Welstandstoezicht, een papieren tijger?

Het was een verstandig besluit van de Schoonheidscommissie om in een geïllustreerd drukwerkje een jaarverslag uit te brengen, volgens het voorwoord "een eerste aanzet tot publieke verantwoording en discussie". Dat was hard nodig, want telkens als Amsterdammers zich boos maken over een nieuw gebouw dat in hun ogen een dierbaar, vertrouwd stadsbeeld verstoort, - en dat gebeurt nogal eens -, wijzen beschuldigende vingers naar de commissie die zoiets heeft goedgevonden, zonder precies te weten, hoe dit instituut functioneert, wat de bevoegdheden zijn en of het intern geformuleerde oordeel over de kwaliteiten van een bouwplan, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving, de doorslag heeft gegeven bij de door Burgemeester en Wethouders verleende bouwvergunning.

De Schoonheidscommissie die het z.g. welstandstoezicht moet uitoefenen op grond van artikel 85, lid 1, van de Woningwet, vergadert eens per drie weken. Zij behandelt alleen belangrijke bouwplannen en beleidszaken van algemeen belang. Het andere werk wordt om de veertien dagen gedaan door twee architectencommissies: een voor de oude stad die het tot omstreeks 1900 bebouwde deel van Amsterdam onder haar hoede heeft - dus niet alleen de binnenstad, maar ook onder meer de Pijp en de Kinkerbuurt - en een voor de nieuwe stad voor alle bouwaanvragen daarbuiten. Die ietwat bizarre gebiedsindeling is begrijpelijk - toen de eerste Woningwet van kracht werd, moest de "nieuwe stad" nog worden gebouwd - maar zij roept toch wel vragen op. De "eisen van welstand", waaraan een nieuw gebouw moet voldoen, zijn in de binnenstad nu eenmaal van andere aard dan in de 19de-eeuwse wijken. Beide architectencommissies vormen samen met een zevental ambtelijke en externe leden de pleno-vergadering, onder voorzitterschap van de directeur Bouw- en Woningdienst. Eén van de niet-ambtelijke leden moet de oudheidkundige genootschappen vertegenwoordigen - zij het zonder stemrecht -, maar die zetel is vacant. Behalve de commissies zijn er zes superviseren werkzaam - voor de IJ-oevers, de Gordel 20-40, het tuinbouwgebied Sloten, het KNSM-eiland, de havens West en het stadsdeel Noord - die bouwplannen vanaf een vroeg stadium begeleiden. Dat lid zijn van een der architectencommissies geen vrijetijdsbesteding is, blijkt al uit het aantal behandelde plannen: in het verslagjaar 1990 was dat voor de Commissie Oude Stad 1242, waarvan 878 gesitueerd waren in de binnenstad, tegen 160 in Oud-Zuid en 49 in de Pijp. Dat betekende gemiddeld 56 a 57 bouwplannen per vergadering. Zo'n cijfer spreekt voor zichzelf. Ook van architecten die snel een tekening "lezen" en die jaarlijks wisselen met een uitloopjaar als plaatsvervanger, is niet te verwachten dat zij bij het veertigste of vijftigste bouwplan op een vergadering nog de concentratie opbrengen om de vragen "is het op zichzelf een goed bouwplan?" en "zou dat gebouw passen in de omgeving?" zorgvuldig te overwegen. Het verschijnsel "hamerstukken" komt in elke volle vergaderagenda voor. Een vlug gezet stempel "geen bezwaar" spaart tijd. In plaats van de aandachtige toetsing spelen dan onwillekeurig cliché-normen een rol. "Nieuw", "experimenteel", "gedurfd", zijn positief, "traditioneel" is negatief. Verder doen zich ook onder architecten overwegingen gelden van groepsbelang en collegaliteit. Al die factoren bij elkaar kunnen een excuus bieden in geval er iets mis gaat. Bovendien wordt het oordeel van de Schoonheidscommissie soms terzijde gelegd, dan wel te laat gevraagd.

Hoogbouw

Dat geldt met name het omstreden onderwerp hoogbouw. Het jaarverslag merkt hierover op: "In adviezen zowel van de Amsterdamse Raad voor de Stedebouw als van de Schoonheidsommissie wordt aangesloten bij de opvatting van de Dienst Ruimtelijke Ordening dat clustering en beperking van hoogbouw noodzakelijk is. Zorgvuldigheid en terughoudendheid zijn geboden, met name in de binnenstad, mede gelet op negatieve ervaringen met hoogbouw van de Nederlandsche Bank, de Pijp en het Okura-hotel". In dezelfde paragraaf lezen wij ook de tegenovergestelde opinie: "De architect behoort een eigen verantwoordelijkheid te nemen voor de plaatsing en vorm van zijn ontwerp in de omgeving, los van de geldende stedebouwkundige opvattingen". Als voorbeeld wordt de hoge bebouwing aan het Prins Bernhardplein bij het Amstel Station genoemd, die de voortzetting van de as van Berlage's Plan-Zuid negeert, maar "aansluit bij de stedebouwkundige opvattingen van het stadsdeel".

Dergelijke teksten zijn zowel onthullend als verhullend. Wat zij onthullen, of liever: demonstreren, is de Nederlandse vergadercultuur die tegenstellingen verpakt in wattig-omslachtige formules, en voorzichtig de kern van de zaak ontwijkt. Ieder heeft recht op zijn eigen mening, niet waar, over smaak valt niet te twisten, straks heb je elkaar toch weer nodig, vooral geen scherpslijperij, compromissen zijn onvermijdelijk, consensus blijft het hoogste ideaal...
Wat verhuld wordt is dat die "eigen verantwoordelijkheid van de architect, los van geldende stedebouwkundige opvattingen" niets anders inhoudt dan de wens van de opdrachtgever om zoveel mogelijk rendabele vierkante meters op zijn grondstuk te realiseren, en de volgzaamheid van de architect die tekent wat mijnheer wenst en er het bijpassende verhaal omheen hangt over kwaliteit op toplokatie. Wat verhuld wordt is dat de negatie van Berlage's Plan-Zuid door het stadsdeelbestuur betekent dat begrippen als ruimtelijke ordening, stedebouwkundige samenhang, kwaliteit van de openbare ruimte, om het ouderwetse woord "stadsschoen" nog maar niet te noemen, niet meer van toepassing blijken in het kader van de binnen-gemeentelijke decentralisatie.
De Schoonheidscommissie realiseert zich dat gevaar terdege, en wijst als voorbeeld naar "het afwezig zijn van een ontwerpkader, ofte wel Het Wilde Westen". Met voor dit verslag ongewone duidelijkheid wordt over het Teleport-gebied opgemerkt: "Bij gebrek aan een beeldend concept voor het gebied zijn gebouwen veelal willekeurig terecht gekomen op hun grondstukken. Ook zijn er hier en daar in bouwplannen te autonome trekken waarneembaar. Het bouwplan zelf wordt opgevat als het centrum van de wereld; de architectonische slag in de ruimte, ofte wel alles kan, alles is goed, en tenslotte is niemand tevreden". Dat laatste valt te betwijfelen: degenen voor wie bouwen alleen maar goed verdienen betekent, zullen zéér tevreden zijn over het ontbreken van een ontwerpkader; minder regelgeving, meer vrijheid, meer verdienen, duidelijker opvallen, zie de Larmagtoren waarvan het plan al een vermogen aan publiciteit oplevert.

Binnenstad

Wat ons het meest interesseert is uiteraard het functioneren van het welstandstoezicht in de binnenstad. De nog altijd in procedure zijnde aanwijzing tot beschermd stadsgezicht van het gebied binnen de Singelgracht onderstreept nog eens - voor zover nodig! - dat het hier gaat om een stadsdeel van bijzondere kwaliteit, dat bijzondere zorg vereist. Dat besef komt in het verslag van de Schoonheidscommissie nauwelijks tot uiting. "Er bestaan", zo lezen wij, "vele delen in Amsterdam die een hoogwaardig architectonisch en stedebouwkundig straatbeeld opleveren. Voorbeelden hiervan zijn het Plan-Zuid van Berlage, de grachtengordel, de tuindorpen in Amsterdam-Noord of delen van de Gordel 20-40". Hoort dan, om enkele voorbeelden te noemen, het uitzicht over de Groenburgwal op de Zuiderkerkstoren er niet bij? Toch een van de mooiste stadsbeelden van Amsterdam. En de Oudezijds Burgwallen? Of het Oudekerksplein, waar de Commissie Oude Stad, zoals elders in dit nummer vermeldt, een wel zéér scheve schaats rijdt? Of het Oosterdok met de Prins Hendrikkade? Of het Begijnhof en het Historisch Museum? De grachtengordel is immers maar een deel van de binnenstad, ongetwijfeld een belangrijk deel, maar niet alles, en het gaat nu juist om het geheel, met zijn historische plattegrond, zijn beschermde monumenten, zijn schaal en zijn samenhang. En om dat geheel te bewaken is géén supervisor aangesteld, zoals onder meer voor Amsterdam-Noord, waar de tuindorpen zeker een "hoogwaardig architectonisch en stedebouwkundig straatbeeld" tonen, maar toch op geen stukken na de culturele waarde op Europees niveau vertegenwoordigen van de binnenstad, waarvan Huizinga de betekenis hoger aansloeg dan die van het paleis van Versailles.

Het welstandstoezicht in de binnenstad doet denken aan wat men in China noemt "een papieren tijger", het lijkt op een afstand barser dan het in feite waar maakt. Op heel wat gebouwen die de laatste jaren in de binnenstad verrezen is de formulering van het verslag over Teleport van toepassing: "de architectonische slag in de ruimte, ofte wel alles kan, alles is goed, en tenslotte is niemand - in dit geval de voorbijgangers - tevreden". Waarbij te bedenken valt dat het Teleport-gebied geen monumentale waarde vertegenwoordigt, dat er nauwelijks mensen op straat lopen omdat men zich daar per auto verplaatst, zodat een architectonische misser in die omgeving weinig schade aanricht, terwijl er in de binnenstad iets kostbaars door wordt beschadigd.
De onmogelijke taak, waarvoor de drie architecten van de Commissie Oude Stad zich geplaatst zien om in 22 vergaderingen per jaar 1200 a 1300 bouwplannen te beoordelen, is hiervoor al vermeld. Het is ook eigenlijk een grof schandaal dat de gemeente Amsterdam voor het hele welstandstoezicht, inclusief het ambtelijke secretariaat, niet meer over heeft dan f 152.000 per jaar. Samen met het Bureau Monumentenzorg dat moet waken over de individueel beschermde gebouwen, en de Dienst Ruimtelijke Ordening die verantwoordelijk is voor de bestemmingsplannen, is het immers het welstandstoezicht dat ervoor zorgen moet dat wat er gebouwd wordt van goede architectonische kwaliteit is en zich goed voegt in het bestaande stadsbeeld. De armetierige begrotingspost toont aan dat het gemeentebestuur geen flauw benul heeft van de schade die architectonische misstappen aanrichten in het bestaande stadsbeeld. Deskundig toezicht, óók tijdens de uitvoering, vergt deskundige mensen, en hun tijd is kostbaar. Voor een dubbeltje op de eerste rang zitten gaat niet. Amsterdam verdient een krachtig en vooral openbaar welstandstoezicht. Op de maatstaven en richtlijnen die daarbij gehanteerd worden of zouden moeten worden, komen wij in een volgend nummer terug.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 132, febr. 1992)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.