Wanneer wordt het huis-Huydecoper eindelijk gereconstrueerd?

In de nacht van 26 op 27 april 1943 werd een van de fraaiste Amsterdamse grachtenhuizen door een neerstortend Engels vliegtuig vernield: het huis van Joan Huydecoper aan het Singel 548, gebouwd door Philips Vingboons tussen 1639 en 1642. Het stond aan de Bloemenmarkt, rechts naast het Carlton-Hotel, op de plaats waar nu een modernistische bankkolos uit de vroege jaren zestig de omgeving van de Munt ontsiert.

De bijzondere gevel van het huis-Huydecoper bleef bij deze ramp gespaard. Na documentering door Monumentenzorg is de gevel gedemonteerd en door de gemeente opgeslagen, in afwachting van een nieuwe bestemming. Zoals zovele bouwfragmenten van afgebroken Amsterdamse huizen, lagen de gevelonderdelen van het huis-Huydecoper vervolgens decennialang ongebruikt op diverse gemeentewerven. Totdat Joost Ritman, directeur van bekertjesfabriek De Ster en hedendaags Mecenas, eind jaren tachtig besloot, het huis-Huydecoper te laten herbouwen, met gebruikmaking van de authentieke bouwfragmenten. In deze getrouwe reconstructie, die zou hebben moeten verrijzen aan de Bloemgracht, wilde Ritman zijn vermaarde Bibliotheca Philosophica Hermetica onderbrengen.

De restanten van het huis Huydecoper uitgelegd op het terrein van de firma Saan te Muiden

De gemeente bleek bereid, de bouwfragmenten voor dit doel af te staan. Om te bezien, welke delen van de gevel nog bij de herbouw gebruikt konden worden, werden alle fragmenten onder toezicht van Monumentenzorg keurig uitgelegd op het terrein van de firma Saan te Muiden (zie afbeelding). Hoewel een groot deel van de gevel, met uitzondering van de spoorloos verdwenen stoep, nog aanwezig bleek te zijn, had de tand des tijds veel fragmenten, waaronder de kapitelen en andere ornamenten, dermate aangetast, dat zij niet langer voor de herbouw geschikt werden geacht. De gaafste stukken werden geselecteerd om hieruit het middendeel van de gevel op te bouwen, waarna de beschadigde delen zijn weggegooid. De zijflanken van de gevel zouden worden aangevuld met nieuw te maken onderdelen. De geselecteerde authentieke fragmenten werden overgebracht naar de firma Cortlever in Diemen, waar de natuurstenen aanvullingen zouden worden vervaardigd. Er werden gedetailleerde bouwtekeningen gemaakt en op de Vingboons-tentoonstelling in het Paleis op de Dam was in 1989 een maquette van het huis-Huydecoper te zien, met de aankondiging dat de herbouw in dat jaar van start zou gaan.

Het Huis Huydecoper volgens "Afbeeldsels der voornaemste gebouwen uyt alle die Philips Vingboons geordineert heeft"; ingekleurd de ontbrekende delen, de rest is bewaard gebleven

Helaas is dit mooie project op het laatste moment afgeblazen wegens dezelfde financiële problemen die de opdrachtgever ertoe noodzaakten, zijn kunstcollectie en zijn bibliotheek van de hand te doen. (Na langdurige onzekerheid lijkt de Ritman-bibliotheek nu toch voor Amsterdam behouden te zullen blijven: zij is, naar verluidt, aangekocht door de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek.) De plannen voor de herbouw van het huis-Huydecoper verdwenen weer voor onbepaalde tijd in de ijskast. En zoals het er nu naar uitziet, zullen zij daar nog wel even blijven. Totdat zich een nieuwe geldschieter aandient die zich over dit project wil ontfermen, liggen de fragmenten van het huis-Huydecoper wederom ongebruikt op een bedrijfsterrein.
Het huis werd gebouwd in opdracht van Joan Huydecoper (1599-1661), een van de machtigste regenten in het zeventiende-eeuwse Amsterdam. Huydecoper was, na al in 1629 als schepen op het politieke toneel te zijn verschenen, gedurende de laatste 10 jaar van zijn leven vier maal burgemeester van Amsterdam. Zijn machtspositie werd mede bepaald doordat hij in 1634 bewindvoerder was geworden van de VOC. Als een van de eerste Amsterdamse regenten slaagde hij erin, een adellijke titel te verwerven, iets wat met name in de tweede helft van de zeventiende eeuw navolging zou vinden bij de bestuurlijke elite van de stad. Na het erven en aankopen van landerijen aan de Vecht bij Utrecht, mocht Huydecoper zich vanaf 1641 Heer van Maarsseveen noemen, een titel die hij vol trots voerde, vaak tot hilariteit van zijn - ongetwijfeld afgunstige - tijdgenoten. Hij was een schatrijke mecenas en speelde een belangrijke rol in de besluitvorming rond de bouw van het nieuwe stadhuis aan de Dam. Huydecoper had een bijzondere interesse voor architectuur en van zijn hand zijn verscheidene ontwerptekeningen voor gebouwen bewaard gebleven. Deze belangstelling was traditioneel een van de liefhebberijen van de aristocratie, waarvan Huydecoper de gewoonten en uiterlijke vormen zo nadrukkelijk zocht te imiteren. Huydecoper is vermoedelijk mede ingewijd in de geheimen van het architectenvak door Philips Vingboons (1607-1678), zijn "hofarchitect". In het gebied rond zijn buitenhuis Goudenstein te Maarsseveen trad Huydecoper als een soort projectontwikkelaar op. Hij beplantte de landerijen aan de Vecht met bomen en verhuurde deze kavels als landgoed aan zijn welgestelde stadgenoten, met de bepaling dat zij er een statig buitenhuis op dienden te bouwen. Soms leverde hij er zelfs het ontwerp voor zo'n paleisje bij, waarin de hand van Vingboons dikwijls te herkennen is. In elk geval ontwierp deze in 1638 voor een van Huydecoper's buren het buitenhuis Elsenburch, dat in veel opzichten als de opmaat voor Huydecopers eigen nieuwe huis aan het Singel kan worden beschouwd.
De bouwgeschiedenis van het huis-Huydecoper begint in datzelfde jaar. Huydecoper, op dat moment nog woonachtig aan de Lauriergracht, wist in 1638 door een reeks aankopen een aaneengesloten terrein aan het Singel in zijn bezit te krijgen, waardoor hij op deze plek een statig grachtenhuis van dubbele breedte kon laten bouwen. In 1639 werd de eerste steen gelegd en in 1642 kon de Heer van Maarsseveen zijn nieuwe stadspaleis betrekken. Het monumentale huis met zijn natuurstenen gevel moet Huydecoper's tijdgenoten in hoge mate hebben geïmponeerd, gewend als zij waren aan de hoofdzakelijk uit baksteen opgetrokken grachtenhuizen met enkelvoudige perceelbreedte. Ofschoon er al huizen van dubbele breedte in de stad stonden, zoals het Bartolotti-huis van Hendrick de Keyser, en er ook al gevels in de stad waren die geheel in natuursteen waren uitgevoerd, zoals het door Vingboons verbouwde huis van Michael Pauw daar direct naast, was een zo brede natuurstenen gevel op dat moment toch nog tamelijk ongewoon. Ook de klassieke Vitruviaanse stapeling van pilasterorden (Dorisch, Ionisch, Corinthisch) was al eens eerder vertoond, bijvoorbeeld in de Coymans-huizen van Jacob van Campen, met wie Vingboons aan het begin van zijn loopbaan vermoedelijk nauw heeft samengewerkt. Wat echt nieuw was, was de combinatie van deze kenmerken met een rustica-detaillering van de gevel, zoals dat eigenlijk alleen maar voorkwam aan paleizen in Italië en Frankrijk en een enkel onderkomen van stadhouder Frederik Hendrik. Het spreekt vanzelf dat deze vorstelijke associatie door Huydecoper bewust is nagestreefd. In de gevel werden de aristocratische aspiraties van de Heer van Maarsseveen nog eens ondubbelzinnig tot uitdrukking gebracht.
Philips Vingboons was, met Jacob van Campen, de belangrijkste vertegenwoordiger van het Hollands classicisme in de Amsterdamse bouwkunst. Nadat Van Campen deze strenge, op Italiaanse en Franse voorbeelden geïnspireerde stijl reeds in de jaren twintig en dertig in Amsterdam had geïntroduceerd (bijvoorbeeld in de meisjesbinnenplaats van het Burgerweeshuis uit 1633), bouwde Vingboons in de daaropvolgende decennia een groot aantal Amsterdamse grachtenhuizen, waarvan de gevels volgens classicistische stijlprincipes waren vormgegeven en geornamenteerd. In veel van zijn huizen moest hij daarbij schipperen tussen de verticaliteit van de traditionele Amsterdamse gevelopbouw en het meer op horizontaliteit gerichte classicistische vormideaal. Om die reden is het huis-Huydecoper architectuur-historisch dan ook zo'n belangrijk monument: Vingboons kon voor het eerst een grachtenhuis bouwen, waarvan de gevel door zijn breedte een horizontale geleding toeliet die het classicistische uiterlijk van het huis in hoge mate versterkte. In dat opzicht is zijn ontwerp een invloedrijke voorloper geweest van de dubbele grachtenhuizen die na 1660 volgens dezelfde vormprincipes werden gebouwd aan de Gouden Bocht en andere delen van de uitbreiding van de grachtengordel in de richting van de Amstel.
Was het exterieur van huis-Huydecoper imposant, ook het door Vingboons ontworpen interieur bezat een grandeur die naar Amsterdamse maatstaven ongeëvenaard was. Het monumentale houten portaal in het voorhuis bestond uit Corinthische pilasters met een tempelfronton, geheel volgens de klassieke voorschriften vormgegeven. Dit onderdeel van de binnenhuisarchitectuur bleef bij de brand in 1943 gespaard en wordt momenteel bewaard in het Rijksmuseum. Ook de classicistische schouw uit de Zaal van het huis, met een mythologisch schoorsteenstuk van Joachim Sandrart, is nu nog in het Rijksmuseum te bewonderen. Deze Zaal had voor die tijd ongebruikelijk grote afmetingen, wat het mogelijk maakte de wanden van dit vertrek te behangen met dure Delftse wandtapijten. In de vorstelijke ambiance van deze representatieve ruimte ontving Huydecoper zijn hoge gasten uit binnen- en buitenland, onder wie zelfs een aantal staatshoofden.
Joost Ritman was niet slechts van plan, de gevel van het pand te herbouwen. Ook het interieur zou op basis van de opmetingen bij de demontering weer zo getrouw mogelijk worden gereconstrueerd, inclusief de hierboven genoemde architecturale ornamenten. Ritman vertelt hierover: "Er zijn met het Rijksmuseum besprekingen gevoerd om het portaal en de schouw in de reconstructie op te kunnen nemen. Men stond daar in principe niet onwelwillend tegenover. Als dat uiteindelijk niet zou zijn doorgegaan, dan hadden we zonder problemen een perfecte repliek kunnen aanbrengen. Het is uniek dat we zo goed weten, hoe deze beeldbepalende elementen er hebben uitgezien." Sander Kneppers van het bekende, in monumentenrestauratie gespecialiseerde aannemersbedrijf J. Kneppers, voegt hieraan toe: "Hoewel er niet zoveel ambachtslieden meer zijn die dit werk met het perfectionisme kunnen uitvoeren dat in de negentiende eeuw nog normaal was, zou het zonder meer mogelijk zijn geweest de schouw en het portaal exact te kopiëren." Als voorbeeld noemt hij de getrouwe kopie van de schouw uit de Zaal van Ons'Lieve Heer op Solder die Kneppers voor het Japanse Holland Village heeft laten maken. Ook bij de reconstructie van het zeventiende- eeuwse interieur van het Rembrandthuis zullen waar nodig kopieën van bestaande architecturale elementen worden toegepast.
Een interessant aspect van de voorgenomen reconstructie van het huis-Huydecoper was, dat de gevel weer zou zijn teruggebracht in de toestand van 1642, met weglating van de latere toevoegingen die in het ontwerp van Vingboons niet voorkomen. Hoe de circa 15 meter brede gevel er oorspronkelijk uitzag, weten we van de gedetailleerde prent die de architect opnam in zijn boek 'Afbeelsels der voornaemste gebouwen uyt alle die Philips Vingboons geordineert heeft' (Amsterdam 1648) (zie afbeelding). Bij vergelijking met foto's, waarop de toestand in deze eeuw is vastgelegd (zie afbeelding), valt op dat de bovenste verdieping aan weerszijden met een travee is uitgebreid. Deze aanvulling, vermoedelijk van omstreeks 1800, zou bij de reconstructie dus zijn weggelaten. Dit aspect van de reconstructie valt sterk toe te juichen, daar hiermee zou zijn voorbijgegaan aan het veelgehoorde, maar onzinnige restauratiedogma dat voorschrijft dat "de hele geschiedenis van het gebouw afleesbaar moet blijven". Zouden we, om aan dit voorschrift te voldoen, de bouwfragmenten van het huis-Huydecoper dan maar niet beter als een berg steenpuin op een bedrijfsterrein kunnen laten liggen?
In de loop der jaren is er door de gemeente tamelijk slordig met de bouwfragmenten omgesprongen. "Ze zijn na de oorlog van de ene naar de andere plek versleept", aldus de heer Cortlever, "en dat is niet altijd even deskundig gebeurd. Uiteindelijk zijn ze op de werf aan de Nieuwe Uilenburgerstraat gedumpt. Die had niet voor niets als bijnaam 'de steengroeve'! Er zijn toen ook meerdere delen verdwenen. De fragmenten waren niet genummerd, dus het was nog een hele puzzel om de zaak uit te leggen." Cortlever vindt het doodzonde dat de reconstructie niet is doorgegaan. "De ontbrekende delen zouden zijn uitgevoerd in Franse kalksteen, de tekeningen lagen al klaar, onoverkomelijke technische problemen waren er niet. Ik ben ervan overtuigd dat het resultaat schitterend zou zijn geworden."
Ook Sander Kneppers betreurt het dat het initiatief van Ritman niet tot uitvoering is gebracht. "Het was een van de belangrijkste natuurstenen gevels in de stad. Het zou, voor zover mij bekend, ook de eerste keer zijn geweest dat in Amsterdam een geheel hardstenen gevel uit de zeventiende eeuw gereconstrueerd werd. Ook in dat opzicht was het een bijzonder project." Kneppers verwacht overigens dat het reconstrueren van oude gevels in de toekomst steeds vaker zal plaatsvinden. "Het past in een algemene herwaardering van ons verleden, die tot uitdrukking komt in een hernieuwde belangstelling voor de architectuur van de Gouden Eeuw. Je zou het een renaissance kunnen noemen. Een vergelijkbare renaissance vond voor het laatst plaats in de negentiende eeuw en die heeft een enorme impact op de gebouwde omgeving gehad. Ook de belangstelling voor oude ambachtelijke vaardigheden kreeg hierdoor een krachtige impuls. Wat we nu op restauratiegebied kunnen, gaat terug op wat toen is herontdekt." De huidige herwaardering, zoals die onder meer blijkt uit de aanwijzing van de binnenstad tot Beschermd Stadsgezicht, komt de kwaliteit van de stad zijns inziens zeer ten goede. "Men heeft weer oog voor de context van historische gebouwen en de samenhang van het geheel. Reconstructies en historiserend bouwen maken het beeld van de stad compleet. Door dat beeld, dat door iedereen als typisch Amsterdams wordt herkend en gewaardeerd, worden de rijke geschiedenis en de culturele betekenis van de stad zichtbaar gemaakt. Om dat beeld in stand te houden is het natuurlijk wel noodzakelijk dat de daartoe vereiste ambachtelijke kennis bewaard blijft. Alleen al om die kennis niet verloren te laten gaan, moeten we doorgaan met het stijlzuiver restaureren en herbouwen van zeventiende- eeuwse monumenten."
Hopelijk slaagt Joost Ritman er ooit nog eens in, zijn lofwaardige plannen tot reconstructie van het huis-Huydecoper te verwezenlijken. Nog beter zou het uiteraard zijn, als de gemeente zelf eens wat meer belangstelling voor dit project zou tonen en de uitvoering daarvan financieel mogelijk zou maken. Waarom moeten dergelijke initiatieven, die zo duidelijk bijdragen aan de kwaliteit van de stad, altijd van particulieren komen? In dit geval liggen de plannen klaar en kan de herbouw bij wijze van spreken morgen beginnen. Alleen het vinden van een geschikte locatie vormt dan nog een probleem. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat dit monumentale pand toch eigenlijk aan een van de hoofdgrachten thuishoort. Misschien een idee voor als de door iedereen verfoeide Universiteitsbibliotheek aan het Singel - schuin tegenover de oorspronkelijke locatie van het huis-Huydecoper - nog eens wordt gesloopt?

Bob van den Boogert

(Uit: Binnenstad 174, januari/februari 1999)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.