Ron Nieuwenhuis, restauratiespecialist

"Gemakzucht is bedreiging voor de monumentenzorg"

Ron Nieuwenhuis, bouwkundig opzichter.
"Gedreven moet je zijn. Je moet een beroepsgekte hebben." Ron Nieuwenhuis aarzelt geen seconde met het antwoord op de vraag wat het belangrijkste is voor iemand die restauraties voorbereidt en toezicht houdt op de uitvoering.

In zijn vak ziet hij vaak weinig betrokkenheid bij wat de mensen doen. Hij houdt daar niet van. "Je moet elke dag op het werk zijn om te zien of alles goed gaat. Ik wil overal bij zijn. Als er wordt geheid, dan sta ik er bij. Ik wil het zelf zien. Ik klim de goten in. En dan moet je de angstige blik van de uitvoerder zien die vanuit een venster naar me kijkt. Op de Oude Schans stond ik achttien meter hoog in een goot, daar kwam je bij een lijst en dan weer bij een opstapje, steeds hoger, zonder houvast. Dit wordt me nu een beetje te riskant. Dat doe ik alleen nog als het echt nodig is."

Ron Nieuwenhuis is in dienst van de stichting Diogenes. Hij is de restauratie- specialist. Hij is betrokken bij alle restauraties van de stichting en houdt tijdens de uitvoering van het werk nauwkeurig in de gaten of de restauratie verantwoord en goed gebeurt. Hij is ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de panden die Diogenes, en de stichtingen de Pinto en Jan Pietersz hebben. Ook het Claes Claesz. Hofje valt onder zijn verantwoordelijkheid. Hij geniet er van. 's Morgens om acht uur komt hij even in zijn kantoortje aan de Egelantiersgracht, een pandje uit 1640 met een voorgevel uit 1850. Het moet nog gerestaureerd worden. Nieuwenhuis zit op de plek waar vroeger een bedstee stond. Hij wijst op stukken hout die ergens boven te zien zijn en naar verkleuringen in het originele pleisterwerk. "De geschiedenis van dit pand kan je overal uit aflezen".
Het aflezen van de geschiedenis, dat is ook zijn uitgangspunt bij restauraties. Hij houdt niet van harde restauraties die tot gevolg hebben dat de geschiedenis niet meer afleesbaar is.

Langestraat 72 na restauratie.

Glunderend kijkt hij naar de het septembernummer van het tijdschrift Binnenstad. Op de voorpagina straalt in kleuren de achterkant van het gerestaureerde pand Langestraat 72 je tegemoet. Het jaartal in de voorgevel vermeldt 1659, de klokgevel is 18e-eeuws, maar het vertelt ook iets over de wijze waarop de laatste 75 jaar met het pand is omgegaan. Nieuwenhuis: " Kunsthistorici van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg zouden zeggen: laat die gevel in de 18de-eeuwse en 19de-eeuwse staat. Dat hebben wij bewust niet gedaan, er zitten nu zelfs nieuwe ramen in. Het zijn afwegingen die je moet maken. Doordat aan de achterkant de cementlaag is verwijderd, kwam de geschiedenis van het pand tevoorschijn. Je hebt met een gebouw te maken, daar moet je respect voor hebben. Je ziet te vaak dat de achtergevel wordt verwaarloosd. Kom eens mee."
Hij, loopt naar de achterkant van zijn kantoortje waar een raam uitzicht biedt op de achterzijde van oude panden. Ze hebben allemaal een dikke pleisterlaag. "Moet je zien, overal pleisterwerk, overal lappen zink. Stel je voor dat wij bij de Langestraat die cementlaag hadden laten zitten. De oorspronkelijke afmetingen van de kozijnen hadden we dan niet kunnen achterhalen, ook de detaillering van de 17e-eeuwse zeldzame driedelige kruiskozijnen hadden we dan niet gevonden. Nu konden ze in overleg met het gemeentelijke Bureau Monumentenzorg in hun oude glorie hersteld worden."

Nieuwenhuis studeerde bouwkunde. Het restauratievak leerde hij zichzelf. "In Hilversum ging ik met mijn ouders naar de kerk. Het was een neo- renaissance gebouw. Tijdens de dienst zat ik te kijken en te kijken naar de kapconstructie. Ik ging zelfs twee keer op een dag naar de kerk, ik wilde alles zien. Ik ging op mijn brommertje naar de grote steden om panden te bekijken. Las enorm veel. Tijdens een schoolvakantie trok ik naar Nieuw Loosdrecht. Daar werd een kerk gerestaureerd. Ik mocht spint kappen, het was rot werk, maar ik kon ook precieze passtukken in monumentale banken maken. Ik genoot."
"Na zijn opleiding werkte hij een tijdje bij een architectenbureau. Het was hem te tam. Op een dag stapte hij het kantoor van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg binnen met de vraag of ze werk voor hem hadden. Dat kwam ze op dat kantoor goed uit. Voor de restauratie van de Oude Kerk in Amsterdam hadden ze een beschrijver nodig. Onder leiding van prof Wegener Sleeswijk werkte hij daar vervolgens dertien jaar, een groot deel van die tijd als opzichter."
"Veel van het gotische karakter van de kerk was verdwenen. Ik denk niet dat de restauratie die daar toen plaatsvond nu nog zou kunnen. Restauraties gebeuren nu vaak te angstvallig, te benepen." Zijn gezicht betrekt als de werkzaamheden van 1990 in de Oude Kerk ter sprake komen. "Dat was geen restauratie, maar een verbouwing", bromt hij, "maar het gebouw heeft een onverwoestbare uitstraling, het overleeft deze ingreep wel".
Over Wegener Sleeswijk praat hij enthousiast. "Van hem heb ik de intensiteit waarmee je moet werken, de nauwgezetheid. Van hem heb ik geleerd hoe belangrijk het is dat je bij restauraties je prioriteiten helder maakt. Uren zat die man soms achter zijn tekentafel. Maar hij ging ook het werk van dichtbij bekijken. Hij had hoogtevrees, hij moest zich vaak vastklampen om niet omlaag te duvelen, maar hij zette door. En dan die bouwvergaderingen waar ook het bestuur bij zat. Die bestuurders waren nog echte aristocraten. Het waren geen vergaderingen, maar disputen, diepgaande gedachtewisselingen. Ik besefte toen dat dit eigenlijk gebeurtenissen uit de verleden tijd waren. Die bestuurders, daar zaten mensen van negentig jaar bij. Hun etiquette, hun manier van praten had iets uit een ver verleden, maar het was echt, het was geen pose."

Nieuwenhuis woont boven Alkmaar. Zijn woning is een oude koolschuur die hij heeft gerestaureerd. Het interieur bevat onderdelen die eigenlijk in de huizen in het Amsterdamse wallengebied thuishoren. "Na mijn werk in de Oude kerk liep ik vaak langs de afvalbakken en containers die op de wallen stonden. Daar lagen soms prachtige dingen in. In de jaren 60-70 werd het herstel van oude interieurs niet meer subsidiabel. Wat er daarna allemaal in puinbakken is gegooid, je houdt het niet voor mogelijk. Ik trok het er uit. Ik heb zelfs een oude gootsteenbak uit de gracht laten halen. Het is triest, heel triest dat er bij interne verbouwingen zo veel verloren is gegaan. En wat ik in die puinbakken zag, zagen de inspecteurs van Monumentenzorg soms niet."
Hij is er overigens niet gelukkig mee dat die inspecteurs zijn vervangen door de inspecteurs van bouw-en woningtoezicht. "De mensen die kennis van zaken hadden, zijn nu weg. Ik heb het nu meegemaakt dat zo'n inspecteur bij een pand kwam met een zandstenen draagbalk boven een muur. Die moest er uit. De inspecteur wilde er beton hebben. Dan botst het. Ik trek me dit soort zaken aan."

Hij grinnikt als hij vertelt over de twee timmerlieden die bij de restauratie van Langestraat 72 aan het werk waren. De onderdorpel was voor een deel rot. Natuurlijk moet je zo'n verrotte dorpel helemaal weghalen als hij uit de negentiende eeuw is. Maar dit was een hele ouwe en die moet je dan zo veel mogelijk in tact houden en herstellen. Je had de gezichten van die timmerlieden eens moeten zien. Vanaf het begin hadden we er ruzie over. Zij vonden het belachelijk dat die dorpel er niet helemaal uit mocht. Maar op een gegeven moment werden ze enthousiast, en ze deden tijdens het werk steeds meer ontdekkingen. Je merkte ook dat ze blij waren dat die dorpel niet zonder meer was verwijderd."
Keuzes maken, daar komt het volgens Nieuwenhuis steeds op aan. "Neem dat pand aan de Binnenkant 28 uit de zeventiende eeuw. Aan de achterkant had je de kleuren uit de zeventiende eeuw, maar aan de voorkant was de kleur uit de achttiende eeuw gebruikt. De uitstraling van het pand was negentiende eeuws. De top was bijzonder, siervazen met een frisse achttiende eeuwse kleur. Je stond voor een keus. Moest je dat sombere groen uit de negentiende eeuw ook in de top aanbrengen die van 1740 was? Of moest dat frisse groen ook naar beneden toe? Nee, dat kon niet. We hebben er voor gekozen de frisse kleur aan de bovenkant op te brengen en de donkere kleur beneden. Het zal voor veel mensen die het zien even wennen en slikken zijn. Ik vind het een verantwoorde keuze. Heel lang was het gangbare idee dat de grachtenpanden het zogenaamde grachtengroen moesten hebben. De laatste tijd denkt Monumentenzorg daar terecht anders over. De kleuren waren vr de negentiende eeuw veel frisser. Waarom zou je die dan ook niet nu gebruiken?"

Nieuwenhuis behoort niet tot degenen die gruwen bij de woorden historiserend bouwen. "Maar als je het doet, moet het heel zorgvuldig gebeuren, anders is het kitsch. Je moet het perfect doen. In de Tuinstraat 171 had Diogenes een onderbouw. Er moest een keus gemaakt worden tussen nieuwbouw of historiserend bouwen compleet met een hele mooie antieke top. We hebben voor dat laatste gekozen. En dat is uiterst zorgvuldig gebeurd. Eigenlijk moet je dan ook met oude stenen werken, maar dat lukte niet. We hebben toen moeten kiezen voor nieuw gebakken stenen. Het is prachtig geworden. Inderdaad daar hebben we onze ziel en zaligheid in gelegd. Dat is bij elk project nodig, anders wordt het niets. Gemakzucht is een bedreiging voor monumentenzorg."

Frans Heddema

(Uit: Binnenstad 191, december 2001.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.