De gegevens zijn namelijk
geput uit een uitvoerige nota van de stichting Diogenes die eind januari aan B & W
werd overhandigd, met de mededeling dat het e.e.a. nog in een stadium van
vertrouwelijk vooroverleg verkeerde. Na besprekingen die zich over meerdere jaren
hebben uitgestrekt, hadden wij van de erven Tabak een optie verkregen op het gehele
huizenbezit in de binnenstad, ca. 150 panden, met uitzondering van de garages.
Het plan was om dit bezit in een tijdelijke beheersstichting onder te brengen, waar
van het bestuur zou worden gevormd door vertegenwoordigers van de gemeente,
de grote restaurerende instellingen en de bank die de aankoop zou financieren.
Het verspreide en van kwaliteit ongelijksoortige huizenbezit moest dan geleidelijk
worden opgedeeld onder degenen die voor elk object de beste rehabiltatiekansen
kunnen bieden: de gemeente, woningcorporaties, de restaurerende instellingen of particulieren.
Van de gemeente werd medewerking gevraagd in de vorm van een garantie voor de te sluiten lening. Na een eerste gesprek ten stadhuize, zou begin maart een bespreking volgen met alle betrokkenen om de zaak rond te krijgen".
Inplaats van de uitnodiging voor die vergadering kreeg ik een maand later een kort telefoontje van wethouder Lammers dat de gemeente het huizen-bezit zelf wilde kopen, en vóórdat het toen afgesproken overleg plaats kon vinden lees ik het verhaal in de krant met de motivering dat de gemeente de touwtjes zelf in handen wil hebben.
Zo gaat dat in Amsterdam wanneer particulieren belangeloos proberen samen met de gemeente een voor de stad belangrijke zaak van de grond te krijgen.
Was niet de motivering van de "pilot-projects" in het Monumentenjaar om internationaal te tonen wat samenwerking tussen overheid en particulier initiatief tot stand vermag te brengen' Zonder commentaar, gebruik makend van vertrouwelijk overgelegde gegevens, trekt de gemeente het door anderen gedane voorbereidende werk tot zich. Men moet wel een sterke genegenheid voor de stad hebben om dan niet de veel gehoorde conclusie te trekken: laat de heren dan zelf de rommel maar opruimen, voor mij kan Amsterdam doodvallen.
Volgens de veel geciteerde opmerking van Wibaut gaat in Amsterdam de regenten tijd nooit voorbij. Telkens opnieuw blijken er instanties en bestuurders te zijn die zich de allure van een absolute monarchie aanmeten: de staat, dat ben ik, de koning kan geen onrecht begaan, en des konings wil is wet. Is hun handelswijze in strijd met de "zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt", dan gebeurt dat om redenen van staatsbelang, en dat is boven de wet verheven.
Ik vraag mij af wat er van de Amsterdamse binnenstad over zou zijn zonder de dwarsliggers, de particulieren die telkens met bezwaren en initiatieven komen. Een gedempte Reguliersgracht, het Huis de Pinto weg, de Jordaan voor driekwart gesloopt, de doorbraken Bakkersstraat en Elandsgracht-Rosmarijnsteeg gerealiseerd, geen Heemschut, Hendrick de Keyser, Stadsherstel, Diogenes, Claes Claesz Hofje of Aristoteles, geen honderden woonhuisrestauraties door particulieren, geen woning bouw op het Bickerseiland, universiteitskolossen op Uilenburg, kortom een pure puinhoop, in een aureool van bestuurlijke onfeilbaarheid. Wanneer zouden de machthebbers op het Prinsenhof en het Wibauthuis ooit tot het inzicht komen dat, ten eerste, onbeperkte uitbreiding van de gemeentelijke invloedssfeer echt niet altijd in het belang is van de stad en van haar bewoners, en ten tweede dat men elders in Nederland het begrip "normen van behoorlijk bestuur" hanteert?
Bij het ter perse gaan van dit nummer is de zaak beklonken: de stichtingen Aristoteles en Diogenes kopen 16 panden uit de boedel, de gemeente ontfermt zich over de rest . . .
Geurt Brinkgreve
(Uit: De Lamp van Diogenes 32, juni 1975)
Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.
Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.
Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.