'Metselwerk 1850, gietijzeren muurankers zelfde tijd, maar
de top...' 'Luisteren met de ogen', noemt Henk het.
Insiders noemen hem de grootste kenner van het
Nederlandse woonhuis. Hij kan, zeggen ze, met grote
precisie een woonhuis uit willekeurig welke periode, bijna
tot op het jaar nauwkeurig, tot in de details voor u
ontwerpen.
Een dubbel grachtenhuis anno 1746, zou dat kunnen?
Hij lacht. In een overmoedige bui had hij wel eens gezegd:
dat schets ik zo. Nu schaamt hij zich een beetje over het
gemak, waarmee hij dat ooit heeft geponeerd. De
werkelijkheid van toen was veel ingewikkelder. Zoveel
stromingen die zich gelijktijdig manifesteerden. Hij moet zijn
meningen nog dagelijks herzien.
Wandelen en huizen kijken deed hij als jongen aan de hand
van opa in Utrecht. De Zantkuijls zaten er al generaties in
de bouw. Henk, jong wees geworden, groeide op bij opa
en een oom. En die keken op milimeters. Of het een huis
van Rietveld was of van Bredere, het moest goed gebouwd
zijn, geen scheve luifel, geen lekkende goten. Het waren
leermeesters, zegt hij nu, die niet geloofden in hemelse
bevliegingen, maar in ijverig zijn. De grote gaven komen niet
vanzelf.
Er is nóg een vaderfiguur: W. Stooker, ambtenaar bij
gemeentewerken Utrecht en in zijn eentje verantwoordelijk
voor het hele restauratiebeleid. Als de jonge MTS'er Henk
Zarrtkuijl anno 1943 bij hem stage wil lopen, laat hij weten:
'Ik heb zijn grootvader gehad, zijn vader, laat dat jochie
maar komen.'
Van de legendarische Stooker leert hij liefde voor het
ambacht en hij leert vooral kijken. Je kunt niet genoeg kijken.
Het blijft een vriendschap voor het leven. Stooker werd over
de negentig en was tevreden als zijn 'jochie' Zantkuijl nog
een langskwam. De buitenstaander filosofeert, of er een
relatie is tussen degelijkheid van karakter en levenswandel
en degelijkheid van bouwen en restaureren. Als er hout voor
restauratie nodig was, ging Stooker met zijn pupil naar
Amsterdam om zelf balken en planken bij de handel uit te
kiezen. Dan keken ze ook samen naar die overweldigende
stad.
De pupil heeft in zijn studiejaren op de MTS een duurzame
liefde opgevat voor de eenvoud en helderheid van de
romaanse architectuur. Die kan hij bevredigen als hij, van
1948 tot 1953, bij Stooker werkt en het restauratievak leert.
Amsterdam heeft geen romaanse kerken, maar niettemin
arriveert hij 1 augustus 1953 in de hoofdstad om deel te
gaan uitmaken van het nieuwe Gemeentelijk Bureau voor
Monumentenzorg. De vier namen van de oude generatie -
Meischke, Zantkuijl, Sijmonsbergen, Schaap - hebben nu
een bijna legendarische klank. De pioniers. Henk Zantkuyl
is nu de laatste die het bureau heeft verlaten.
Hij begon er als opzichter/tekenaar, werd restauratie-
architect, hoofd van de afdeling, wetenschappelijk adviseur.
De TH haalde hem naar Delft als docent in de sector
restauratie. Bij elkaar 35 jaren. Zijn werkdagen, weten de
insiders, duurden meestal twaalf uur en zijn vakanties
werden vooral besteed aan het maken van speciale studies,
want als hij wilde weten, hoeveel 'uitstekende
gootsteenkastjes' er nog in Amsterdam zijn of hoeveel
uitkijktorentjes in de oude stad, dan rustte hij niet, voordat
alle kaarten, archieven, straten en stegen waren uitgekamd.
Ging het niet vervelen na zoveel jaar?
Henk Zantkuijl: 'Integendeel. De stad is zo rijk, zo gevarieerd.
In het begin zoog ik het op en dat doe ik nog. Het
'leesmateriaal' is onuitputtelijk. Elke dag loop je te kijken en
ineens zie je, onder een bepaalde belichting, iets dat je nooit
is opgevallen. Had ik poep in mijn ogen, dat ik het nooit
eerder zag? Maaralle kijken is geprogrammeerd. Het leert
je ook om niet te snel conclusies tetrekken. Iedereen is op
zoek naar een verhaal, iedereen vindt zijn eigen verhaal,
maar niemand kan zeggen dat hij Amsterdam helemaal
kent. Het is zo'n gevarieerd verhaal. De stad is niet vanuit
één denkbeeld geschapen.'
Wie zó van een stad houdt en de trillingen van de stad zó
goed verstaat, moet ook momenten van treurigheid hebben
gekend als er iets helemaal mis ging. Wat was de ergste
ramp in die 35 jaar?
Henk Zantkuijl houdt het op de bouw van de bank in de
Vijzelstraat. 'Zo grof; een kreet, meer niet.'
En omgekeerd, wat was een aanwinst?
'Ik vind de Opera heel fijn. Niet het stadhuis, misschien komt
het nog; je moet je de tijd gunnen.'
Wat hij in het omstreden gebouw waardeert? 'De plek op
dat eiland, in een brede bocht van de Amstel, vraagt om
een forse, vrij hoge bebouwing. Je kunt er een groot
stadsgezicht scheppen. Dat heeft de zeventiende eeuw
begrepen en ook gedaan. Die plek daagt uit. Omdat je het
gebouw al van ver kunt zien, moet je het een grote vorm
geven, die bij het naderen blijft boeien door steeds mooiere
details. Als je de Opera van verre ziet, dan boeien die heel
geraffineerde grote schermen. Kom je dichterbij, dan
ontwaar je de tweede huid. Dat is geraffineerd, dat is
stedelijk bouwen.'
En is die Utrechtse jeugdliefde voor romaanse architectuur
in Amsterdam nog bevredigd?
'Het sobere klassicisme van de tweede helft van de
zeventiende eeuw, dat heeft iets van het romaans. Een echt
Hollandse stijl, helder, duidelijk en een precisie van maten
die je als liefhebber de rillingen over de rug jagen.'
Voorbeelden in Amsterdam?
'De latere Philip Vingboons, Elias Bouman, Adriaan
Dortsman en mijn grote favoriet Daniël Stalpaert. Ik denk
aan de Academie voor Bouwkunst op het Watertooplein,
de Portugese Synagoge, de Dortsmanhuizen Amstel 216
e. v., de Oosterkerk, het katholieke schuilkerkje op het
Begijnhof, de Blauwe Bock op de Raamgracht.'
In die 35 jaren is bijna de helft van de Amsterdamse
monumenten, zo'n 4000 huizen, 'door de hand' van
Monumentenzorg gegaan. Die geweldige activiteit voltrok
zich in een periode, dat het z.g. nieuwe bouwen een heel
andere kant uitging. Beton, ijzer, glas en rechte hoeken. 'Ik
beweer dat sommige restauraties invloed hebben
uitgeoefend op de smaakverandering bij het publiek en ook
bij de vakgenoten. Men ontdekte dat bouwen niet per
definitie hoekig, kil en grootschalig hoefde te zijn. Men zag
elegante panden uit de restauratiesteigers komen met een
geraffineerde onderpui, andere raamindeling, een
voorhuis...'
Henk Zantkuijl verzucht: 'O, als de achttiende eeuw het
beton had gekend, wat had men er een verfijnd gebruik van
gemaakt. Prefab heeft altijd bestaan in de bouw. Zo'n
barokke topgevel zochten ze uit op de werf. Ze kenden
gips, papier-maché, gietijzer, ze wisten van
herhalingsbouw. Wij hebben nog veel meer mogelijkheden.
Kunststoffen kun je in allerlei vormen maken. Maar we
gebruiken de mogelijkheden nauwelijks.'
Hij bevestigt dat bij restauraties soms 'een verhaal werd
ingebouwd' om het spannend te maken. 'Onbewust
schiepen we een stijl, die aansloeg. Het had iets te maken
met de belevingswaarde van de stad op ooghoogte. Die
had het nieuwe bouwen volkomen verwaarloosd. Wie in de
stad loopt, wil elke meter geboeid worden. Eindeloos lange,
sombere, gesloten, afwerende onderhuizen stoten af.'
We kunnen dus, constateer ik, de geschiedenis van het
naoorlogse bouwen niet schrijven, zonder de invloed van
de restauratie-activiteiten in die periode.
Henk Zantkuijl: 'De grote architecten van het nieuwe
bouwen - Rietveld, Oud - hadden nog een degelijke
opleiding in het oude vak gehad. Als ze later bewust iets
weglieten, dan ontstond er een spanning, die we kunnen
waarderen. De volgende generatie dacht helaas, dat je
alleen spanning kon krijgen doorweglaten. Nu manifesteert
zich de post-moderne stroming en gaat de ontwikkeling
snel de andere kant op. Pas op, roep ikweleens, we gaan
weer naar de barok toe.'
Zal dat zijn invloed hebben op het restaureren van de
toekomst?
'Restaureren is manipuleren, hoe zorgvuldig en dienstbaar
je het ook doet,' zegt hij.' We zijn trots als je niet kunt zien,
dat een huis is gerestaureerd, maar je blijft een deel van de
honderdjaar-cyclus. Elke halve eeuw moet een huis een
flinke opknapbeurt ondergaan en elke honderd jaar moet
er echt iets gebeuren. Het huis wordt bij de tijd gehaald.
Dat is altijd zo geweest. Vroeger gebeurde het zonder
restauratiementaliteit, hoewel men ooktoen zuinig was op
waardevolle elementen. Maar er werden ook nieuwe
elementen ingebracht. Onze zorg als restaureerders was
om een heel fijn beeldverhaal te krijgen, met nadruk op
behoud. Nu komt steeds nadrukkelijker de vraag naar
voren, of daarmee het traditionele transformatieproces niet
wordt uitgeschakeld en zo'n huis uit het stedelijk gebeuren
wordt gelicht als een museumobject.'
'De tijd is rijp vooreen nieuwe fase in het restauratiebeleid',
constateert hij. 'Ik voel aankomen dat het scheppend
proces weer zijn kans moet krijgen, net als vroeger.'
Menig liefhebber van de oude stad krijgt de rillingen bij het
vooruitzicht, dat allerlei klunzen en aanstellers op het
kostbaarste bezit van de stad worden losgelaten.
' Het kan een spannende tijd worden'. Henk Zantkuijl is niet
pessimistisch. Allereerst heeft zich bij het Bureau
Monumentenzorg een geweldige kennis verzameld van de
oude stad en het oude bouwen, zowel in het archief als in
het hoofd van de mensen. Dat is een onomkeerbaar proces.
Daar zal ook de toetsing moeten geschieden, of zo'n
ingreep een aanwinst dan wel een aantasting is. Die
deskundigheid is uniek en onontbeerlijk, want die ontbreekt
bij de individuele architect.
'Het restaureren richtte zich aanvankelijk op individuele
huizen. Maaraldoende kregen de betrokkenen steeds meer
besef van samenhangen, de kwaliteit van een heel gebied,
die allereerst behouden moet blijven. Zo'n brute ingreep als
de sloop en nieuwbouw van het oude Kattenburg is nu niet
meer denkbaar, maar gevaren dreigen er nog steeds. Water
is zo essentieel in Amsterdam, dat elke demping moet
orden bestreden.'
Het nieuwe IJ-oeverproject?
'Als het lukt kan het heel boeiend worden. Met de neergang
van het oude havengebied is het IJ een achtergebleven
gebied geworden. Er moet iets gebeuren, maar ik word
bang als ik zie, hoeveel ze willen dempen. Water dient in
alle Amsterdamse planologie nummer één te blijven. Het
gevaar dreigt dat IJ en Oosterdok een gracht worden. Als
dat gebeurt, wordt het een catastrofe. Laat men toch leren
om weer op het water te bouwen. De Oude Stadsherberg
was boven het water gebouwd op palen. Men moet het
water van Amsterdam honoreren met bouwen boven het
water. Als dat lukt heeft Amsterdam er weereen trekpleister
bij.'
Ook kijkt hij met enige bezorgdheid naar het tempo van
woningbouw en omzetting van bedrijfsruimten in
woonhuizen in de oude stad. Op die manier dreigt de balans
tussen wonen en de andere functies van het Centrum uit
zijn evenwicht te raken. Er moet ook gewerkt worden in de
oude stad, anders wordt het een buitenwijk, een dorp.
Soms kan Zantkuijl wel verlangen naar een structuurplan,
dat dit soort van ontwikkelingen in goede banen probeert
te leiden, hoewel de ervaring leert dat structuurplannen ook
een gevaar van manipulatie en verstening inhouden. 'Geen
enkele functie is eeuwig', verzucht hij.
Amsterdam zit weer in een transformatieperiode. Niemand
kan nog geheel voorzien wat voor nieuwe ontwikkelingen
in de volgende eeuw hun rol in de stad zullen gaan spelen.
De oudere generatie is beslist niet ontevreden over hetgeen
de afgelopen 35 jaar is ondernomen om oude kwaliteit te
behouden. Rampen zijn, uitzonderingen daargelaten,
voorkomen. Het is nog altijd een genoegen om in de oude
stad te verkeren.
Waar zou Henk Zantkuijl, indien de noodzaak zich voordoet,
nieuwe, grootschalige ontwikkelingen toelaten?
'Aan de singelgrachten', zegt hij, 'aan de overzijde. Dan
krijgt de oude stad daar een soort van wand: Mauritskade,
Stadhouderskade. Maar beslist niet de Nassaukade.'
De Nassaukade?
'De Nassaukade is een verrukkelijk en deerlijk onderschat
stuk van Amsterdam. Wat ze daar in de vorige eeuw hebben
gebouwd is ronduit fascinerend. Ik heb er huis voor huis
dia's van gemaakt. Wat je er aan variaties ziet op, zeg vijftig
meter, dat is echt stad. Je blijft kijken.'
We beëindigen onze lange wandeling, waar hij ook
begonnen is: voor de deur van het indrukwekkende Huis
met de Hoofden aan de Keizersgracht, waar de stedelijke
Monumentenzorg zo'n vorstelijke huisvesting heeft
gekregen. De wind woelt in de grijze haren van de laatste
pionier van de Amsterdamse monumentenzorg.
Optimist tot aan het eind. Hij gelooft in de kwaliteit van zijn
opvolgers (die hij overigens gedeeltelijk zelf heeft opgeleid
in Delft). Hij gelooft ook in de kwaliteit van de nieuwe
architectengeneratie, die bij het eeuwige
transformatieproces van de oude stad betrokken zal zijn.
'Ze hebben veel meer diepgang, gevoeligheid en beeldende
kracht dan hun collega's van dertig jaar geleden. Er is meer
artisticiteit.'
Zantkuijl hoopt dat in de nieuwe generatie weer ontwerpers
zullen opstaan als Van der Velde, Penaat, Bart van der Leek
en Mart Stam; ontwerpers die gevoel hadden voor
architectuurén bouwdesign en een huis konden ontwerpen
tot op de laatste deurknop. Vooral gevoel voor bouwdesign.
Mensen dus die geen genoegen nemen met de fantasieloze
produktie van de meeste toeleveringsbedrijven in de bouw.
Einde gesprek. Althans voor vandaag, want, als gezegd,
de liefhebber laat zich geen kans op een gesprek met Henk
Zantkuijl ontgaan. Nu geldt dus ook voor hem, wat hij altijd
zei tegen bewoners van een te restaureren huis: 'U bent
nooit de eerste bewoner van het huis en nooit de laatste.'
Hoorn is zijn nieuwe woonplaats geworden, dicht bij de
kleinkinderen. Amsterdam regelmatig betreden via het
Centraal Station, dat lijkt hem boeiend.
Ben Kroon
[Afscheidsrede Henk Zantkuijl]
(Uit: Binnenstad 113, februari 1989)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.