Het huis wordt opgeknapt

Het kamertje aan de voorkant van het oude grachtenhuis, waar Truusje en ik sinds november 1949 samen woonden, was echt heel erg klein. We huurden er telkens een kamer bij, zodra er een vrij kwam. Dat moest ook wel, want in 1955 en '57 kwamen onze kinderen, keurig volgens plan. We normaliseerden ons leven. Drie keer per dag de tafel dekken, correcte kleding, normale taal en op tijd naar bed. Drinken deden we toch al niet, maar Truusje stopte met roken. De betovering van een ongereguleerd leven moesten de kinderen later zelf maar ontdekken. Nu was het de vraag of we hier konden blijven wonen. Nee, natuurlijk, want het was veel te primitief. De gasleidingen waren nog van lood, wat ongezond is want lood kristalliseert en wordt daardoor poreus. Ook de hele waterleiding zou moeten worden vernieuwd. In 1956 kon ik echter het huis kopen. De eigenaar, de heer Judels, woonde bij zijn dochter in Zwolle. Hij was oprecht blij dat we het huis wilden opknappen, want, zei hij, de makelaar heeft jullie klachten nooit doorgegeven.
Ricardo op zijn eigen stoep, Truusje kijkt uit het raam

Ik wilde niet dat de hoofdhuurder Jan Kolthek er financieel nadeel van zou hebben dat ik toevallig over geld beschikte en het huis als het ware onder zijn achterste weggekocht had. We rekenden gezamenlijk uit, dat hij en zijn vrouw er niet op achteruit zouden gaan, ook niet als een van beiden zou sterven.

Een open rioolgeul

Toen we het huis eenmaal hadden gekocht, hebben we zowat alles vernieuwd, gas en water, trap en raamkozijnen, fundering en dak. Eerst hadden we een loodgieter die het maar niks vond: 'Van een oud wijffie maak je nooit meer een jonge griet,' sputterde hij. Na enig zoeken vonden we echter de broers Johan en Reinier Oostheim als loodgieters. Zij hebben het gas- en waterleidingnet van ons huis stukje bij beetje vernieuwd. Als ik een van hen op straat tegenkwam zei hij bijvoorbeeld: 'Ik heb het met mijn broer gehad over dat ene stukkie pijp bij Mevrouw Roegholt, en hij zegt, laten we dat ook maar vernieuwen'. Dan zei ik: 'Als jullie dat vinden, doe het dan maar'. Ten slotte kregen we zelfs een bad met geyser op de vierde verdieping.
In het souterrain woonden mensen, maar het stonk er altijd en hun hakken of naaldhakken zakten gewoon door de vloerbedekking heen. Toen ze naar een echte woning waren vertrokken, gingen we met bijstand van de architect F. J. van Gool op onderzoek uit. We stelden vast dat ons huis geen vloer had, dat het direct op het zand stond. En waar kwam de stank vandaan? De afvoer van het hele huis ging via een gemetselde rioolgeul onder de straat door naar de gracht; dat riool was verzakt, zodat het niet meer afvloeide. Er stond een dikke laag bezinksel in. Zo'n huis is een onoverzienbaar problemenveld. Het een brengt het ander met zich mee, het is een nachtmerrie. Maar Truusje kan goed overweg met aannemers; als ze niet tevreden is, zegt ze: 'Het is niet naar genoegen'. Als totaal onervaren bouwheren hadden we hiermee onze reddende formule gevonden. Wij hebben het gered.

Op een middag kwam ik op de fiets van school en bij de Amstel was de lucht al vervuld van stank. De stank kwam van ons eigen huis. Daar stond een reinigingsauto, die bezig was ons eeuwenoude riool leeg te zuigen. We kregen een rioolbuis, die aansloot op het riool dat vanouds onder de straat door naar de gracht leidde. Lozen deed je op de gracht, zo was dat nu eenmaal. In het souterrain kwamen een paar balken van gewapend beton tussen de zijmuren en er werd een betonnen vloer gestort. In de winter van 1980 kreeg de binnenstad een moderne riolering met een hoofdriool, waarop alle grachtenhuizen zouden worden aangesloten. Het hoofdriool lag zestig cm hoger dan onze lozing. Wij moesten dus de hele afvoer omhoog brengen. Onze loodgieters mochten niet verder dan de gevel komen; op straat nam de Gemeente het over. Maar de Oostheimpjes bleven erbij. 'Ik wil wel zeker zijn dat het Pand van Mevrouw Roegholt goed wordt aangesloten', zeiden ze, ja, ze spraken in hoofdletters als het om ons huis ging. Dat was nog eens trouwe kameraadschap. In vele souterrains van de stad was dit omhoogbrengen van de afvoer echter niet mogelijk. Zij kregen zogenaamde 'putjes', die periodiek moeten worden leeggepompt.

Daar zit de zwam in

Het was alweer schrikken, toen een aannemer in de achteraanbouw zijn mes in een vochtige balk stak en zei: 'dat dacht ik al, daar zit de zwam in'. Ik besloot de hele achteraanbouw te slopen en daarvoor in de plaats een aanbouw te maken die aansloot bij het souterrain en de bel-etage, en waarvan het dak een terras zou worden voor de eerste verdieping. Dat betekende een grote verandering voor Jan Kolthek, maar hij kon voor een vochtige keuken en een wc zonder deur iets moois terugkrijgen. We gingen met Jan Kolthek en zijn nieuwe vrouw Jenny, met wie hij in 1959 trouwde, naar het kantoor van Van Gool en bespraken wat hun wensen voor een bruikbare woning waren. De nieuwe aanbouw werd drie en halve meter diep. Daarin kregen Jan en Jenny een keuken en zij kregen naast het trappenhuis een wc en douche. Door het terras op de eerste verdieping werd het huis voor ons normaal bewoonbaar. Je was niet meer opgesloten in die vijftig vierkante meter, je kon buiten zitten, de vuilnisbak buiten zetten, bloemen kweken en nestkastjes ophangen. We hebben elk jaar jonge koolmezen.

Er was één bel in het trappenhuis en er waren geen electrische deuropeners. Op het hoogtepunt van de bewoning hadden we tot zes keer bellen. Wie voor woonde gooide de sleutel in een handschoen uit het raam, wie achter woonde moest alle trappen af om open te doen. Voor driehoog-achter was het zes keer bellen. Daar zat iemand, die zich 's ochtends om zes uur liet wekken door zijn vriendin, een verpleegster die dan uit de nachtdienst kwam. Dan schalden zes luide belsignalen door het hele huis - gevolgd door de cavalcade over de trap. Omstreeks 1960 heb ik voor elke kamer een bel en een electrische deuropener laten aanleggen. Bijna alle vriendenkringen hadden een fluitje - de Marseillaise, de Roverssymfonie, of zomaar tie...tatatààà - een aardig trekje, dat ergens tussen toen en nu op onverklaarbare wijze uit de samenleving is verdwenen.

Het belangrijkste moment in de saga van het huis is Truusjes ziekte in 1964, waarna ze opnieuw moest leren lopen. Weer was de vraag: verhuizen of iets aan het huis doen? Met raad van Frans van Gool liet ik een lift bouwen tussen de eerste en de tweede verdieping, waarin ze zich met behulp van een contragewicht kan optrekken en laten zakken. Zo had ze een huis van vier kamers gelijkvloers. Alleen de badkamer is nog een trapje hoger. De Oostheimpjes zijn allang gepensioneerd, en wij zijn al bijna te oud om nog in zo'n huis te wonen, maar ik heb een goede vriend, die altijd in staat is dingen te repareren en nieuwe oplossingen te vinden en die voor wat hij zelf niet kan betrouwbare vakmensen kent. Zonder Fons zaten we al in een moderne flat...

Ricardo

(Uit: Binnenstad 187, maart 2001)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.