In de toelichting bij het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) wordt Amsterdam-Noord beschreven als een 'stedenbouwkundige vergissing'. Op kaart A van het uitbreidingsplan zijn de tuindorpen weergegeven als een soort openluchtmuseum. Twee vogelvluchtperspectieven geven een betoverend beeld van Noord zoals het toen was. Maar dat sprookje kon natuurlijk niet eeuwig duren. Zoals ook het hele AUP een illusie bleek te zijn. De gedachte om een stad te bouwen die voor iedereen gelijke kansen biedt, was te hoog gegrepen. Een stad die niet getekend wordt door winstbejag, de oorlog om de vierkante meter, zoals de Berlijnse stedenbouwer Martin Wagner het formuleerde. Een stad met kinderen die buiten spelen in een stedelijke ruimte die kleinschalig en groen is, met een schooltje op loopafstand.
Het is achteraf moeilijk aan te geven waar het is misgegaan. Was de Bijlmer stedenbouwkundige hoogmoed? Heeft de stadsvernieuwing geleid tot een tunnelvisie op woningproductie? Hoe dan ook kwam er in 1993 een einde aan een tijdperk. De traditionele financiering van de sociale woningbouw werd afgeschaft. In de Woningwet van 1901 was geregeld dat woningbouwverenigingen goedkoop geld konden lenen bij het Rijk om goede en betaalbare woningen te bouwen. Dit werd een groot succes dat ook de stedenbouw in een stroomversnelling bracht. De befaamde Afdeling Stadsontwikkeling kon bij de planvorming anticiperen op het streven van de woningbouwverenigingen om zonder winstoogmerk een goede woning te bouwen. Het Grondbedrijf van de Gemeente Amsterdam faciliteerde dit met aangepaste erfpacht tarieven.
Na 1993 konden de woningbouwverenigingen niet meer goedkoop lenen bij het rijk. Daardoor werden ook de marges in de stedenbouw gereduceerd tot een minimum. De woningbouwverenigingen zagen zich genoodzaakt om als projectontwikkelaars geld te verdienen voor de verliesgevende sociale woningbouw. Het idealisme dat ten grondslag had gelegen aan de sociale woningbouw verdampte. En zo verschraalde ook de stedenbouwkundige planvorming, want het Grondbedrijf was natuurlijk niet van plan om die nieuwe commerciële woningbedrijven te subsidiëren met lage erfpachttarieven. Het was, zoals dat geloof ik heet, een perfecte cluster fuck. De Nederlandse woningmarkt werd onderworpen aan de tucht van het internationale grootkapitaal en het Grondbedrijf werd een financiële melkkoe voor de Gemeente Amsterdam. Stedenbouwkundige ontwerpers hadden vervolgens niet veel keus, Amsterdam werd een stad met banale woontorentjes in een wezenloze stedelijke ruimte.
De toekomst zal leren wat al deze nieuwbouw heeft opgeleverd. Ook de negentiende-eeuwse ring is het product van een puur commerciële woningmarkt, maar die oude huurkazernes staan nog aan echte straten, die zijn niet allemaal even vrolijk, maar het is toch een stedelijke ruimte. Le Corbusier sprak altijd smalend over de rue corridor. De straat was natuurlijk taboe in de moderne stedenbouw. De objectieve argumenten daarvoor zijn onweerlegbaar. Het probleem van de voor- en de achterkant, met woningplattegronden in een gesloten bouwblok die geen optimale bezonning hebben, de onbewoonbare woningen in de hoeken. Open bebouwing leek het ei van Columbus, de zogenoemde strokenbouw. Maar ook deze oplossing bleek niet ideaal. Met name de eentonigheid was een punt van kritiek. Het vooroorlogse deel van Bos en Lommer is een goed voorbeeld. In Tuinstad Slotermeer zocht Van Eesteren naar een oplossing, maar echt tevreden was hij niet. Pas na de oorlog, met de hovenverkaveling van Tuindorp Frankendaal, had de Afdeling Stadsontwikkeling een oplossing gevonden die redelijk voldeed. Maar perfect was het niet, omdat de achtertuinen, grenzend aan de openbare ruimte, op den duur werden dichtgezet met blokhutten en schuttingen. In de latere Vinex wijken is weer gekozen voor de traditionele tuinstad oplossing met ruime bouwblokken rond achtertuinen en een straat aan de voorkant.
Van Eesteren hield niet echt van laagbouw, de prachtige wijkjes van Dudok in Hilversum vond hij 'burgerlijk'. Want, zo meende hij, het is niet mogelijk om met eengezinswoningen een echte stedenbouwkundige compositie te maken, in drie dimensies, dat lukt alleen met grote volumes. Wat hij daarmee bedoelde, demonstreert zijn prijsvraagontwerp voor Unter den Linden in Berlijn. Daarmee is hij in 1925 beroemd geworden, inmiddels een eeuw geleden. Het is een ontwerp voor een geheel nieuwe straat, tussen de Brandenburgertor en de Leipzigerstrasse, met twee straatwanden en kantoortorens op de achtergrond die de stedelijke ruimte geleden. De jury, onder leiding van Werner Hegemann, was blijkbaar gecharmeerd van zijn radicale voorstel en bekroonde het ontwerp. Van Eesteren heeft zelfs nog serieus gedacht dat het uitvoerbaar was. Hegemann wist natuurlijk wel beter, maar hij werd blijkbaar gefascineerd door de suggestie om met enorme bouwvolumes toch nog een samenhangende stedelijke ruimte te ontwerpen, met een moderne winkelstraat die ook verticaal tot expressie komt.
Al snel daarna zou Van Eesteren tot bezinning komen. Hegemann wees hem al op de verkeersproblemen die zijn radicale plan met zich meebracht. Dit resulteerde een jaar later in een prijsvraagontwerp voor het centrum van Parijs met kantoortorens en brede autowegen. In 1927 ging hij stedenbouw doceren aan de Bauhochschule in Weimar en daarmee kwam een einde aan zijn jaren als architect van de avant-garde. In Amsterdam bood het Plan in Hoofdzaken hem nog wel de ruimte om serieus stedenbouwkundig werk te doen, met grootschalige infrastructuur, maar het ontwerpen van woonwijken was niet zijn passie. In 1961 kon hij met het Structuurplan voor de Zuidelijke IJsselmeerpolders nog eenmaal gestalte geven aan een grootse stedenbouwkundige gedachte. Maar ook daar is niets van terecht gekomen.
Vincent van Rossem
(Uit: Binnenstad 316/317, voorjaar 2025)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.