De brief luidde: 'Met belangstelling lees ik steeds uw artikelen,
bepleitende het behoud van de oude stad
Amsterdam. Ik zou graag mijn sterke gevoelens op dit gebied in daden willen
omzetten ... Van tijd tot tijd heb ik ook
wel middelen beschikbaar voor de aankoop en het eventueel herstel van gebouwen. Ik denk vooral aan de kleinere huizen die geen monument zijn, en die u in uw artikel van 2 april noemt...'.
Zeer verheugd over deze reactie begaf
ik mij naar de Dirk van Hasseltssteeg,
waar Ruud Meischke bezig was met het
op gang brengen van een Gemeentelijk
Bureau Monumentenzorg. Meischke
noemde het huis Egelantiersstraat 52,
met de gevelsteen 'de schrijvende hand' ,
dat te koop stond. Het was een vroeg-17de-eeuws pand, bouwvallig, maar grotendeels origineel. Wanneer dat huis met
een schenking van de briefschrijver zou
kunnen worden aangekocht door de
Vereniging Hendrick de Keyser ... Zo
gebeurde het.
Meischke, Ton Koot en ik gingen het
huis bekijken. Vanuit de achterramen
zagen wij een binnenplaats tussen twee
rijen verlaten en met klimop overgroeide
hofjeswoningen. Naast het huis met 'de
schrijvende hand' Stond, scheefgezakt
en dichtgetimmerd, een poortgebouw uit
omstreeks 1900 met de gevelsteen
Anslo's Hofje.
Toen vijf jaar later de stichting Diogenes werd opgericht met het doel woon-en werkruimten voor kunstenaars tot stand
te brengen, bij voorkeur in voor het stadsbeeld waardevolle panden, kwam al
spoedig het verlaten Anslo's Hofje op de
agenda. Besloten werd, een brief te
schrijven aan de enige nog in leven zijnde regent met de vraag, of Diogenes het
hofje zou kunnen verwerven om het te
restaureren voor studenten aan de instellingen voor kunstonderwijs. De betrokkene heeft niet meer kunnen antwoorden; enkele weken later overleed hij. Diogenes zond toen een verzoekschrift aan
Gedeputeerde Staten van Noord
Holland om te worden belast met het beheer van dit onroerende goed van een
onbestuurde instelling van weldadigheid. Dat was de procedure van de toen nog geldende Armenwet. Het duurde lang voordat er antwoord kwam, omdat de boedel moest worden uitgezocht. Daarbij bleek dat de stichting Anslo's Hofje, behalve het complex bouwvallen, nog
ander vermogen bezat. Overwegende dat
het beheer meestentijds in handen was
geweest van nakomelingen van de oorspronkelijke stichters, het echtpaar
Claes Claesz. Anslo en Geert Jans,
besloten Gedeputeerde Staten, na raadpleging van de Sociale Raad te Amsterdam, tot bestuursleden van de stichting
Anslo's Hofje te benoemen de heren
T.T.M.H. Bijleveld, mr. P. van Eeghen
en mr. S. P. van Eeghen, als zijnde afstammelingen van genoemde stichters.
Diogenes had inmiddels enkele aan het
hofje grenzende panden en lege percelen
aan de Tuinstraat en de Eerste Egelantiersdwarsstraat aangekocht. De besturen van het Anslo's Hofje en Diogenes
bespraken de mogelijkheden tot samenwerking. Besloten werd, een nieuwe
stichting in het leven te roepen, waarin
van beide zijden de belendende onroerende goederen om niet zouden worden
ingebracht. Mocht het niet lukken de
restauratie van de grond te krijgen, dan
zouden de oprichters hun eigendom terugkrijgen. Als naam werd eerst gedacht aan 'Het jonge Anslo's Hofje' , dit werd
vervangen door Claes Claesz. Hofje. De
naam van de oprichter blijft daardoor
aan het gebouw verbonden, terwijl de
stichting Anslo's Hofje elders werkzaam
is voor bejaardenhuisvesting.
Het bestuur van het Claes Claesz.
Hofje werd gevormd door de drie Anslo
bestuursleden en drie Diogenes
bestuursleden, onder voorzitterschap
van iemand die geen band mocht hebben
met een van de oprichtende stichtingen.
Mej. ir. J. H. Mulder, toen hoofd van de
afdeling Stadsontwikkeling van de
Dienst der Publieke Werken, was bereid,
die functie te vervullen. Op 7 oktober
1965 werd de oprichtingsakte getekend
voor notaris mr. A. G. Lubbers. Om tot
een goed restauratieplan te komen moest
het bezit worden aangevuld met enkele
tussenliggende en aangrenzende panden.
De Vereniging Hendrick de Keyser had
er geen bezwaar tegen om het huis Egelantiersstraat 52, waarmee het verhaal
was begonnen en dat nog niet was gerestaureerd, tegen boekwaarde aan de
nieuwe stichting over te dragen. Daarop
sloot aan het hoekpandje Egelantiersstraat 54 en aan de andere kant
Tuinstraat 39-41 die in de volgende jaren
werden aangekocht. Pogingen om ook
het ontsierende onderstuk Egelantiersstraat 26 te verwerven hadden geen
succes.
Bij de oprichting had de stichting
Claes Claesz. Hofje wel grond en bouwvallen, maar geen geld voor opruimingswerk en voor een restauratieplan. De
eerste middelen kwamen uit de opbrengst van kleine gouden penningen
met de beeldenaar van Hendrick de Keyser en Jacob van Campen die door de juwelier Bernard Schipper in de handel
waren gebracht. Ik had daarvoor de ontwerpen gemaakt, met de afspraak dat
een deel van de opbrengst bestemd zou
worden voor een restauratiewerk in
Amsterdam, aan te wijzen door Burgemeester en Wethouders en de directeur
van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Dat werd het Claes Claesz.
Hofje. Groot was dat bedrag niet, rond
f 13.000, maar het was een begin. Van
de stichting Miniatuurstad Madurodam
kwam een schenking van f 100.000. De
besprekingen met Monumentenzorg
over het plan en de subsidiëring duurden
jaren; de medewerking van die zijde is
van het begin tot het eind voortreffelijk
geweest.
In de herfst van 1968 was het eindelijk zo
ver dat de eerste fase van het grote project, bestaande uit de huisjes van het
oorspronkelijke Anslo's Hofje, kon
worden aanbesteed. Toen daarop aan
sluitend het huis Egelantiersstraat 52 in
de steigers stond, ging de aannemer failliet. De heer C. Voet, die als uitvoerder
de eerste fase had geleid, trad als opzichter in dienst van de stichting en nam het heft in handen.
Het hele plan was gesplitst in fasen die
afzonderlijk werden opgedragen. Deze
werkwijze maakte het mogelijk om wijzigingen aan te brengen aan de hand van
nieuwe ontwikkelingen en van bij de
reeds voltooide delen opgedane ervaringen, en om in verband met ontruimingsproblemen de volgorde te wisselen.
Het complex was grotendeels onbewoonbaar en leeg, alleen in het hoek
pandje Egelantiersstraat woonde een gezin met kinderen dat in een nabijgelegen,
net gerestaureerd Diogenes-huis aan de
Egelantiersgracht een ruimere woning
kreeg, waarvan de huur voor hen werd
verlaagd. In de ernstig bouwvallige panden Egelantiersstraat 28-34 woonde nog
één oude man, voor wie ten slotte een
andere woning verderop in de straat
werd gevonden. De enige ontruiming die
moeite en teveel geld heeft gekost was
die van een handelaar in oude metalen,
die de onderstukken en terreinen aan de
Tuinstraat in gebruik had. De bovenwoningen Tuinstraat 39-41 bleven bewoond en werden daarom buiten het plan gelaten. Dit ter illustratie van de roddelpraat dat door monumentenrestauratie de oorspronkelijke bewoners uit de buurt verdreven worden.
Het Claes Claesz. Hofje is gerestaureerd en herbouwd volgens de ontwerpen van architect Gerard Prins en zijn
medewerker Rob Witsel. Uitgangspunten waren de aanwezige panden Egelantiersstraat 52-54 en de inpandige hofjeshuizen. De rest was gesloopt of onherstelbaar bouwvallig. Bij de herbouw is
zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gegevens over wat er vroeger ter plaatse
had gestaan. Een sprekend voorbeeld
daarvan bood het poortgebouw Egelantiersstraat 36, omstreeks 1900 verhoogd
opgetrokken op de oude fundering en
totaal verzakt. Een 18de-eeuwse tekening gaf aan dat het toen een huis was
van drie lagen met een vliering, achter
een eenvoudige klokgevel, geflankeerd
door een lager gebouwtje, waardoor de
toegang naar de binnenplaats liep. Dit
correspondeerde met de kapvorm van de
op nr. 36 aansluitende hofjesvleugel, wat
tot de conclusie leidde dat nr. 36 en die
zijde van het hofje weer één doorlopende kap moesten krijgen. Uitgaande van
deze maat en de oude tekening kon de
architect de gevel van nr. 36 ontwerpen.
Een bijzonder belangrijk punt was het
interne verkeerssysteem. De oorspronkelijke poort tussen Egelantiersstraat 36 en
52 was nodig als toegang tot de gecombineerde parterreruimte 34-36, waar een
mensa was geprojecteerd. Dat idee werd
later losgelaten, het is een café
restaurant geworden. Een nieuwe toegang naar de binnenplaatsen werd daar
om door het oostelijk aangrenzende
pand gelegd, waarop tevens het trappehuis naar de bovenwoningen uitkomt.
Aan de westzijde in de Egelantiers
dwarsstraat werd een overbouwde toegang gemaakt tussen de hoekpanden en
de kapgevel van de smalle hofjesvleugel.
Op het snijpunt van beide toegangswegen staat als een sprekend verticaal accent de roodgeschilderde uitgebouwde
traptoren naar de bovenwoningen aan
de Tuinstraatzijde. Tegen de achterwand
tussen de twee vleugels van het oude hofje stond een houten gebouwtje, waar
vroeger de twee 'sekreten' waren, de enige sanitaire voorziening voor de bejaarde bewoonsters. Ook dat gebouwtje
werd opnieuw opgetrokken, en het bevat
nu de transformator van het Gemeente
energiebedrijf. In de herbouwde panden
Tuinstraat 43-45-47-49 zijn de houten
puien toegepast van panden die kort te
voren in de Vinkenstraat waren gesloopt
en op nr. 47 prijkt een fraaie zandstenen
gevelbekroning die afkomstig is van een
pand aan de Nieuwendijk. De brokstukken hadden tientallen jaren rondgezworven van de ene opslag van bouwmaterialen naar de andere, totdat ik hen vond
op een werf in Zierikzee. Het restauratieatelier Uilenburg zorgde voor vakkundig herstel van het natuursteenwerk, en
leverde ook verschillende andere decoratieve onderdelen van het hofje.
In december 1973, vijf jaar na de aanvang, was het grote werk voltooid. Honderden, meest jonge mensen hebben er
sindsdien voor kortere of langere tijd gewoond. De kleinste kamers dienen als
opvang voor nieuwe bewoners; zodra er
een grotere ruimte vrijkomt kunnen zij
doorschuiven. Voor het studentendeel
geldt de regel dat men na beëindiging
van de studie moet vertrekken, maar het
komt voor dat iemand die als student in
het hofje heeft gewoond, jaren later terugkomt in een van de woningen voor
blijvende verhuur. Uit vele getuigenissen
weten wij dat de sfeer en de intimiteit
van het Claes Claesz. Hofje bijzonder
worden gewaardeerd.
Daarmee wil niet
beweerd worden dat de hier gevolgde
methode de enig juiste zou zijn in de Jordaan. Woningwetbouw en vooral woningwetfinanciering zijn onmisbaar om
in de Jordaan een voldoend aantal woningen van behoorlijke kwaliteit en voor
modale inkomens betaalbaar huurniveau
te krijgen. Van het aantal bewoners
hangt het voortbestaan af van winkels,
scholen en tal van andere voorzieningen.
De betekenis van het Claes Claesz. Hofje, juist in de kritieke overgangsfase van sloopplan naar herstelplan, is geweest
dat hier in de praktijk werd aangetoond,
hoe een complex van 23 panden, met
handhaving van zijn fijnmazige structuur en zijn historische gestalte, en voor
zien van moderne installaties, in onze
tijd kan functioneren. Het is niet bij dit
ene voorbeeld gebleven: schuin tegenover het Claes Claesz. Hofje heeft de Gemeente later in het z.g. Berro-complex
een soortgelijke werkwijze toegepast. Er
zullen nog heel wat van dergelijke projecten nodig zijn, van particulieren en
van de overheid, voordat het verval in de
Jordaan is overwonnen.
Geurt Brinkgreve
(Uit: De Lamp van Diogenes 84, februari 1984)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.