Een rood raam voor de Heilig grafkapel van de Oude kerk?

Door het 'zwartgeblakerde' zandsteen en het 'dichtgemetselde' venster in de top springt de gevel van de kapel naast het noorderportaal van de Oude kerk op het eerste gezicht misschien niet zo in het oog, maar deze gevel is een van de vroegste uitingen van de renaissance in de Noordelijke Nederlanden. Samen met het verfijnd gebeeldhouwde laat-gotische hanggewelf in de kapel en het unieke 'lepe venster' (zie hieronder) vormt de gevel een uitzonderlijk ensemble. Als herinnering aan de huidige tentoonstelling van Giorgio Andreotta Calò wil de Stichting de Oude Kerk in dit venster, dat erop gericht was het 'Heilig graf' onder dit gewelf zo optimaal mogelijk aan te lichten, nu rood glas plaatsen. Het rode vensterglas, waardoor de hele ruimte straks in rood licht baadt, zou deze grafkapel op eigentijdse wijze de betekenis teruggeven die door de beeldenstorm verloren is gegaan. Maar klopt dit wel? Wat was dit nu voor graf? En past het rode licht daar eigenlijk wel bij?
Afb. 1 De gevel van de Heilig grafkapel is een van de vroegste gevels met renaissancekenmerken in de Nederlanden (foto: Wim Ruigrok).

De kapel van de Oude kerk, die ligt ingeklemd tussen de noordvleugel van het pseudo-transept en het noorderportaal, wordt wel Heilig grafkapel genoemd, naar een 'Heilig graf' dat zich hier eens, vóór de Alteratie van 1578, heeft bevonden.
Op grond van steenhouwersmerken op de zandstenen onderdelen van het grafmonument en dendrochronologisch onderzoek van de kap wordt de kapel tegenwoordig gedateerd op circa 1515, dertig jaar eerder dan voordien werd aangenomen. (1) Herman Janse vergelijkt de vormgeving van de gevel, met de pinakels in de vorm van balusters, de merkwaardige wormvormige voluten en het kantige acanthusblad, onder meer met die van het epitaaf voor Willem Eggert in de Nieuwe Kerk, dat tussen 1519 en 1522 werd aangebracht, en met het processievaandel van de Heilige Stede, waarvan wordt aangenomen dat het schilderij waarnaar het is gemaakt, in 1516 tot stand kwam. In de 'Epiloog' van zijn monografie over de Oude kerk concludeert Janse zelfs dat 'de topgevel van het Heilig graf te beschouwen [is] als het vroegste bouwwerk met renaissance-ornament in Nederland' (afb. 1). (2) De Heilig grafkapel ontleent haar naam aan een aantekening in het Kopieboekje van Jacob Zaffius (1534-1618). Zaffius, eerste proost van het bisschoppelijk kapittel te Haarlem, geeft hierin aan dat het St-Jacobsaltaar in de Weitkoperskapel stond, 'prope sepulchrum Domini': nabij het graf van de Heer. (3)
Dit Heilig graf verving vermoedelijk een oudere uitbeelding van het Heilig graf, dat al wordt vermeld in 1473 en zich bevond in een ruimte ten zuiden van de meest westelijke travee van het Buitenlandvaarderskoor. Het zou daar vóór 1523 zijn verdwenen, vermoedelijk om plaats te maken voor de bouw van de sacristie. (4)

Roomsche mysterien

Walich Syvertsz. (1549-1606), apotheker en kerkmeester van de Oude kerk in 1592-1593, beschrijft in zijn Roomsche mysterien uitvoerig hoe in de Oude kerk vóór de Alteratie van 1578 de paasweek werd gevierd.
Na de aanbidding van het kruis op Goede vrijdag, waarbij twee priesters van onder een wit doek een crucifix opnamen dat het dode lichaam van Christus moest representeren, werd dat kruis 'in een hooge Tombe met swart laecken overghetoghen, staande int midde vant Choor, nedergheleyt, en dat heet het heylich graf'. (5)
Op zaterdag hield men beurtelings een rondgang om dit Heilig graf. Daarop werd in het torenportaal uit een steen vuur geslagen, waarmee men een groot paasvuur maakte. Nadat daarmee vervolgens de paaskaars was aangestoken en het doopwater gewijd, 'vergaert het volck met de Sanghmeester ende syne Scholieren des nachts nae middernacht inde kercke' weer bij het kruis, dat nog in de tombe ligt. 'Daer comt dan een Priester ende neemt het Crucifix uyt het heylig Graf, ende beurt het om hooghe, singende met luider stemmen Surrexit Christus de Sepulchro': Christus is opgestaan uit het graf.
Walich Syvertsz vertelt vervolgens dat in de kerk een paasspel wordt opgevoerd om de opstanding uit de dood uit te beelden: de priester, gevolgd door zingende schooljongens en het gewone volk daarachter, loopt met het kruis de torendeur uit – aan de westkant van de kerk, waar de zon was ondergegaan – en loopt om de kerk heen. Wanneer hij opnieuw bij de deur komt, is deze dicht. De kerk wordt bezet door een stel 'duiveltjes'. Voor de kerkdeur blijft hij staan en zingt Attollite portas principes vestras et introibit Rex glorie: 'Open uw poorten, prinsen, en de Koning der Glorie zal binnenkomen'. De duiveltjes hebben in elke hand enkele stenen, vragen de priester met luide stem Quis est iste Rex gloriae: 'Wie is deze Koning der Glorie?', en werpen vervolgens de stenen tegen de deur. Zo loopt de priester driemaal om de kerk, iedere keer dat hij bij de torendeur komt, de duivel gebiedend. Wanneer hij voor de derde keer bij de deur komt, stoot hij daar met het kruis tegen aan en is het victorie: de deur gaat open en de priester schrijdt met het kruis door de 'hel' naar het koor. Als dit spel is afgelopen, hangt men het voor het hoogaltaar en wordt het crucifix met een gouden lakense stola getooid – die oplicht in het eerste licht van de opkomende zon, die met Pasen juist door het centrale venster van het koor naar binnen schijnt.
Volgens Syvertsz. bevond het Heilig graf zich dus 'in het midden van het koor', wat lijkt te verwijzen naar de voormalige Heilig grafkapel, die was opgetrokken achter de middelste travee van de kooromgang. (6) Deze kapel is onder meer afgebeeld op de houtsnedekaart van Cornelis Anthonisz. uit 1544. Deze locatie komt overeen met die genoemd in andere bronnen. Blijkens de vermelding van een grafzerk uit 1483, die 'nae de kerckschennerye van 't Minnebroedersconvent [werd overgebracht] in ons choor van 't heylich Graff in de S. Nicolaaskerck binnen Amsterdam', bevond het Heilig graf zich eveneens in het koor. (7) Gezien het feit dat er in 1520 in opdracht missen werden gesticht op het altaar van deze kapel, moet het Heilig graf in dat jaar ook al in gebruik zijn geweest. (8) De kerkelijke boekhouding van Pasen 1560 bevat tenslotte een post, waarin sprake is van het branden van waskaarsen 'opt lyke'. (9) Aangenomen wordt dat hiermee eveneens het Heilig graf wordt bedoeld, dat een rol speelde in de paasliturgie.
De locatie van de Heilig grafkapel achter het koor is vergelijkbaar met die van het Heilig graf centraal achter het koor van de Domkerk in Utrecht (1501-1507), de kathedrale kerk van het bisdom waartoe Amsterdam destijds behoorde. Hoewel zwaar geschonden tijdens de beeldenstorm, resteert van dit Utrechtse Heilig graf nog een graftombe met een gehavend Christusbeeld. Op deze tombe zijn drie wachters afgebeeld, op het baldakijn daarboven engelen met wierooksvaten.
Het Heilig graf achter het koor speelde dus een rol in de liturgie van de paasweek: op vrijdag werd het crucifix, dat het lichaam van Christus verbeeldde, in de graftombe gelegd en met een zwart kleed overtrokken, zaterdag hield men er een wake door hier een rondgang om te maken en in de paasnacht werd het crucifix weer uit de tombe genomen om het via een doortocht door de 'hel' boven het altaar in het koor te verheffen. Gezien het feit dat in het oosten de zon opkomt, lijkt de locatie aan de oostkant van het koor ook toepasselijker om de Verrijzenis uit te beelden dan de noordkant van de kerk, waar zich het andere Heilig graf bevond.

Jeruzalemkapel

Afb. 2 Plattegrond van de opgraving van de Jeruzalemkapel bij de Olofskapel (Archeologische dienst Amsterdam)

Behalve de Oude kerk had ook de Nieuwe Kerk te Amsterdam een Heilig grafkapel, waarvan nog de gotische deuromlijsting in de Schutterskapel resteert. (10) De belangrijkste Heilig grafkapel in Amsterdam bevond zich echter in de St.-Olofskapel. Deze was in 1490 aan de oostzijde uitgebreid met een Jeruzalem- of Heilig grafkapel (gesloopt in 1644). In 1991 is de twaalfkantige paalfundering hiervan opgegraven (afb. 2). Binnen de centraalbouw werd de fundering gevonden van een kleiner gebouwtje, waardoor de plattegrond sterk lijkt op die van de twaalfde-eeuwse Anastasis- of Opstandingskerk in Jeruzalem, zelfs de afmetingen komen overeen. In de kerk in Jeruzalem bevindt zich recht onder de koepel een 'aedicula' of klein tempeltje – de eigenlijke Heilig grafkapel – , waarin een lege graftombe staat, die Christus' verrijzenis moet verbeelden. Op het graf worden waskaarsen gebrand. De Jeruzalemkapel in Amsterdam was gesticht door de Amsterdamse Jeruzalemvaarders, een broederschap van pelgrims die veilig waren teruggekeerd uit het Heilige land, waar zij door de gardiaan van de Franciscanen, die het Heilig graf bewaakten, tot ridder waren geslagen. Naar voorbeeld van de Heilig grafkapel in de Anastasiskerk in Jeruzalem werden ook in het Westen Heilig grafkapellen gebouwd, behalve in Amsterdam bijvoorbeeld ook in Gouda, waar de ronde Jeruzalemkapel bewaard is gebleven. In tegenstelling tot het Heilig graf in Jeruzalem lijken de (latere) Heilig grafmonumenten in de Nederlanden meestal wel een liggend Christusbeeld te bevatten. Vanaf de veertiende eeuw kwam er meer aandacht voor Christus' lijden en werd in de graven steeds vaker zijn lichaam uitgebeeld.

Heilig graf of grafleggingsscène?

Anders dan Herman Janse wijst Justin Kroessen in zijn studie over het Heilig graf erop dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen de Heilig graven, die een rol spelen in de paasliturgie, en grafleggingsscènes, die vooral dienden voor persoonlijke devotie en het gehele jaar door werden vereerd. (11) Het verschil in iconografie is dat een Heilig graf begeleid wordt door slapende wachters en engelen met wierookvaten, terwijl de grafleggingsscènes worden uitgebeeld door een beeldengroep van personen die bij de graflegging aanwezig waren, zoals Nicodemus, Jozef van Arimathea en de drie Maria's.
Ondanks de beeldenstorm zijn in Nederland nog enkele grafleggingsscènes (deels) bewaard gebleven. In de Munsterkerk in Roermond resteert een grafleggingsgroep met grote houten beelden, toegeschreven aan de Meester van Elsloo (circa 1500), in Woerden zijn fragmenten van de kapot geslagen zandstenen beelden van een grafleggingsgroep gevonden, en in de Stevenskerk in Nijmegen zijn in een kapel in het verlengde van het noordertransept verschillende wandschilderingen bewaard, die met de graflegging verband houden, o.m. van Nicodemus en Jozef van Arimathea (circa 1566).

Afb. 3 Interieur van de Heilig grafkapel met daarnaast: de onderzijde van het hanggewelf vóór restauratie (foto's: RCE)

Over de uitbeelding van het Heilig graf in de ruimte aan de noordzijde van de kerk is weinig bekend. Hiervan resteert alleen een rijkversierd hanggewelf, met verfijnd maaswerk en hangtrossen (afb. 3). Het gewelf is een van de weinige overblijfselen van het katholieke kerkinterieur van vóór de beeldenstorm (1566) en wordt door Herman Janse als 'unicum' beschouwd. (12) Hij merkt hierover op dat het 'in vormgeving meer aansluit bij de bouwcampagne van de St-Sebastiaankapel [in het 'zuidertransept'] waarin ook al renaissancetrekjes te bespeuren vallen'. (13) Volgens Janse zou onder het gewelf ook een beeldengroep hebben gestaan. (14) In de wand daar tegenover bevinden zich twee vensters die vanuit het noorderportaal uitzicht boden op de voorstelling.

Dit Heilig grafmonument zou eveneens opgericht kunnen zijn als tombe voor een stichter. Gezien het feit dat zich in deze ruimte nog twee andere graven bevonden, van Gillis Jansz. en diens schoonzoon Cornelis Anthonisz., lijkt dit niet onaannemelijk. (15) Uit het feit dat in het grafboek van 1523 de woorden 'Heilich Graff' later zijn toegevoegd, zou men kunnen afleiden dat de nieuwe ruimte – die geen altaar bevatte en daarom ook geen kapel was – in dat jaar nog niet geschikt was om in te begraven. (16)
Aangezien de Heilig grafkapel achter het koor een rol speelde in de liturgie, werd door het Heilig graf aan de noordkant van de kerk waarschijnlijk een grafleggingsscène verbeeld: een tombe met een beeld van Christus omringd door levensgrote beelden van degenen die bij zijn dood en begrafenis aanwezig zijn geweest – een laatste kruiswegstatie als het ware. De oriëntatie op het noorden en de grootte van het hanggewelf maken dit ook aannemelijk.

Afb. 4 Doorsnede van asymmetrische profilering van het 'lepe venster' (buitenzijde) (tek. Rob de Nooy)

'Leep venster'

Afb. 5 Plattegrond van noorderportaal (links) en Heilig grafkapel (rechts) (tek. Janse - 2004, p. 88)

Omdat de Heilig grafkapel gedeeltelijk schuilgaat achter een hoge steunbeer van het pseudo- transept, is deze aan de binnenkant breder dan de gevel aan de buitenzijde (afb. 5). Het hanggewelf en het voormalige Heilig graf bevinden zich achter deze steunbeer. Vanwege de steunbeer van het transept is het venster van binnenuit gezien niet centraal in de gevel geplaatst. Om ondanks deze asymmetrische plaatsing toch licht op het voormalig grafmonument te laten vallen, heeft het originele, laat-gotische venster een unieke vensteromlijsting en -tracering gekregen. Één van de neggen of dagkanten van het venster staat namelijk niet haaks, maar (extra) schuin op de gevelwand (afb. 4).
Enigszins vergelijkbare vensters, dat wil zeggen vensters waarvan beide neggen of dagkanten onder een schuine hoek staan, komen op nog vijf andere plaatsen in ons land voor. (17) In zijn boek over de Sint Jan in 's-Hertogenbosch heeft Kees Peeters hiervoor het begrip 'leep' venster gemunt. (18) Onder de 'lepe vensters' neemt dit Amsterdamse venster een speciale plaats in, omdat slechts één van beide zijkanten van het venster schuin staat.

Afb. 6 H.P. Schouten, Zicht op de Oude kerk vanuit de Enge Kerksteeg, vóór 1779 (coll. KOG)

Ook de natuurstenen vensterstijlen binnen de vensteromlijsting verlopen van richting. Hoewel de stijlen (montants) en tracering zijn gereconstrueerd, is het raam een waar kunststuk geworden, doordat vensteromlijsting, stijlen en tracering alle als het ware vanuit één punt zijn geprojecteerd. (19) 'Het punt van waaruit de richting van de montants is bepaald, komt ongeveer midden onder het baldakijn uit'. (20)
Deze schuine of gedraaide stand van de vensterneggen en -tracering is erop gericht het achter de steunbeer gelegen grafmonument zo optimaal mogelijk te belichten. Van buiten gezien dient de linker vensterneg om het licht zo diep mogelijk de kapel in te voeren, terwijl de extra schuinstaande neg rechts het licht zo ver mogelijk achter de steunbeer leidt. De vensteromlijsting bestaat uit zandsteen, de vensterstijlen en -tracering zijn in 1958-1959 (grotendeels) gereconstrueerd in muschelkalksteen, naar uitslagen van F. Meeder. (21) De profilering is gebaseerd op die van enkele zandstenen restanten van het oude venster, opgenomen in de nieuwe vensterstijlen, de tracering is geïnspireerd op een tekening van H.P. Schouten uit circa 1780, die vanuit de Enge Kerk-steeg een zicht geeft op het noorderportaal en de Heilig grafkapel (afb. 6).

Glas-in-loodraam

Ook het glas-in-lood in het raam, van getrokken of geblazen glas, werd aangebracht in 1958-1959. Het verving het blanke glas-in-lood van vóór de restauratie. Hoewel in zijn soort niet heel bijzonder, heeft het raam een zekere waarde vanwege de onderlinge eenheid met de andere ramen, de ambachtelijke vervaardiging van het glas-in-lood, en de onregelmatige structuur van de ruitjes. Deze onregelmatigheid, het feit dat alle ruitjes qua tint net even van elkaar verschillen en het wisselende effect van het licht dat hier doorheen valt – danwel door de ruitjes wordt weerkaatst – verlenen het raam een zekere levendigheid. Omdat de heldere kleur van het glas eraan bijdraagt het grafmonument achter de steunbeer, ondanks de ligging van de ruimte op het noorden, zo goed mogelijk te belichten, is het heldere glas intrinsiek verbonden met de bijzondere vormgeving van dit venster.

Anastasis en avondzon

Afb. 7 Proefpaneel met rood glas in het raam van de Heilig grafkapel (foto: W. Schoonenberg)

Dit brengt ons op de vraag of de keuze van de rode kleur voor het glas wel zo goed is onderbouwd (afb. 7).
De titel van de tentoonstelling – waar volgens de verleende vergunning ook het nieuwe glasin- loodraam deel van uitmaakt – is 'Anastasis', Grieks voor opstanding, en verwijst naar de verrijzenis van Christus, die met Pasen wordt gevierd. Maar de liturgische kleur voor Pasen is wit of goud – zoals de stola om het crucifix; ooit van rode paasversiering gehoord? Ook het (kaars)licht in de Heilig grafkapel in Jeruzalem is wit – en dus niet rood zoals wordt beweerd.
Een andere uitleg lijkt eveneens op drijfzand te berusten. Het rode vensterglas in de kapel moet volgens de kunstenaar het rood van de avondzon vervangen, die vroeger door het lepe venster naar binnen zou hebben geschenen, toen de omringende bebouwing nog minder hoog was. De in het westen ondergaande zon wordt geassocieerd met het avondland en met Christus' lijden aan het kruis. Op zichzelf een mooie gedachte. Ook in de liturgie wordt rood gebruikt als kleur om passie uit te drukken, zowel het 'lijden aan de liefde' als 'het lijden aan het kruis'. Mede gezien het feit dat de ruimte pal op het noorden ligt, valt de passiekleur voor deze locatie echter af: tijdens de graflegging die hier werd uitgebeeld was Christus immers reeds gestorven en door de voorstelling wordt niet Christus' lijden, maar zijn dood betreurd. De traditionele en liturgische kleur voor de dood is zwart – zoals het laken waarmee het crucifix in de tombe werd overtrokken.
Om die reden heeft men het Heilig graf ook in deze ruimte aan de noordkant van de kerk opgericht. Alleen rond de zomerzonnewende – en dus niet met Pasen – beweegt de avondzon zo ver naar het noordwesten dat deze, ondanks de omliggende bebouwing, de gevel van de Heilig grafkapel bereikt. De rest van het jaar valt er geen direct zonlicht door het venster naar binnen.
Indien het lepe venster inderdaad was ontworpen om de avondzon op te vangen, zoals de kunstenaar aangeeft, zouden bovendien beíde dagkanten van het venster op het noordwesten zijn geprojecteerd. Uit het feit dat de zijkanten van het venster in het verlengde liggen van de wanden van de naastgelegen ruimten – aan de oostkant in het verlengde van de denkbeeldige lijn tussen de twee grote steunberen van het pseudo-transept – blijkt de vormgeving van het lepe venster er daarentegen op gericht om zoveel mogelijk licht te brengen in deze donkere ruimte.

Het moge duidelijk zijn dat de nieuwe kleur van het glas niet goed is onderbouwd. Het rood zou ook nog naar de Rooms-katholieke kerk verwijzen, maar rood is niet méér een katholieke kleur dan de andere kleuren die in de liturgie worden gebruikt. Ook het geopperde idee dat de kleur rood aan de – onbloedige – beeldenstorm refereert, is niet erg doordacht.

Ten aanzien van het monument is natuurlijk het belangrijkste dat door het rode raam de integriteit van de gevel aan de buitenzijde wordt aangetast. Anders dan het bestaande heldere glas, dat zich vanzelfsprekend in de monumentale gevel voegt en een harmonieus geheel vormt met de andere vensters van de Oude kerk, zal het rode raam een opvallend element in de kerkgevel vormen, dat de onderlinge eenheid van de vensters verstoort en de aandacht afleidt van de bijzondere gevel van de kapel. De 'knipoog' naar de rode ramen aan de overzijde van de straat is de enige associatie die direct tot de verbeelding spreekt en voor iedereen eenvoudig is te vatten.
Tijdens de tentoonstelling van de afgelopen maanden hebben we kunnen ervaren dat de rode kleur de kerkruimte zodanig verduistert dat men zich in een donkere kamer waant van een fotografisch atelier. In die zin is het effect van rode ramen onvergelijkbaar met de meerkleurige glas-in-loodramen die in de loop eeuwen in talloze kerken en kathedralen zijn aangebracht. Doordat er geen direct zonlicht in de kapel valt, zal het egaal rode glas de toch al donkere ruimte nog extra verduisteren en de specifieke vormgeving van dit unieke venster teniet doen.

Juliet Oldenburger

[Bezwaarprocedure tegen rood raam Oude Kerk]

Voetnoten
1. Herman Janse, De Oude kerk te Amsterdam, Bouwgeschiedenis en restauratie, Zeist/Zwolle 2004, p. 91, 94 en 450.
2. Janse (2004), p. 419.
3. Janse (2004), p. 91.
4. Idem, p. 60-61; 67.
5. Walich Syvertsz, Roomsche mysterien: ondeckt in een clean tractaetgen, Amsterdam 1604.
6. Janse (2004), p. 122.
7. B. Bijtelaar, 'De kooromgang van de Oude Kerk' in: Jaarboek Amstelodamum 57 (1965), p. 21; H. Janse (2004), p. 122.
8. B.J.M. de Bont, 'De Oude of S. Nicolaaskerk te Amsterdam, hare kapellen, altaren en fundatiën' in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 24 (1899), p. 1-94.
9. Janse (2004), p. 91.
10. J. van Breen, 'De geschiedenis van den bouw der Onze Lieve Vrouwe parochiekerk of Nieuwe Kerk te Amsterdam' in: Jaarboek Amstelodamum 40 (1944), p. 71- 72, en H. Zantkuijl, Bouwen in Amsterdam, Amsterdam 1993/2007, p. 118.
11. Justin E.A. Kroessen, The Sepulchrum Domini Through the Ages, Leuven 2000
12. H. Janse, 'Weitkoperskapel, noorderportaal en Heilig graf van de Oude kerk' in: Jaarboek Amstelodamum 53 (1961), p. 81.
13. Janse (2004), p. 419.
14. Janse (2004), p. 91.
15. B. Bijtelaar, 'Het complex Weitkoperskapel, Noorderportaal en Heilig graf in de Oude Kerk' in: Jaarboek Amstelodamum 53 (1961), p. 85-94. Deze graven zijn in 1597 naar de Hamburgerkapel verplaatst.
16. Idem, p. 91.
17. 'In Nederland zijn er, voor zover bekend, zes voorbeelden: in de Oude of St.-Nicolaaskerk en de Nieuwe of St.-Catharinakerk in Amsterdam, in de St.-Stevenskerk in Nijmegen, in de St.-Maartenskerk in Zaltbommel, in de Lieve-Vrouwebroederschapskapel van de St.-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch en in de Grote of Onze Lieve Vrouwekerk te Breda in de kooromgang'. H.J. Tolboom, Venstertraceringen in Nederland, Zeist/'s-Gravenhage 1998, p. 39.
18. C.J.A.C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch, Zeist 1985, p. 207.
19. H.J. Tolboom, Venstertraceringen in Nederland, Zeist (Rijksdienst voor de Monumentenzorg) / 's-Gravenhage 1998, p. 39: 'In de Oude of St.-Nicolaaskerk in Amsterdam is iets heel anders aan de hand. Daar komt een tracering voor in een kapel waarvan de richting van de montants [en de tracering] getrokken zijn vanuit één punt. Het punt van waaruit deze richting is bepaald, ligt loodrecht achter de linkerzijmontant (als men buiten de kerk staat). De montants staan dus van links naar rechts minder haaks op de wand'.
20. Tolboom (1998), p. 39.
21. Janse (2004), p. 390

(Uit: Binnenstad 287/288, mei/aug. 2018)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.