Het Bethaniënklooster

Theorie en praktijk in het restauratiewerk

Barndesteeg 6
De theoretische principes zijn bekend: behouden gaat vóór vernieuwen, de bouwgeschiedenis moet worden gerespecteerd en historische reconstructies zijn verboden. Akkoord, maar hoe werkt dat uit op de bouwplaats?

Nadat Amsterdam zich in 1578 had aangesloten bij de opstand tegen de Spanjaarden werden de onteigende kloostergoederen geleidelijk verkaveld en verkocht. De noordelijke vleugel van het Bethaniënklooster- het enige stuk dat van de talrijke middeleeuwse kloosters is overgebleven - kwam in handen van twee vermogende burgers die elk in hun eigen helft woningen lieten inrichten. De bankier Leenaert Raye vond echter de ruimte te klein in het huidige nummer Barndesteeg 6, hij liet aan de achterzijde naar de Hoogkamersgang een stuk aanbouwen van 12 bij 4,5 m, bestaande uit begane grond, een hoge woonverdieping en een kapverdieping met vliering.

Stoep en ingangspartij uit circa 1590 (restauratietekening)

Een fraaie natuurstenen poort, bekroond door zijn wapenschild, bewaart aan de Barndesteeg de herinnering aan deze bouwheer. De uitbouw naar de Hoogkamersgang heeft de eeuwen minder goed doorstaan door de poort. Er is zoveel aan verbouwd - om niet te zeggen gerommeld - dat van een oorspronkelijke indeling niets meer te vinden is. Waarschijnlijk heeft de zijgevel kruiskozijnen gehad, onder de nog aanwezige spaarbogen met zandstenen sluit- en zijblokjes. Later zijn die kozijnen vervangen door grotere, met schuiframen die door de zandstenen band 'heenzakten'. Op de begane grond werd ook de plaats van de ramen veranderd, zodat de muurdammen daarboven op een bovendorpel kwamen te rusten, wat de soliditeit van de gevel verzwakte. Ten slotte werd de muur met cementmortel gepleisterd, de goedkoopste manier om oud metselwerkdat poreus is geworden, weer enigszins waterdicht te maken. Toen vijftien jaar geleden in opdracht van het Grondbedrijf de eerste herstellingen werden uitgevoerd moest het bovenste deel worden gesloopt en weer opgemetseld om de nieuwe kap een gezond draagvlak te geven. Bij het onderzoek dat aan de nu begonnen restauratie voorafging, bleek dat van de onderste twee en een halve meter muur de baksteen zó ver was vergaan dat het constructief niet verantwoord zou zijn dat deel te handhaven. Met balansstutten wordt de resterende muur opgevangen om daaronder het verkruimelde oude werk te kunnen vervangen door nieuwe. Voor een monumenten-verdediger is het altijd een verdrietig gezicht om de helderrode baksteen uit 1600 te zien verdwijnen in de puinbak, maar wanneer de stenen gebroken of verweerd zijn, en aan elkaar geklonterd met harde specie, dan is het mooie bouwmateriaal na bijna vierhonderd jaar inderdaad puin geworden. De machinaal gevormde en onder hoge temperatuur gebakken klinkers zijn niet mooi, maar wel sterker dan de handgevormde, in veldovens gebakken stenen ooit geweest zijn. De oude muur heeft eertijds schoon metselwerk getoond met zorgvuldige voegen, de zandstenen blokken en band waren waarschijnlijk helder geschilderd. Dat kan niet meer, het is een lappendeken geworden die opnieuw moet worden gepleisterd. Alleen de dammen tussen de ramen van de hoofdverdieping bestaan nog uit oorspronkelijk materiaal. De ramen zelf behouden hun 18de-eeuwse vorm, die op zichzelf fraai is, maar eigenlijk niet past in het ritme van de gevel. Vijftig jaar geleden zou men het anders hebben aangepakt. Dan zouden de ramen gereconstrueerd zijn in hun gedaante uit 1600, met kruiskozijnen en waarschijnlijk met luiken, en dan zou de gevel in zijn geheel opnieuw zijn opgetrokken in handvormsteen van het oorspronkelijke formaat, hetzij afkomstig uit slopingen elders, hetzij nieuw gebakken. Het resultaat zou ongetwijfeld architectonisch gaver zijn geworden, maar minder authentiek. Nu wordt tenminste een stuk van de originele muur gehandhaafd, en blijkt uit de raamvorm dat reeds in de 18de eeuw een grondige verbouwing heeft plaatsgevonden. Is de ene methode beter dan de andere? Voor beide opvattingen zijn steekhoudende argumenten aan te voeren.

Noordgevel aan Barndesteeg
Zuidgevel aan Hoogkamersgang
vóór restauratie
Noordgevel aan Barndesteeg
(restauratietekening)
Zuidgevel aan Hoogkamersgang
(restauratietekening)

Wel kan uit dit praktijkgeval worden geconcludeerd dat de realiteit van de bouwplaats héél ver verwijderd is van de restauratiefilosofie uit de kunsthistorische studeerkamer. Het originele stuk muur zal straks verdwijnen achter een nieuwe pleisteriaag, zodat niemand meer kan zien, welke delen uit 1600,1750,1975 of 1988 dateren.

Behoud en vernieuwing houtconstructies

Interieur na uitpellen

Nog onduidelijker dan bij metselwerk is de grens tussen behouden en vernieuwen bij houtconstructies. Rotting door lekkage, zwam, houtworm en boktortasten het hout aan, nog afgezien van verbouwingen in verband met een veranderd gebruik of wijziging van decoratiestijl. De bewaard gebleven vleugel van het Bethaniënklooster uit omstreeks 1450 is, zoals toen gebruikelijk, gebouwd met een zwaar houtskelet van eiken muurstijlen, geprofileerde korbeels, moerbalken en kinderbinten. Toen het grootste deel van het gebouw kort na 1700 werd ingericht tot oud-katholieke schuilkerk, heeft men daar één balklaag losgemaakt, deze laten zakken tot boven de gewelfruggen van het souterrain en dichtgevloerd. Die balken zijn teruggevonden onder de vergane vloerplanken, helaas aangetast door zwam. Bij de verbouwing tot kerk zijn de muurstijlen afgezaagd, het gehandhaafde bovenstuk werd ondersteund door een stevige lijst die tevens diende als aanzet voor een gewelf van stuc op latten. Dat stuc gewelf is ingestort tijdens de eerste herstelwerkzaamheden vijftien jaar geleden, zodat het oude plafond weer in het zicht kwam. Het gebouw wordt sindsdien overeind gehouden door een inwendige stutconstructie, anders zou het schuin wegzakken naar de Barndesteeg.

Behouden of vernieuwen

Alweer de vraag: behouden of vernieuwen? Een middeleeuws houtskelet is in Amsterdam een belangrijk architectuur-historisch gegeven. Behouden betekent echterwel dat er heel wat vergaan of aangetast hout moet worden vervangen door gezond eikehout in dezelfde vorm, dus materiële vernieuwing tot behoud van een historisch uiterlijk. Een hersteld houtskelet zal echter geen constructieve functie meer hebben; boven en los van de oude balklaag komt een nieuwe vloerdragende constructie, terwillevan de stabiliteit en de geluidsisolatie. Bovendien is de vraag gesteld, of het vroeg-18de-eeuwse stucgewelf niet teruggebracht zou moeten worden. Ook dat is een architectuur-historisch gegeven, alleen: het bestaat niet meer, aan de beide kopgevels is alleen nog de vorm herkenbaar. Reconstructie van het stucgewelf betekent wederom aan het zicht onttrekken van het middeleeuwse plafond, en is op zichzelf een stukje namaak bouwgeschiedenis, wat óók niet mag volgend het boekje. Vermoedelijk zal de conclusie zijn dat van het stucgewelf de aanzetbogen aan de kopgevels zichtbaar worden gehouden en dat verder het houtskelet, voor zover nog aanwezig, wordt gerestaureerd. Dat zal aan de zeven meter hoge zaal een bijzonder cachet geven. De bezoeker krijgt dan wel een historische zoekplaat te zien: een middeleeuws plafond boven een vroeg-18de- eeuwse kerkruimte die behalve aan de aanduiding van het gewelf, herkenbaar is aan de lijst onder de ingekorte muurstijlen en het balkon, met aan de linkerzijde vermoedelijk uit omstreeks 1860 daterende kerkramen. Wanneer wij ons voorstellen, hoe die zaal, twintig meter diep en even breed als hoog, voorzien van een stijlvolle inrichting en verlichting, moet gaan functioneren voor kamermuziek-concerten en andere bijeenkomsten, dan worden die heterogene interieur-elementen opgenomen in een accommodatie van en voor onze tijd, met een perspectief naar het verleden en - naar wij verwachten - naar de toekomst. Want uiteindelijk is dat de drijfkracht van de inspanningen om een vervallen monument weer in goede staat te brengen. Beurtelings gaat het om behouden, vernieuwen, reconstructie, bouwgeschiedenis, constructief herstel en aanpassen aan nieuwe gebruikseisen. Op de keuzen die telkens moeten worden gemaakt, heeft de 'tand des tijds' meer invloed dan welke restauratiefilosofie ook.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 111, sept. 1988)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.