Hoe het Claes Claesz. Hofje tot stand kwam

et verhaal begint met een brief van 25 mei 1955, op papier van het Consulaat Generaal der Nederlanden in Sao Paulo. Ik had toen enkele weekbladartikelen gepubliceerd over de gestaag voortgaande sloping van historische huizen in Amsterdam.

De binnenplaats van het Claes Claesz. hofje vóór restauratie
De binnenplaats van het Claes Claesz. hofje vóór restauratie

De brief luidde: 'Met belangstelling lees ik steeds uw artikelen, bepleitende het behoud van de oude stad Amsterdam. Ik zou graag mijn sterke gevoelens op dit gebied in daden willen omzetten ... Van tijd tot tijd heb ik ook wel middelen beschikbaar voor de aankoop en het eventueel herstel van gebouwen. Ik denk vooral aan de kleinere huizen die geen monument zijn, en die u in uw artikel van 2 april noemt...'.
Zeer verheugd over deze reactie begaf ik mij naar de Dirk van Hasseltssteeg, waar Ruud Meischke bezig was met het op gang brengen van een Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg. Meischke noemde het huis Egelantiersstraat 52, met de gevelsteen 'de schrijvende hand' , dat te koop stond. Het was een vroeg-17de-eeuws pand, bouwvallig, maar grotendeels origineel. Wanneer dat huis met een schenking van de briefschrijver zou kunnen worden aangekocht door de Vereniging Hendrick de Keyser ... Zo gebeurde het.
Meischke, Ton Koot en ik gingen het huis bekijken. Vanuit de achterramen zagen wij een binnenplaats tussen twee rijen verlaten en met klimop overgroeide hofjeswoningen. Naast het huis met 'de schrijvende hand' Stond, scheefgezakt en dichtgetimmerd, een poortgebouw uit omstreeks 1900 met de gevelsteen Anslo's Hofje.
Toen vijf jaar later de stichting Diogenes werd opgericht met het doel woon-en werkruimten voor kunstenaars tot stand te brengen, bij voorkeur in voor het stadsbeeld waardevolle panden, kwam al spoedig het verlaten Anslo's Hofje op de agenda. Besloten werd, een brief te schrijven aan de enige nog in leven zijnde regent met de vraag, of Diogenes het hofje zou kunnen verwerven om het te restaureren voor studenten aan de instellingen voor kunstonderwijs. De betrokkene heeft niet meer kunnen antwoorden; enkele weken later overleed hij. Diogenes zond toen een verzoekschrift aan Gedeputeerde Staten van Noord Holland om te worden belast met het beheer van dit onroerende goed van een onbestuurde instelling van weldadigheid. Dat was de procedure van de toen nog geldende Armenwet. Het duurde lang voordat er antwoord kwam, omdat de boedel moest worden uitgezocht. Daarbij bleek dat de stichting Anslo's Hofje, behalve het complex bouwvallen, nog ander vermogen bezat. Overwegende dat het beheer meestentijds in handen was geweest van nakomelingen van de oorspronkelijke stichters, het echtpaar Claes Claesz. Anslo en Geert Jans, besloten Gedeputeerde Staten, na raadpleging van de Sociale Raad te Amsterdam, tot bestuursleden van de stichting Anslo's Hofje te benoemen de heren T.T.M.H. Bijleveld, mr. P. van Eeghen en mr. S. P. van Eeghen, als zijnde afstammelingen van genoemde stichters.

Een nieuwe stichting

Diogenes had inmiddels enkele aan het hofje grenzende panden en lege percelen aan de Tuinstraat en de Eerste Egelantiersdwarsstraat aangekocht. De besturen van het Anslo's Hofje en Diogenes bespraken de mogelijkheden tot samenwerking. Besloten werd, een nieuwe stichting in het leven te roepen, waarin van beide zijden de belendende onroerende goederen om niet zouden worden ingebracht. Mocht het niet lukken de restauratie van de grond te krijgen, dan zouden de oprichters hun eigendom terugkrijgen. Als naam werd eerst gedacht aan 'Het jonge Anslo's Hofje' , dit werd vervangen door Claes Claesz. Hofje. De naam van de oprichter blijft daardoor aan het gebouw verbonden, terwijl de stichting Anslo's Hofje elders werkzaam is voor bejaardenhuisvesting.
Het bestuur van het Claes Claesz. Hofje werd gevormd door de drie Anslo bestuursleden en drie Diogenes bestuursleden, onder voorzitterschap van iemand die geen band mocht hebben met een van de oprichtende stichtingen. Mej. ir. J. H. Mulder, toen hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken, was bereid, die functie te vervullen. Op 7 oktober 1965 werd de oprichtingsakte getekend voor notaris mr. A. G. Lubbers. Om tot een goed restauratieplan te komen moest het bezit worden aangevuld met enkele tussenliggende en aangrenzende panden. De Vereniging Hendrick de Keyser had er geen bezwaar tegen om het huis Egelantiersstraat 52, waarmee het verhaal was begonnen en dat nog niet was gerestaureerd, tegen boekwaarde aan de nieuwe stichting over te dragen. Daarop sloot aan het hoekpandje Egelantiersstraat 54 en aan de andere kant Tuinstraat 39-41 die in de volgende jaren werden aangekocht. Pogingen om ook het ontsierende onderstuk Egelantiersstraat 26 te verwerven hadden geen succes.
Bij de oprichting had de stichting Claes Claesz. Hofje wel grond en bouwvallen, maar geen geld voor opruimingswerk en voor een restauratieplan. De eerste middelen kwamen uit de opbrengst van kleine gouden penningen met de beeldenaar van Hendrick de Keyser en Jacob van Campen die door de juwelier Bernard Schipper in de handel waren gebracht. Ik had daarvoor de ontwerpen gemaakt, met de afspraak dat een deel van de opbrengst bestemd zou worden voor een restauratiewerk in Amsterdam, aan te wijzen door Burgemeester en Wethouders en de directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Dat werd het Claes Claesz. Hofje. Groot was dat bedrag niet, rond f 13.000, maar het was een begin. Van de stichting Miniatuurstad Madurodam kwam een schenking van f 100.000. De besprekingen met Monumentenzorg over het plan en de subsidiëring duurden jaren; de medewerking van die zijde is van het begin tot het eind voortreffelijk geweest.

Uitvoering


De hoek Eerste Egelantiersdwarsstraat - Egelantiersstraat na restauratie.
De hoek Eerste Egelantiersdwarsstraat - Egelantiersstraat na restauratie.

In de herfst van 1968 was het eindelijk zo ver dat de eerste fase van het grote project, bestaande uit de huisjes van het oorspronkelijke Anslo's Hofje, kon worden aanbesteed. Toen daarop aan sluitend het huis Egelantiersstraat 52 in de steigers stond, ging de aannemer failliet. De heer C. Voet, die als uitvoerder de eerste fase had geleid, trad als opzichter in dienst van de stichting en nam het heft in handen.
Het hele plan was gesplitst in fasen die afzonderlijk werden opgedragen. Deze werkwijze maakte het mogelijk om wijzigingen aan te brengen aan de hand van nieuwe ontwikkelingen en van bij de reeds voltooide delen opgedane ervaringen, en om in verband met ontruimingsproblemen de volgorde te wisselen. Het complex was grotendeels onbewoonbaar en leeg, alleen in het hoek pandje Egelantiersstraat woonde een gezin met kinderen dat in een nabijgelegen, net gerestaureerd Diogenes-huis aan de Egelantiersgracht een ruimere woning kreeg, waarvan de huur voor hen werd verlaagd. In de ernstig bouwvallige panden Egelantiersstraat 28-34 woonde nog één oude man, voor wie ten slotte een andere woning verderop in de straat werd gevonden. De enige ontruiming die moeite en teveel geld heeft gekost was die van een handelaar in oude metalen, die de onderstukken en terreinen aan de Tuinstraat in gebruik had. De bovenwoningen Tuinstraat 39-41 bleven bewoond en werden daarom buiten het plan gelaten. Dit ter illustratie van de roddelpraat dat door monumentenrestauratie de oorspronkelijke bewoners uit de buurt verdreven worden.
Het Claes Claesz. Hofje is gerestaureerd en herbouwd volgens de ontwerpen van architect Gerard Prins en zijn medewerker Rob Witsel. Uitgangspunten waren de aanwezige panden Egelantiersstraat 52-54 en de inpandige hofjeshuizen. De rest was gesloopt of onherstelbaar bouwvallig. Bij de herbouw is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gegevens over wat er vroeger ter plaatse had gestaan. Een sprekend voorbeeld daarvan bood het poortgebouw Egelantiersstraat 36, omstreeks 1900 verhoogd opgetrokken op de oude fundering en totaal verzakt. Een 18de-eeuwse tekening gaf aan dat het toen een huis was van drie lagen met een vliering, achter een eenvoudige klokgevel, geflankeerd door een lager gebouwtje, waardoor de toegang naar de binnenplaats liep. Dit correspondeerde met de kapvorm van de op nr. 36 aansluitende hofjesvleugel, wat tot de conclusie leidde dat nr. 36 en die zijde van het hofje weer één doorlopende kap moesten krijgen. Uitgaande van deze maat en de oude tekening kon de architect de gevel van nr. 36 ontwerpen.
Een bijzonder belangrijk punt was het interne verkeerssysteem. De oorspronkelijke poort tussen Egelantiersstraat 36 en 52 was nodig als toegang tot de gecombineerde parterreruimte 34-36, waar een mensa was geprojecteerd. Dat idee werd later losgelaten, het is een café restaurant geworden. Een nieuwe toegang naar de binnenplaatsen werd daar om door het oostelijk aangrenzende pand gelegd, waarop tevens het trappehuis naar de bovenwoningen uitkomt. Aan de westzijde in de Egelantiers dwarsstraat werd een overbouwde toegang gemaakt tussen de hoekpanden en de kapgevel van de smalle hofjesvleugel. Op het snijpunt van beide toegangswegen staat als een sprekend verticaal accent de roodgeschilderde uitgebouwde traptoren naar de bovenwoningen aan de Tuinstraatzijde. Tegen de achterwand tussen de twee vleugels van het oude hofje stond een houten gebouwtje, waar vroeger de twee 'sekreten' waren, de enige sanitaire voorziening voor de bejaarde bewoonsters. Ook dat gebouwtje werd opnieuw opgetrokken, en het bevat nu de transformator van het Gemeente energiebedrijf. In de herbouwde panden Tuinstraat 43-45-47-49 zijn de houten puien toegepast van panden die kort te voren in de Vinkenstraat waren gesloopt en op nr. 47 prijkt een fraaie zandstenen gevelbekroning die afkomstig is van een pand aan de Nieuwendijk. De brokstukken hadden tientallen jaren rondgezworven van de ene opslag van bouwmaterialen naar de andere, totdat ik hen vond op een werf in Zierikzee. Het restauratieatelier Uilenburg zorgde voor vakkundig herstel van het natuursteenwerk, en leverde ook verschillende andere decoratieve onderdelen van het hofje.

Hoe het hofje functioneert

In december 1973, vijf jaar na de aanvang, was het grote werk voltooid. Honderden, meest jonge mensen hebben er sindsdien voor kortere of langere tijd gewoond. De kleinste kamers dienen als opvang voor nieuwe bewoners; zodra er een grotere ruimte vrijkomt kunnen zij doorschuiven. Voor het studentendeel geldt de regel dat men na beëindiging van de studie moet vertrekken, maar het komt voor dat iemand die als student in het hofje heeft gewoond, jaren later terugkomt in een van de woningen voor blijvende verhuur. Uit vele getuigenissen weten wij dat de sfeer en de intimiteit van het Claes Claesz. Hofje bijzonder worden gewaardeerd.
Daarmee wil niet beweerd worden dat de hier gevolgde methode de enig juiste zou zijn in de Jordaan. Woningwetbouw en vooral woningwetfinanciering zijn onmisbaar om in de Jordaan een voldoend aantal woningen van behoorlijke kwaliteit en voor modale inkomens betaalbaar huurniveau te krijgen. Van het aantal bewoners hangt het voortbestaan af van winkels, scholen en tal van andere voorzieningen. De betekenis van het Claes Claesz. Hofje, juist in de kritieke overgangsfase van sloopplan naar herstelplan, is geweest dat hier in de praktijk werd aangetoond, hoe een complex van 23 panden, met handhaving van zijn fijnmazige structuur en zijn historische gestalte, en voor zien van moderne installaties, in onze tijd kan functioneren. Het is niet bij dit ene voorbeeld gebleven: schuin tegenover het Claes Claesz. Hofje heeft de Gemeente later in het z.g. Berro-complex een soortgelijke werkwijze toegepast. Er zullen nog heel wat van dergelijke projecten nodig zijn, van particulieren en van de overheid, voordat het verval in de Jordaan is overwonnen.

Geurt Brinkgreve

(Uit: De Lamp van Diogenes 84, februari 1984)

Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.