De ingestorte monumenten

Het West-Indisch Huis, de blootgelegde balklaag van de schutterszaal in 1978, de koppen van de moerbalken waren verrot.
Zijn de officieel beschermde monumenten ècht wel beschermd? Dat was de vraag die Paroolredacteur Bert Steinmetz stelde aan Jan van Niekerk, hoofd van het bureau Monumenten en Archeologie (bMA), naar aanleiding van drie spectaculaire instortingen van monumenten die in de steigers stonden voor restauratie.

Terecht wees Van Niekerk in het artikel “Erfgoed mag van de stad geen museum maken” (Parool 23 december 2002), op het sluitende systeem van de ordekaart waarop de mate van bescherming van elk pand in de binnenstad staat aangegeven. De instortingen zijn in dat beeld ‘ongelukken’ die niet kunnen worden voorzien of voorkomen. Bij elk bouwwerk zijn immers inspecteurs van Bouw- en Woningtoezicht betrokken. Van Niekerk stelt de vraag of je nog wel kunt restaureren als je een pand vol zet met stutten: “Wie weet richt je daardoor nog wel meer schade aan”. Dat excuus klopt niet. Van de ruim honderd restauraties die ik namens opdrachtgevende stichtingen heb begeleid wil ik er drie noemen: het West-Indisch Huis, het huis De Pinto en het Bethaniënklooster.
In het West-Indisch Huis had de restauratie in juni ’78 het hoogste punt bereikt. Prins Claus zou komen, er werd een feestelijke bijeenkomst georganiseerd in de schutterszaal, eerste verdieping zijde Haarlemmerstraat. Daarvan was de planken vloer niet best, maar nog wel begaanbaar. De toestand van de balklaag onder die vloer konden we niet beoordelen, daar zat een stucplafon tegenaan. Aanwijzingen dat die balken niet sterk genoeg zouden zijn, waren er niet. Ik heb toen, voor mijn eigen gevoel van veiligheid, stutten geëist. De projectleider vond dat onzin. Hij liet, demonstratief, een mastbos van palen en onderslagbalken neerzetten. Alles ging goed, tot een paar weken later het stucplafond werd gesloopt. Toen bleek dat van driekwart van de zware eiken balken de koppen zo ver waren weggerot dat zij amper hun eigen gewicht konden dragen. Het instortingsgevaar was heel reëel geweest.

Huis de Pinto in 1973, stevig ingepakt om instorting te voorkomen. Huis de Pinto gerestaureerd in 1974/75.

Het Huis de Pinto, Sint Antoniesbreestraat 69, was toen in februari 1974 de restauratie eindelijk kon beginnen, zo bouwvallig dat de architect, op een tijdelijke hulpfundering een ijzeren stutconstructie liet aanbrengen die de balklagen en de kapspanten op hun plaats hield, totdat de bouwmuren weer voldoende draagkracht hadden om het gewicht over te nemen. Dankzij die stutconstructie kon het gebouw veilig uitgepeld en leeggeruimd worden, waarbij vele waardevolle onderdelen uit de 17de eeuw te voorschijn kwamen.
Het Bethaniënklooster in de Barndesteeg was omstreeks 1970 door de gemeente aangekocht, het is het enige restant van de kloostergebouwen van vóór 1500 in Amsterdam. Wegens instortingsgevaar is het toen ontruimd. Het Grondbedrijf heeft vervolgens de fundering versterkt met beton segmentpalen en het gebouw zo stevig ingepakt met stutten, schoren en trekstangen dat het twintig jaar lang kon wachten op een restauratie-initiatief. Dat kwam tenslotte van de daarvoor opgerichte stichting Bethaniënklooster. Het probleem bij de aanpak was, dat voor het constructieve herstel de stutten en trekstangen in de weg zaten, maar dat die hulpstukken onmisbaar waren om de circa vijf eeuwen oude, scheefgezakte kloostermuren overeind te houden. Hoe de ervaren uitvoerder dat voor elkaar heeft gekregen heb ik niet duidelijk kunnen volgen, maar het gebeurde. Tot verbazing ook van de inspecteur van BWT. Het gerestaureerde Bethaniënklooster bevat nu een zaal voor kamermuziek met 125 zitplaatsen, woningen voor conservatoriumstudenten en een middeleeuws gewelfd souterrain voor recepties.

Bonafide bouwers en bestuurders van restaurerende instellingen die in de tweede helft 20ste eeuw met het herstel van de oude Amsterdamse huizen bezig zijn geweest zullen mijn drie gevallen met honderden gelijksoortige ervaringen kunnen aanvullen. Instortingen kunnen niet worden voorzien, maar dergelijke ongelukken kunnen wel door deskundig stut- en stempelwerk worden voorkomen. Oude gebouwen zonder ‘verborgen gebreken’ bestaan niet. Het is een staaltje van domme bezuiniging geweest om bij de reorganisatie van het bureau Monumentenzorg enkele jaren geleden de eigen inspecteurs buitendienst af te schaffen. Die mannen waren vertrouwd met de historische materialen en constructietechnieken, die in het moderne bouwbedrijf niet meer worden toegepast. Die moderne technieken kunnen wel nuttig en nodig zijn bij restauraties en reconstructie. Het is onzin om dat ‘principieel’ te veroordelen en daar de brave tekenaar Anton Pieck als getuige bij te halen. De goede man heeft nooit iets met restauraties te maken gehad. Dat nauwkeurige reconstructies van verdwenen gebouwen of bouwdelen waardeloos zou zijn bij het beheer van een beschermd stadsgezicht, is een achterhaald waanidee. Het aantal en het gehalte van de mensen die zich nu druk maken voor herbouw van het Paleis voor Volksvlijt toont aan dat die doctrinaire jaartal-adoratie “namaak- oud is bedrog” haar tijd heeft gehad. Ik geloof (nog) niet in de kans op realisering van dat idee, maar je kunt nooit weten. Een vroeg voorbeeld van de discussie ‘echt of namaak’ blijft de van ontelbare afbeeldingen bekende campanile van Venetië, die in 1900 instortte en exact werd gereconstrueerd, met al het meesterschap van Italiaanse ambachtslieden. Van dr Henri Polak, toch ook een militante Heemschutter, is het strenge oordeel bekend: die herbouw van de campanile dat was onzin, namaak, dat moest niet gebeuren. Geen mens zou zoiets nu nog zeggen. De toren is even onmisbaar in het beeld van de stad als de Rialtobrug en het Dogenpaleis. Of zou een moderne klokkentoren – stijl 1900 uiteraard – beter op die in de hele wereld bekende plek hebben gepast?

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 197/198, maart 2003.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.