Opening tentoonstelling Wenckebachs Amsterdam

Op 10 september 1970 opende Mr. Jan Korf, hoofddirekteur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, in de expositiezalen van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten de tentoonstelling 'Wenckebach 's Amsterdam'. Uit zijn rede laten wij hier enkele passages volgen.

"Dezer dagen werd ik geplaatst voor de vraag, of monumentenzorg, voor zover een taak van de rijksoverheid, niet beter dan bij het Ministerie van Cultuur ondergebracht zou kunnen worden bij dat van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Nu zijn voor beide onderschikkingen argumenten pro en contra aan te voeren. Dat monumentenzorg, de zorg voor het behoud van historische bouwwerken en - gelukkig hoe langer hoe meer - ook de zorg voor het behoud en de regeneratie van hele dorpen, stadjes en delen van grote steden, een zaak van cultuur is, lijkt mij buiten kijf, welke inhoud men aan het begrip 'cultuur' ook wil geven. Dat monumenten zorg, ook een zaak is van behoud, herstel of zelfs herschepping van een harmonische ruimtelijke ontwikkeling en indirect, wat de woonhuizen betreft, de volkshuisvesting dient, is al evenmin voor betwisting vatbaar. En als ik van de overheidszorg voor monumenten overstap naar de particuliere activiteiten op dat stuk, dan komen beide aspecten (kortheidshalve: het culturele en het materiële) al even duidelijk naar voren. Diogenes is gelukkig niet de enige, ook niet de eerste, actieve organisatie. Maar in deze stichting is de combinatie van cultuur en huisvesting wel héél duidelijk. Het verwerven en herstellen van oude panden met name ter verkrijging van woon- en werkruimte voor kunstenaars is het doel, dat bereikt is en toch steeds weer voor ogen staat, want het aantal potentiële objecten is heel groot. Bestuur van Diogenes, dank voor wat U deed, en ga zo voort. En zie dit niet als een aansporing, want die hebt U niet nodig, maar als een hartekreet van iemand, die ambtelijk en privé Uw voort-gaan met vreugde ziet. Zantkuijl is zijn beschouwing in Uw Jubileumboek met een vraagteken begonnen: Diogenes, wat nu? Hij ziet de achteruitgang van de binnenstad, en de vele gaten, en doet suggesties voor het opvullen ervan. Hij eindigt met een uitroep: Diogenes, maak een begin!
De tegenstelling tussen Zantkuijls 'maak een begin'! , en mijn 'ga voort' is slechts schijnbaar. Het gaat ons beiden, het gaat Diogenes, om hetzelfde: het handhaven of weer terugbrengen van de menselijke maat in steen, zonder welke Amsterdam niet Amsterdam kan zijn. Om één buurt speciaal te noemen: de Jordaan is, ondanks alle aanslagen op zijn leven, nog niet verloren. Als het lukt de Jordaan weer gezond te maken (en het kán, als Amsterdam wil, en dan ook wérkelijk gezond en zonder kunstledematen en kunstgebit, zonder kunsthart en kunstaders), dan kan Diogenes met recht en reden zeggen: ik heb, in de Eerste Tuindwarsstraat, de eerste lepel medicijn toegediend. Natuurlijk moet Artis blijven, van de papegaaienlaan af tot de zeeleeuwen toe. Maar buiten het hek kunnen wij - de oude Griek zou mij het beeld niet kwalijk nemen - de bonte hond Diogenes niet missen, evenmin als zijn wat deftiger soortgenoten. Zij zijn de heemhonden, die waakzaam en actief moeten blijven, die allen, die stukje bij beetje Amsterdam van haar luister beroven, bij de broekspijp moeten grijpen. Laten die dieven (want dat zijn ze, ook al zijn ze zich dat niet allen bewust) maar gerust daarvan schrikken. Misschien komen ze tot inkeer. In de - ook al Bonte - Os, kunnen ze altijd nog op hun verhaal komen en een reclasseringscursus volgen'.
Maar ondanks het feit, dat de grauwheid van de stad ook uit Wenckebachs Amsterdam vaak naar voren springt, is er bij hem geen somberheid óm de somberheid, geen droefenis om het vervallene van een buurt, maar een fijnvoelende poging om een gebouw, een straatwand, een hoekje van de stad haast documentair vast te leggen, registrerend meer dan scheppend, maar in die registratie van een intens beleven en van een liefde, die tot een Amsterdam van Wenckebach leidden, dat het werkelijke stadsbeeld weergaf zoals het zich aan een gevoelig oog voordeed. Er zijn al eerder Wenckebach-tentoonstellingen gehouden; zijn eerste werk werd al geëxposeerd toen hij amper 20 jaar was, wat toen uitzonderlijker was dan nu. In het kader van deze dag mag ik niet onvermeld laten de tentoonstellingen in 1935 in het Utrechtse Centraal Museum (Wenckebach leefde toen nog) en vooral de Amstelodamum-tentoonstelling van tien jaar geleden. Dat er na de Nieuwsvan-den-Dag-uitgave nóg enkele uitgaven van zijn Amsterdamse werk zijn geweest, veronderstelde ik al bij ieder van U bekend. De huidige is zonder twijfel in verzorging de fraaiste, terwijl reeds het formaat de werken meer recht doet dan elk der vorige.
Mijnheer de voorzitter van Diogenes, U hebt mij verzocht deze tentoonstelling te openen. lk wil dat doen zonder het uitspreken van de geijkte formule, maar door het aanhalen van een passage uit een boek, geschreven door iemand, die in 1906 is geboren en die te vroeg is heengegaan. Als ik deze schrijver citeer, dan moet een ieder, die later ter wereld kwam, daaruit geen verkeerde conclusie trekken. Het is - gelukkig: onder anderen - juist een man als Wenckebach, die het ook jongeren mogelijk maakte, maakt en zal blijven maken het oude Amsterdam te proeven, om te treuren om wat ging, maar ook opdat ieder op zijn plaats en wijze (bijvoorbeeld door steun aan de Stichting Diogenes, maar er zijn talloze mogelijkheden) kan helpen om het Amsterdam van vandaag zichzelf te laten blijven, om deze stad voor verdere schendingen te sparen en om haar op vele plaatsen te rehabiliteren, dat is meer en beter bewoonbaar en werkelijk leefbaar te maken, als stad van ons aller hart. lk lees U voor van Fred Thomas: 'Zeker, nu weet ik meer van die stad, ik heb haar leeren begrijpen en zij is mij steeds dierbaarder geworden. Er is immers geen tweede periode in heel haar geschiedenis, die zóó door kunstenaars werd gepeild in haar diepste wezen en naarstig uitgebeeld voor het nageslacht als dat nabije verleden rondom de eeuwwisseling. Daarom ben ik zoo dankbaar voor mijn geboortejaar 1906, dat mij die tijd nog juist beleven liet. Want zonder den achtergrond van de eigen ervaring had ik dit Amsterdam nooit kunnen proeven en genieten als ik nu doe bij het zien van Breitner, Witsen, Wenckcbach'."

(Uit: De Lamp van Diogenes 15, december 1970)

Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.