Het Bijbels Museum gerestaureerd

Aan de Herengracht, nummers 364 t/m 370, staat een fraai rijtje classicistische halsgevels, ontworpen en gebouwd in 1660/62 door de bekende Amsterdamse bouwmeester Philip Vingboons (1607-1678), een leerling van Jacob van Campen (1595-1657), de bouwmeester van het voormalige stadhuis, thans Paleis op de Dam. Herengracht 366 is sinds 1887 eigendom van het Nederlands Bijbelgenootschap dat in 1904 nummer 368 erbij kocht. In 1975 werd het Bijbels Museum in beide panden gehuisvest, waardoor de grachtenhuizen voor het publiek toegankelijk werden. Overigens kreeg het museum de panden pas in 1995 in eigendom. Hoeveel mensen zullen in de afgelopen 25 jaar hun eerste kennismaking met het Amsterdamse grachtenhuis in dit museum hebben gehad?
Historische foto van de Cromhouthuizen (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 1958)

De vier halsgevels zijn gebouwd in opdracht van de koopman Jacob Cromhout (1608-1669) en zijn vrouw Margaretha Wuytiers. De familie Cromhout woonde zelf in het grootste huis, Herengracht 366, het huis met de gevelsteen waarin een kromhout is afgebeeld. Een kromhout is een kromgegroeid stuk hout dat gebruikt werd in de scheepsbouw. De panden op de nummers 368 en 370 hebben kleinere gevels dan die op de nummers 364 en 366. Er bestaat een merkwaardige legende over de reden hiervan. De bouw van Herengracht 368 zou later begonnen zijn, omdat houtkoper Cornelis Jansz. Kerfbijl (1597-1661) zijn kavel niet wilde verkopen. Toen hij in 1660 alsnog overstag ging, was de bouw van de andere huizen al begonnen. Alsnog werd eenzelfde gevel tussengevoegd: even groot als het huis op het kleine kavel van Herengracht 370. Aan de achterzijde is goed te zien dat Herengracht 366 achter 368 langsloopt: er staat een brede achtergevel met een groot opzetstuk.
In maart 1998 begon een ingrijpende restauratie van de panden van het Bijbels Museum. Twee jaar lang is eraan gewerkt de panden weer in de oude glorie te herstellen. Het meest ingrijpend was de verwijdering van gietijzeren kolommen die op alle verdiepingen in de muren waren aangebracht. Deze moesten het gewicht dragen van de vele Bijbels die in het gebouw waren opgeslagen. (In het souterrain zijn enkele kolommen bewaard gebleven.) De restauratie is uitgevoerd onder leiding van architectenbureau Rappange & Partners. De kosten waren ruim vijf miljoen gulden, waaraan door de overheden en de Europese Commissie ruim twee miljoen werd bijgedragen. Speciaal voor de restauratie is een aparte monumentenstichting (“Stichting de Cromhouthuizen”) opgericht met als belangrijkste doel het in stand houden van het monument.

De monumentale gang van Herengracht 366

Tegenwoordig betreden we het museum via nummer 368. De monumentale gang van nummer 366 had oorspronkelijk aan de linkerzijde schijndeuren die vanwege de nagestreefde symmetrie waren aangebracht. In 1904 zijn deze doorgebroken, maar nu is één schijndeur hersteld. Door de andere betreden we vanuit nummer 368 het aangrenzende 366, het woonhuis van Cromhout. Vanuit dit pand is het in het souterrain weer mogelijk nummer 368 te betreden, waar zich een antieke keuken bevindt. De keuken krijgt licht van een kleine binnenplaats, waaraan zij gelegen is en bevindt zich precies op de plaats van het oorspronkelijke huis van Kerfbijl. Mogelijk is dit de keuken van Kerfbijl. De ingang zal oorspronkelijk aan de binnenplaats zijn geweest die toen veel dieper lag. In de zeventiende-eeuwse keuken bevindt zich onder de schouw een stenen oven, de voorloper van het fornuis. In de gaten werden pannen geplaatst, die verhit werden door het houtvuur eronder. Een leuk detail in deze keuken is de waterput. Eén marmeren tegel heeft een ronde uitsparing waarin zich een ijzeren deksel bevindt. Als we deze deksel optillen, kijken we in het donkere gat van een waterput. In de zeventiende eeuw werd het regenwater van de daken via loden regenpijpen opgevangen in een waterput die zich vaak onder of nabij de binnenplaats bevond. Er bevindt zich nog een antieke keuken in het Bijbels Museum: de keuken van Cromhout. Deze keuken is weer om een andere reden interessant: er bevindt zich naast de stenen oven onder de grote schouw nog een authentieke broodoven.
Het huis van Cromhout heeft nog meer te bieden. In circa 1717 werd het huis dat nog steeds in handen was van de familie Cromhout ingrijpend verbouwd. De opdrachtgevers waren neef en nicht Jacob Cromhout, heer van Nieuwerkerke (1672-1722), en Elisabeth Jacoba Cromhout (1683-1732), die met elkaar getrouwd waren. Zij lieten het interieur in de toen gangbare stijl van Lodewijk XIV veranderen. Toen is het monumentale ovale trappenhuis met drie prachtige gesneden deuren tot stand gekomen. Tijdens de recente restauratie is de trapleuning met balusters in de Lodewijk XIV-stijl in een smaakvolle blauwe kleur geschilderd, een kleur die in die tijd gebruikelijk was en feitelijk ook is aangetroffen. Echter, deze kleur is alleen op de trapbaluster aangetroffen, zodat men ervoor heeft gekozen de gesneden deuren (en de lambrizeringen in de grote zaal) blank te laten. Het ongeverfd laten van hout was in de achttiende eeuw alleen gebruikelijk bij heel bijzondere houtsoorten (zoals mahoniehout).
Naast de keuken bevindt zich in het souterrain, op het niveau van de tuin, een tuinkamer die waarschijnlijk in gebruik was als eetkamer. De kamer heeft een laag plafond versierd met Ceres en Bacchus in stucwerk, gemaakt door Ignatius van Logteren. Maar het klapstuk van het huis is de grote zaal op de hoofdverdieping, gedomineerd door plafondschilderingen van Jacob de Wit uit 1718 (zie elders in dit nummer). De zaal heeft een prachtig uitzicht op de keurtuinen achter de Cromhoutpanden. Cromhout ontving zijn relaties in deze zaal, die erdoor geïmponeerd moesten worden. Hij moest laten zien dat hij zijn klassieken kende: de tien doeken tonen diverse goden van de Olympus. Net als in de Sixtijnse kapel lopen de bezoekers nu met spiegels rond om het plafond beter te kunnen bekijken. De anti-chambre van de Jacob de Wit-zaal, de kamer ernaast, verschaft toegang tot een pruikenkamertje met uitzicht op de leeggemaakte binnenplaats. Hier heeft Jacob Cromhout zijn pruik gepoederd, om vervolgens zijn gasten in vol ornaat te ontvangen.
In een andere kamer (de achterkamer) is tijdens de restauratie één van de laatste plafondschilderingen van Jacob de Wit aangebracht: “Apollo en de vier seizoenen” uit 1750, afkomstig uit Herengracht 440. Het doek was eigendom van Stadsherstel en heeft ruim veertig jaar opgerold liggen wachten op een nieuwe bestemming. Het typisch achttiende-eeuwse plafondstuk, een groot doek dat in het midden van een stucplafond werd aangebracht, wordt gekenmerkt door grote wolkenpartijen en slechts enkele figuren en wijkt daardoor sterk af van het vroege werk van Jacob de Wit. De beide plafondschilderingen van Jacob de Wit vormen een unieke combinatie, een vroeg en een laat werk van Jacob de Wit, zoals in geen enkel ander Amsterdams grachtenhuis kan worden aangetroffen. Een extra reden voor een bezoek aan het Bijbels Museum. Het is dan ook te hopen dat het Bijbels Museum ervoor kiest om tevens uit te groeien tot een Jacob de Wit-museum.

Walther Schoonenberg

(Uit: Binnenstad 182, mei/juni 2000)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.