de zaak was immers een begrip binnen en buiten Amsterdam. De Lansen namen Hendrik en zijn 19-jarige zoon Jacob in dienst. Nadat in 1817 Cornelia stierf, werd Johannes Fenema de bedrijfsleider. Lans zelf trok zich terug op zijn buitenplaats in Nigtevegt. Uit het contract van compagnieschap weten we dat het bedrijf toen een boekhouder had en drie bedienden. Fenema zette het bedrijf voort en dreef het ruim twee decennia.
In 1842 verkocht hij de zaak aan Hendrik Jansen. Jansen deed het slecht, want al in 1846 verkocht hij de zaak aan Jan Christoffel Oldenboom, koopman en winkelier in drogerijen en verfwaren, die van de Boommarkt op de NZ Voorburgwal naar de Kloveniersburgwal verhuisde. Sindsdien is het bedrijf in handen gebleven van de familie Oldenboom, waarvan thans de zesde generatie het bedrijf leidt.


(WS, 21/3/2017)


Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.