Twee gedenktekens

De kapel ter Heiligen Stede

Op het Rokin staat, ietwat onwennig in de nabijheid van het kermisachtige straatmeubilair, een imposante natuurstenen kolom, in de juiste vorm en maat samengesteld uit fragmenten van een kerk die daar vlakbij heeft gestaan tussen het Rokin, de Kalverstraat, de Wijde en de Enge Kapelsteeg.

Die kolom vertelt een lang Amsterdams verhaal. Het eerste hoofdstuk beslaat de periode 1345 tot 1578. Dat begint met de wonderlijke gebeurtenis van een zieke man en een gewijde hostie, uit oude kronieken bekend als het Sacramentsmirakel van Amsterdam. Op de plek van die gebeurtenis verrees al spoedig een kerk die in 1421 afbrandde en kort daarna groter en prachtiger werd herbouwd. De Kapel ter Heiligen Stede was toen het religieuze hart van Amsterdam. Jaarlijks werd het mirakel herdacht in een imposante Sacramentsprocessie door de stad. Die traditie wordt nog steeds – maar zonder uiterlijk vertoon – in ere gehouden door het Genootschap van de Stille Omgang. Amsterdam werd, behalve een stad van handel en scheepvaart, een beroemd bedevaartsoord. De weg die de pelgrims moesten afleggen begon in Sloten, stak de Schinkel over ter plaatse van de Overtoomse sluis, en liep verder langs de Overtoom naar de stad. Alleen de straatnaam Heiligeweg bewaart daarvan de herinnering. Onder de bedevaartgangers hebben zich de Habsburgse landsheren Maximiliaan en Karel V bevonden: zij schonken de Kapel gebrandschilderde ramen.

De Hervormde Nieuwezijds Kapel

Dat onder de Hervormden weinig sympathie bestond voor dit brandpunt van katholieke geloofspraktijk, laat zich raden. De Alteratie van 1578 maakte er radicaal een eind aan. Het gebouw werd paardenstal, daarna turfpakhuis. Van die laat-gotische inventaris van altaren, beelden, schilderijen en edelsmeedwerk bleef alleen het orgel over, en dat instrument kwam, zoals d'Ailly en Wijnman vermelden in de Historische Gids, tenslotte terecht in de St. Nicolaaskerk in Utrecht. In 1590 werd de voormalige Kapel ter heiligen Stede, nu Nieuwezijds Kapel geheten, opnieuw in gebruik genomen als kerk. De eind 18de-eeuwse Fouquetprent van het interieur laat zien dat het, in zijn hervormde uitmonstering van eiken banken en koperen kaarsenkronen, nog steeds een indrukwekkende ruimte was, onder drie even hoge houten gewelven boven twee rijen slanke bundelkolommen. Als monument van middeleeuwse architectuur deed de Nieuwezijds Kapel niet onder voor de Oude en de Nieuwe Kerk.

Ondergang

In 1898 begon het derde hoofdstuk, dat duurde tot 1908. De Nederduitsch Hervormde Gemeente had de kerk niet meer nodig en er waren sporen van verzakking. Het was de tijd van de katholieke emancipatie. Vermogende r.k. families hadden er veel voor over om monumentale neogotische kerken te laten bouwen: Vondelkerk, Posthoorn, Krijtberg, St. Willibrordus buiten de Veste, Maria Magdalena en zo meer. Het lag voor de hand dat in die kring de wens leefde om de Nieuwezijds Kapel haar bestemming van vóór 1578 terug te geven, maar die wens kwam in de openbare discussie over het lot van het historische gebouw niet aan de orde. De keuze ging tussen restaureren, alleen constructief herstellen of – slopen. In 1908 nog – het was toen al vijf minuten vóór twaalf – publiceerde de architect A.W. Weissman (1858-1923) een gedegen brochure 'De Nieuwe Zijds Kapel'. Weissman was een gezaghebbende man, ontwerper van het Stedelijke Museum, later medeoprichter van de Bond Heemschut, bekend als pleitbezorger voor het behoud van historische gebouwen. 'Restaureren' droeg echter in zijn oog duidelijk nog het stempel van de machtige oud- referendaris Jhr.mr. Victor de Stuers, en diens bouwkundige raadsman Dr. P.J.H. Cuypers, en dat betekende terugbrengen in een – waar nodig nieuw ontworpen – stijlzuivere eerste staat, na verwijdering van latere toevoegingen. Tot 1898 waren, zo schreef Weissman, "nog vele meubelen, uit de eerste helft der 17de eeuw afkomstig, in de kerk te zien, zoals een predikstoel, een doophek, banken met en zonder overhuivingen en een fraai tochtportaal." Hij concludeerde "Een gerestaureerde Nieuwe Zijds Kapel zou als proeve van 20ste-eeuwse bouwkunst geen waarde hebben en evenmin als gedenkteken uit de middeneeuwen kunnen worden beschouwd." Bouwkundig herstel was volgens Weissman daarentegen heel goed mogelijk. De fundering kon worden versterkt, dat was – lang vóór de uitvinding van de beton- segmentpalen van de Waal – al gebeurd in de St. Janskerk in Gouda en in de Westerkerk in Zaandam waarvan de sloping nota bene al was aanbesteed. "Indien deze werkzaamheden werden verricht, wanneer verder daken, goten, vensters en muren, sinds tien jaar verwaarloosd, weder in behoorlijke staat werden gebracht, dan zou de Nieuwe Zijds Kapel nog de eeuwen kunnen trotseren."
Het mocht niet baten. Een wettelijke monumentenbescherming bestond nog niet. Het bouwterrein was kostbaar. Het gemeentebestuur wilde het gebouw behouden en spande een procedure aan tegen de Hervormde Gemeente, over de eigendom, maar verloor het geding. De kerkgebouwen die eeuwenlang stedelijk eigendom waren geweest, en daarom ook op stadskosten werden onderhouden, waren immers in de Franse tijd in eigendom overgegaan naar de kerkgenootschappen, uitgezonderd de torens. Of in de vergadering van de kerkenraad, waar tot sloping werd besloten, het sentiment 'liever puin dan paaps' heeft meegespeeld is niet onwaarschijnlijk. Die leuze heeft nog geklonken toen omstreeks 1950 de Geertekerk te Utrecht in een soortelijke situatie verkeerde, en op het nippertje werd gered doordat de Remonstranten als kopers optraden. Openbare veiling zou de NZ kapel waarschijnlijk weer in katholieke handen hebben gebracht.
Hoe dat ook zij, het gebouw was verloren. Enkele inventarisstukken, waaronder het door Weissman genoemde fraaie tochtportaal, kwamen in de Oude Kerk terecht. De enige voorwaarde die het gemeentebestuur aan de sloopvergunning kon verbinden was dat de gebeeldhouwde natuursteen onderdelen, ter beschikking van de gemeente zouden worden gesteld, om later ergens te worden herplaatst. Die onderdelen, de geprofileerde segmenten van de kolommen en hun rijk gedetailleerde kapitelen, zijn gehakt uit broze Duitse zandsteen. Slopers zijn niet altijd voorzichtig. Nogal gehavend kwamen de brokken terecht in de stadskwekerij Frankendaal, later werden deze met nieuwe schade overgebracht naar het erf van de voormalige synagoge Uilenburg. In de gemeenteraad is herhaaldelijk, ietwat geïrriteerd, gevraagd naar die beloofde nieuwe bestemming.

Restauratieatelier Uilenburg

In 1968 legde de jonge beeldhouwer Hans 't Mannetje, die na zijn studietijd op de Rijksacademie als uitvoerder had gewerkt in het atelier van de toenmalige stadsbeeldhouwer Hildo Krop, aan ir. HeinWeller, hoofd van het Bureau Monumentenzorg, het plan voor om in het synagogegebouw een restauratieatelier in te richten. Bij de instelling van het BMZ in 1953 was het gebouw, dat na de vernielingen door de bezetter summier was hersteld, in gebruik genomen voor opslag van originele onderdelen van gesloopte monumenten: deuren, kozijnen, stucwerk en dergelijke. Buiten op het erf lagen stukken en brokken van klauwstukken, gevelbekroningen en gevelstenen. Ter linkerzijde van het gebouw was, half door brandnetels overgroeid, het restant van de Nieuwezijds Kapel te vinden. Om die fragmenten voor hergebruik geschikt te maken, is behalve ambachtelijke vaardigheid, stijlkennis en vormgevend talent nodig. Weller steunde het plan, particulieren en restaurerende instellingen brachten een startkapitaal van ƒ 50.000,-- bijeen, B. en W. gaven toestemming. Voor één symbolische gulden per jaar kon 't Mannetje wonen op het erf en met leerlingen werken in de v.m. synagoge. In feite had de gemeente daarmee een deskundige maar onbezoldigde beheerder van de fragmentenvoorraad.
Als – eveneens ongesubsidieerd – opleidingsinstituut is het restauratieatelier een succes geweest. Circa 80 gemotiveerde jonge mensen hebben daar, onder leiding van bejaarde ambachtslieden die het als kleine zelfstandigen niet meer konden bolwerken, zich de beginselen van het restauratievak eigen gemaakt.
Ook kwalitatief oogstte het atelier veel waardering. Van talrijke Amsterdamse monumenten die in de jaren zeventig en begin tachtig werden gerestaureerd, hebben de Uilenburgers de decoratieve onderdelen in steen, hout en stuc verzorgd. In opdracht van de Rijksgebouwendienst werkten zij mee aan de pronkinterieurs van de Trêveszaal aan het Binnenhof en aan het Paleis Huis ten Bosch. Een belangrijke verdienste is ook geweest dat in Uilenburg de traditie van de gebeeldhouwde en gepolychromeerde gevelstenen weer tot leven kwamen. Herstel en herplaatsing van oude gevelstenen, en opdrachten voor nieuwe, is sinds de liquidatie van het restauratieatelier het doel van de Vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen.
Financieel heeft het restauratieatelier nooit vaste grond onder de voeten gekregen. De opdrachten in het kader van de monumentenrestauratie kwamen onregelmatig, en die inkomstenbron droogde vrijwel op toen de schrale bezuinigingswind uit Den Haag de decoratieve onderdelen uit restauratieplannen wegblies, zijnde niet 'sober en doelmatig', In 1986 ondertekende minister Brinkman een Europese conventie waarbij de regeringen zich hebben verplicht om de ontwikkeling te bevorderen van het traditionele vakmanschap en materiaal gebruik, aangezien daarvan de toekomst van de monumenten afhangt. Dat staat móói op papier. Traditioneel, ambachtelijk vakmanschap bestaat echter niet in het officiële onderwijs. In kunstopleidingen is het een verboden begrip, en technisch onderwijs gaat over machines, niet over zulke primitieve gereedschappen als hamer en beitel.
Conclusie: geen subsidie voor het kunstambacht, dat moet maar tussen ka en schip vallen. Ministeriële handtekeningen doen in de bureaucratie nauwelijks terzake.

Wederom: de fragmenten van de Nieuwezijds Kapel

Van het Bureau Monumentenzorg onder de bekwame leiding van Weller en na hem Zantkuijl had het restauratieatelier altijd steun ondervonden. Dankzij Uilenburg had het bewaren van de bouwfragmenten door vakkundig herstel en herplaatsing zin gekregen. De enige financiële steun bestond echter uit de symbolische huurgulden. Ook dat liep mis. B. en W. veranderden de regel dat gemeentediensten die in gemeentelijke gebouwen waren gevestigd daarvoor geen huur betaalden. In het vervolg moest elke dienst huur betalen aan het Grondbedrijf en dat bedrag van de eigen begroting opnemen. In 1983 betaalde het BMZ ƒ 45.000,-- voor de synagoge en het erf. Het BMZ liet vervolgens de daar aanwezige voorraad inventariseren en alle nog gemakkelijk verkoopbare stukken afvoeren naar de materialenwerf in Duivendrecht. Voor oude bouwmaterialen: baksteen, tegels, eikenbalken en dergelijke bestaat namelijk een markt. Dat transport gebeurde nogal grof, en veroorzaakte beschadigingen aan het beeldhouwwerk. De bouwfragmenten die, mits deskundig hersteld en herplaatst, tot het openbare cultuurbezit van Amsterdam behoren, werden door Zantkuijls opvolger Dekkers, behandeld als koopwaar. Per 1 januari 1985 kon BMZ ƒ 25.000 bezuinigen op de huur. Over 1985 werd nog opslagvergoeding van ƒ 10.000 betaald, daarna was het over. Wat achterbleef waren zware onhandelbare stukken steen, waaronder de fragmenten van de Nieuwezijds Kapel. Die hadden volgens Dekkers geen economische waarde, kosten voor transport en opslag zouden onverantwoord zijn, achtergebleven fragmenten waren door BMZ namens de gemeente geabandonneerd. 't Mannetje heeft nog enkele maanden huur betaald, toen was het geld op. Hij moest de inventaris van het atelier, die veel waardevolle objecten en gegevens over de restauratieambachten bevatte, verkopen, om de schulden te voldoen en verliet berooid en een illusie armer de stad. De ambtenaren van het Grondbedrijf toonden in overleg met 't Mannetje en diens raadsman begrip voor de situatie. Zij waren bereid de achterstallige huur kwijt te schelden maar dan wel op voorwaarde dat de achtergebleven stukken steen begin januari 1988 weggeruimd zouden zijn. Er had zich namelijk al een nieuwe kandidaat-huurder gemeld, die wel kon betalen. Na veel zoeken vond 't Mannetje liefhebbers voor de fragmenten van de Nieuwezijds Kapel, onder andere de antiquair Plenge, en hij stelde daarvan eind december 1987 Dekkers schriftelijk op de hoogte. Toen de laatste lading begin januari zou worden weggehaald, liet de gemeente revindicatoir beslag leggen; 't Mannetje werd ervan beschuldigd onbevoegd gemeente-eigendom te hebben verkocht, kortom: verduistering. Onder de kop Laffe beschuldiging stond in Het Parool van 14 januari het volgende commentaar: "De tragi-comedie van wat sommigen hardnekkig het 'Amsterdams cultuurbeleid' blijven noemen, duurt onverminderd voort. Deze week kreeg het publiek weer eens een potsierlijke scène voorgeschoteld. De gemeente, bij monde van cultuurwethouder Luimstra liet vol verontwaardiging beslag leggen op een hoop middeleeuws puin in de achtertuin van restaurator Hans 't Mannetje, die inmiddels de nog toonbare stukken steen van de vroegere Nieuwezijds Kapel aan enkele antiquairs had verkocht. Tientallen jaren hebben voorgangers van Luimstra zich totaal niets aangetrokken van al dat moois en onvervangbaars. Het kon hun blijkbaar niets schelen wat er met de restanten … gebeurde. Ook de monumentenzorgers hebben de brokstukken met de rug aangekeken… Het is ronduit belachelijk en laf om de desinteresse en wanorde bij Monumentenzorg nu af te wentelen op restaurator 't Mannetje, die er tenminste nog voor heeft gezorgd dat niet alle 'puin' voor dijkversteviging is gebruikt."
Enige weken later circuleerde ten stadhuize een persbericht waarvan mij niet bekend is of het ooit werd gepubliceerd. De hele rel had berust op 'een aantal misverstanden'. De aangifte van de gemeente tegen 't Mannetje werd ingetrokken. Het beslag werd opgeheven en de verkoop aan Plenge voor ƒ 14.000,-- gelegaliseerd. "Bij deze afwikkeling heeft … de cultuurhistorische waarde van de kolommen voor de stad Amsterdam een belangrijke rol gespeeld. Het is de overtuiging van de gemeente en de overige betrokkenen dat nòch 't Mannetje nòch Plenge, nòch de betrokken ambtenaren … enige blaam treft."
Dat laatste is aan twijfel onderhevig. Dekkers had de courante fragmenten laten weghalen zodat – zonder overleg met 't Mannetje -, diens beheerderstaak verviel. Dekkers had de moeilijk hanteerbare stukken als waardeloos geabandonneerd. Dekkers was door 't Mannetje op de hoogte gesteld van de ontruimingseis van het Grondbedrijf en de verkoop aan Plenge. Wie anders dan het hoofd BMZ had de onwetende wethouder Luimstra ingeblazen dat hier verduistering van waardevol gemeente-eigendom gaande was, precies op het moment van het laatste transport, zodat het zou lijken op wat door de politie een 'heterdaadje' wordt genoemd? De politie, zo meldde Het Parool op 15 januari, had de gemeentelijke aangifte van verduistering terzijde gelegd, "is zaak voor de civiele rechter" volgens de woordvoerder. Blijkbaar snoof hun ervaren neus een onfris luchtje. Een gemeenteambtenaar treft echter nooit enige blaam. Die mag ongestraft een verdienstelijk stadgenoot en diens goede naam aantasten met valse beschuldigingen. De Paroolredacteur had het wel goed gezien, en 'de politiek' keek de andere kant op.

Enige jaren later organiseerde de daarvoor opgerichte stichting 'De verdwenen stad' een tentoonstelling van nog complete gevelbekroningen langs de muur van het Marine Etablissement. Dat bleek een succes, aannemers en architecten reserveerden die stukken decoratief beeldhouwwerk voor herplaatsing. De rest werd van de materialenwerf in Duivendrecht weer teruggebracht naar het erf van de synagoge Uilenburg. Opnieuw een duur transport, opnieuw beschadiging. Daar ligt nu een berg zandsteen. De houten pallets zijn inmiddels verrot en ingezakt. Kortom: een dure bezuinigingsoperatie.

Hans 't Mannetje woont nu in Zutphen, en hakt gevelstenen. Hij is niet meer de enige maar wel de eerste in deze door hem weer tot leven gewekte tak in hedendaagse beeldhouwkunst met een mooi en inmiddels omvangrijk oeuvre. Met monumentenzorg van Amsterdam wil hij nooit meer iets te maken hebben.

Stichting Amsterdam Versierd

Op initiatief van Paul Mertz werd in 1984 de stichting Amsterdam Versierd in het leven geroepen. Het secretariaat vond, zoals gewoonlijk, onderdak in het bureau van de stichting Diogenes. Het ging toen economisch al heel moeizaam met het restauratieatelier. De opzet was om, met behulp van de regeling 'Werken met behoud van uitkering' en door het zoeken van sponsors, projecten die in de voorbereiding waren bijven steken, toch tot uitvoering te brengen. Dat begon met een van de eerder genoemde tochtportalen die vóór de sloping van de Nieuwezijds Kapel naar de Oude Kerk waren overgebracht. Het ging om een ingewikkeld stuk meubelmakerskunst uit de vroege 17de eeuw, beschadigd en uit zijn verband gezakt. In het restauratieatelier werd het tochtportaal perfect gerestaureerd, nu prijkt het weer in de Oude Kerk. Ook in de Nieuwe Kerk is een via Amsterdam Versierd tot stand gekomen werk te zien. Dat is de 'heraldische stamboom' van alle vroegere bezittingen van het Koninklijk Huis, waarvan H.M. de Koningin nog de titels voert. In de Trêveszaal aan het Binnenhof waar het Kabinet vergadert, hangen twee grote in hout gesneden kroonluchters naar een ontwerp van Daniël Marot, de hofarchitect van de Koning-Stadhouder. Na grondige studie van het in de zaal toegepaste maatsysteem had 't Mannetje de werktekening gemaakt, die na de liquidatie van het restauratieatelier door meester-houtsnijder Kees van Mierlo in diens eigen werkplaats werd uitgevoerd.
Het doel waarvoor de gemeente in 1908 de natuurstenen onderdelen van de Nieuwezijds Kapel voor verdwijning in de puinschuit had behoed, werd 80 jaar later door Amsterdam Versierd gerealiseerd. 't Mannetje en zijn medewerkers hadden vóór de liquidatie de zware stukken steen op het erf uitgelegd en de gaafste exemplaren geselecteerd. Daaruit kon nog één complete kolom worden samengesteld, die moest worden voorzien van een voetstuk en een deskplaat. De reconstructie had heel wat voeten in de aarde. Er was een paalfundering nodig die ergens tussen de vele leidingen onder het Rokintrottoir moest worden doorgeprikt. De kolom zelf diende te worden voorzien van een gewapende kern, om bestand te zijn tegen hevige rukwinden. In tegenstelling tot de andere in dit verhaal genoemde gemeentediensten verleende de Dienst Openbare Werken vlot en deskundig medewerking.
Het werk heeft rond ƒ 70.000,-- gekost, bijeengebracht uit schenkingen. Twee schenkers verdienen afzonderlijke vermelding: het Genootschap van de Stille Omgang, dat bijna een derde voor zijn rekening nam, en de beeldhouwer J. Munstermann, een van de Uilenburg- medewerkers, die gratis de tekst in het voetstuk hakte. Op 19 maart 1988 onthulde mgr. dr. J. Lescrauwaet, bisschop-coadjutor van Haarlem, dat voetstuk. De bewogen – niet altijd roemrijke – historie van de fragmenten van de Nieuwezijds Kapel was eindelijk op waardige wijze afgesloten.

Bijna een jaar later werd op de Sint Antoniessluis een ander, in opdracht van Amsterdam Versierd vervaardigd, gedenkteken onthuld. Tussen de fragmenten op het synagoge-erf lagen een groenachtige, hardstenen schildpad zonder kop, waarvan de herkomst onbekend was, een dikke hardstenen kolom, afkomstig van het door Berlage ontworpen gebouw van de levensverzekering 'De Algemene' aan het Damrak, en een blok hardsteen waarop, zoals blijkt uit de ingehakte letters, eens een borstbeeld van Rembrandt moet hebben gestaan. 't Mannetje heeft die toevallig bewaard gebleven stukken verenigd tot een nieuw, oorspronkelijk geheel dat als idee doet denken aan de 'olifant-obelisk' van Bernini op de Piazza della Minerva in Rome. In het Rembrandtblok werd op een zijde de tekst gehakt: "Tot hier verdween het oude stadspatroon / van hier begon de stadsvernieuwing in deze buurt / ter herinnering werd dit gedenkteken opgericht." Aan de andere kant staat als verwijzing naar de verdwenen Jodenbuurt, het bekende kwatrijn van Jacob Israël de Haan: "Die te Amsterdam vaak zei: 'Jeruzalem' / en naar Jeruzalem gedreven kwam, / Hij zegt met mijmerende stem / 'Amsterdam, Amsterdam…'." Het voetstuk draagt de schildpad die zelf het voetstuk vormt van de kolom, waarop de tekst is gehakt: "De tijd kruipt met het bouwwerk heen, van hier, vandaar rest soms een steen." De schildpad kreeg een nieuwe kop en draagt een zadel, ook in marmer, dat de overgang vormt naar de kolom. De plek werd door de, ook in dit geval, zeer coöperatieve Dienst Openbare Werken aangewezen op het oostelijk bruggehoofd van de Sint Antoniesluis. De maatloze breedte van de brug was vastgelegd in het 'Wederopbouwplan Nieuwmarkt' uit 1953 dat voorzag in een brede autoweg naar de Prins Hendrikkade, geflankeerd door gebouwen in de trant van het gelukkig verdwenen Maupoleum. Buurtverzet en het project De Pinto hebben op deze plek de verdere vernieling van de historische stratenstructuur geblokkeerd. Het vernuftig samengesteld monument 'De Grenspaal' markeert de plek waar het gebeurde, zoals de 'Mirakelkolom' op het Rokin verwijst naar de verdwenen Nieuwezijds Kapel. Twee gedenktekens die het stadsbeeld verrijken en de geschiedenis zichtbaar maken. Het heeft de gemeente geen cent gekost.

Geurt Brinkgreve

(Dit artikel is verschenen in: Een veldboeket met distels, Amsterdam 2000.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.