De Turfdrager

Waar zou de leeftijdsgrens liggen van de mensen die nog weten hoe een turfvuur ruikt? Het was een aparte, niet onaangename geur. Heel anders dan een houtvuur, dat nu als gezelligheidstoevoeging aan de c.v.-radiatoren in open haarden wordt gestookt. Kolenvuur mag je niet ruiken; kolendamp is benauwend en gevaarlijk. Houtvuur is prettig om naar te kijken, turf moest niet vlammen, maar zachtjes gloeien en smeulen. Toch kon er genoeg warmte mee worden bereikt om uit klei bakstenen te vervaardigen. Volgens het boek "Turf uit Amstelveen", in 1996 uitgegeven door de Vereniging Historisch Amstelveen, zijn het de Norbertijner en Cistercinzer monniken geweest die in de tweede helft van de 12de eeuw zowel de steenbakkerij als de systematische turfwinning in onze landen hebben gentroduceerd. Het is een vreemde gedachte dat een zo elementaire vaardigheid als het bakken van stenen en potten, na het vertrek van de Romeinse legioenen, zowat negen eeuwen lang vergeten is geweest.
De Turfdrager, gevelsteen
in Kerkstraat 76

Hout was er in die duistere tijden nog genoeg voor de dun gezaaide nederzettingen, hout om mee te bouwen, om zich te verwarmen en om voedsel te bereiden. Die overvloed raakte op toen de bevolking groeide. Het veen, zo lezen wij in het bovengenoemde boek, ontstaat in een drassige omgeving doordat het grootste deel van de jaarlijks afstervende plantenmassa niet wordt verteerd, maar geconserveerd blijft, omdat deze door het water van de lucht wordt afgesloten. Wij kennen dat verschijnsel bij de koppen van funderingspalen, die hun functie blijven vervullen zolang het grondwater niet wordt verlaagd. Na samenpersing door het eigen gewicht groeit de veenmassa circa 1 millimeter per jaar, en dat wordt een decimeter per eeuw. In het nog niet door dijken beschermde Westelijk Nederland, bedreigd door een stijgende zeespiegel en door overstromingen, was de veenmassa een metersdik pakket geworden, dat na droging brandstof kon opleveren. Door het moerassige veenland kronkelden rivieren die het overtollige water afvoerden. Rivieren voeren zand en slib mee, dat zet zich af tot oeverwallen die een vastere grond hebben dan het omringende land. Vanaf die oevers begon de ontginning van het Hollandse moerasland. Sloten vergrootten de waterafvoer, het land begon 'in te klinken', het werd begaanbaar en bruikbaar, eerst voor landbouw en, toen het daarvoor door daling van het maaiveld te nat werd, als grasland.

Wanneer ontdekt werd dat gedroogd veen het brandhout kon vervangen, is niet bekend, maar het moet al vroeg in onze geschiedenis zijn gebeurd. De bovenste laag die de landontginners met een spa konden lossteken raakte uitgeput. Omstreeks 1530 kwam de baggerbeugel in gebruik waarmee een ervaren turfsteker de modderige klonten metersdiep onder de waterspiegel naar boven haalde om deze op de smalle uitgespaarde legakkers te laten drogen voor verdere verwerking tot regelmatige langwerpige blokjes. "De turf", zo staat in de Amstelveense publicatie, "was de aardolie van de Gouden Eeuw". Ook uit Engeland gemporteerde steenkool werd al gebruikt, maar dat was duur, en kolenvuur produceert roet. Steenkool werd in het begin van de 17de eeuw in Haarlem verboden: de linnenblekerijen hadden last van de vuile rook. Turf was onmisbaar, maar het turfsteken vrat het grasland weg. De meren groeiden, stormvloeden sloegen de legakkers weg, hoog water bedreigde de steden. Dat gevaar werd al vroeg erkend; in 1505 verleende de Habsburgse landheer Philips de Schone aan het Amsterdamse stadsbestuur de bevoegdheid om de turfwinning op minder dan een mijl afstand van de stad te verbieden. Er was maar n oplossing om het overstromingsgevaar te keren: het bedijken en leegmaken van de veenplassen. Het door Leeghwater ontwikkelde systeem van poldermolens heeft Holland gered. De droogmakerijen zijn op elke kaart te herkennen. De turf kwam niet alleen uit het Hollandse laagland. Het Drentse hoogveen leverde een goede kwaliteit, en dat was gemakkelijk te ontginnen. Over de Zuiderzee voeren de turfschippers tussen de Friese en de Hollandse havens, en ook verder weg, naar Noord-Duitsland. Misschien was het turfschip waarmee in 1590 de soldaten van prins Maurits Breda overrompelden, wel geladen met Drentse turven. Turf verwarmde de woningen en leverde de energie voor alle takken van nijverheid die warmte nodig hadden. Vele miljoenen turven werden jaarlijks in de steden van ons land verstookt. De productie bereikte haar hoogtepunt tussen 1850 en 1880, daarna had de steenkool de strijd gewonnen, en toen waren de grote veengebieden nagenoeg uitgeput. Tussen de twee wereldoorlogen is er nog op beperkte schaal turf gewonnen. Bij het begin van de hongerwinter hadden sommige brandstofhandelaren nog een klein voorraadje, en dat werd toen een kostbaarheid. De laatste herinnering aan de lucht van turfvuur dateert van de barre winter '44 '45.

Je leest er ook weinig over. Geschiedschrijvers wijden uit over handel en scheepvaart, nijverheid en bankbedrijf, maar zelden over het geploeter van de turfstekers en de turfschippers. De enkele niet drooggemaakte veenplassen worden behoed als natuurgebied. Vergeten is de energiebron die, samen met de windmolen, ons land bewoonbaar heeft gemaakt. De geschiedenis is afleesbaar in de bodem, voor zover deze niet voor autowegen, industrieterreinen en Vinex-locaties op de schop gaat. De vaarten van de veenkolonin in de noordelijke provincies vertellen het verhaal, in het Hollandse laagland doen dat de ringvaarten en polderdijken. Enkele straatnamen noemen de turf. In Amsterdam zijn het twee gevelstenen, een in de buitenmuur van het Rijksmuseum, en de op de voorplaat afgebeelde in Kerkstraat 76. Het Gilde der Turfdragers telde in de 18de eeuw ruim 700 leden, die de kostbare brandstof van de schuiten naar de klanten brachten. Zo zagen die potige mannen er dus uit. Op de achtergrond ziet men een rokende schoorsteen. Daar ging het om.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 183, juli 2000)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.