Een fout(je) bij de straatnaamgeving

Onder de belangrijke vrouwen die in de straatnamen achter de Oranje-Nassaukazerne worden herdacht, vergde de juiste schrijfwijze van ir. Jakoba Mulder, directeur Stadsontwikkeling, enig overleg.
In 1992 werd het woongebied ‘Oranje-Nassaukazerne’ voltooid. Het is een onderdeel van wat de Raad voor de Stadsontwikkeling eens het ‘Collier van Amsterdam’ heeft genoemd: de reeks plekken die als een kralensnoer om de binnenstad liggen en waarvan Amsterdam iets moois kon maken.

De kazerne zelf is een eindeloos lang gebouw van bijna driehonderd meter, waar je vroeger meestal langs reed zonder er veel aandacht aan te schenken. Ze is in 1811, toen Nederland deel uitmaakte van Napoleons keizerrijk, gebouwd door Abraham van der Hart, een classicistisch architect, sober maar harmonisch. Uit de beperking dat de kazerne op de Monumentenlijst stond kwam een mooie stedenbouwkundige oplossing voort.
De kazerne met het ruime exercitieterrein erachter, tot dusver een doods stukje stad, kwam nu tot leven. Aan de Sarphatistraat werd een doorgang door de kazerne gemaakt en erachter verschenen woningblokken, waaronder het grote gebogen woongebouw waarop de gouden man prijkt, die met wind en zon kan meedraaien. Langs het water van de Buitensingelgracht staan zes middelhoge woontorens van acht verdiepingen, die door verschillende buitenlandse architecten zijn ontworpen. Er is ruimte uitgespaard, zodat je vanaf de Mauritskade zicht hebt op de tympaan aan de achtergevel van de kazerne. En ik ben dol op het voetgangersbruggetje naar de Dappermarkt.

Vrouwen zoeken

Vanaf de Mauritskade kijkt men langs het voetgangersbruggetje, tussen twee van de nieuwe woontorens door, uit op de achtergevel van de voormalige Oranje- Nassaukazerne: een geslaagd stuk stadsvernieuwing.

Er moesten voor dit gebiedje vier nieuwe straatnamen worden bedacht. We wilden graag vrouwen vernoemen, maar, wees eerlijk, het was altijd een mannenwereld geweest, waar haalden wij voldoende belangrijke vrouwen vandaan? De namen – om er enkele te noemen – van Suze Groeneweg, Aletta Jacobs, Thérèse Schwartze, Maria Tesselschade bewezen, dat onze voorgangers heus wel de belangrijke vrouwen die destijds voorradig waren hadden vernoemd. Nu de vrouwenemancipatie een nieuwe golf beleefde zouden we misschien nog even moeten wachten tot er genoeg nieuwe belangrijke vrouwen gestorven waren om ze te kunnen vernoemen. Of zou het toch lukken?
Voor het Oranje-Nassauterrein vonden we op het gebied van volkshuisvesting en stedenbouw toch nog een paar goede vertegenwoordigsters. Ik dacht meteen aan het rechterhand van Van Eesteren, de bescheiden Juffrouw Mulder, die in 1980 is gestorven. En vervolgens dacht ik aan de voortreksters van de sociale woningbouw en de woningopzichteressen, die moesten toezien of de mensen hun propere woningen wel proper bewoonden. Johanna ter Meulen is een voortrekster geweest, evenals Louise Went, de vrouw van architect J. E. van der Pek, die woningopzichteres is geweest in de Jordaan. Zij behoorden overduidelijk tot een lang vervlogen tijdperk. Met hun leerling en opvolgster Wilhelmina Blomberg erbij hadden we vier vrouwen op wie we trots konden zijn.
Hoe noem je ze, ik bedoel: hoe redigeer je hun naam? Dat is een van de moeilijke vragen bij de straatnaamgeving. Op ons lijstje stond ‘Juffrouw Mulder’, omdat die benaming tijdens haar leven met een zeker dierbaar ontzag werd uitgesproken. Maar toen het voornemen bekend werd, protesteerde Tanja van Bergen ertegen in Het Parool. Dit was volgens haar geen eervolle benaming. Wij zagen na enig tegenstribbelen in dat ze gelijk had: ‘Juffrouw’ Mulder was voor insiders een dierbare herinnering, maar het zou op een breder publiek en zeker na enige tijd kleinerend en op zijn best kleurloos kunnen overkomen. Moest het dan Cobi, of Cootje worden? Nee, dat was te familiair. Jacoba dus en, opnieuw op dringende raad van Tanja van Bergen, met haar titel, want juist doordat ze gestudeerd had was ze een voorbeeld voor haar mede-vrouwen. En nog waren we er niet, want te rechter tijd hoorden we dat het Jakoba moest zijn met een k. Cootje Mulder was namelijk vernoemd naar haar oom Jakob-met-een-k. Dat werd de naam: Ir Jakoba Mulderplein.

Leven ze nog?

Dat was het passen en meten dat bij het werk hoort. Maar het ergste komt nog. Zonder verder bedenken gaven wij Wilhelmina Blomberg als vierde vrouw een plein in het Oranje-Nassauterrein. Toen echter de vernoeming een feit was, ging bij de wethouder de telefoon: “U spreekt met Wilhelmina Blomberg. Er is een plein naar mij genoemd, maar ik leef nog...” Dat nieuws kwam op mijn bordje terecht en ik stond perplex. Zo worden fouten gemaakt, doordat je iets schrijft waaraan je vergeet te twijfelen. Ze zat in mijn geheugen netjes opgeborgen bij die vroege woningopzichteressen, en ik had er niet aan gedacht dat zij een generatie jonger was dan haar voorgangsters. Er zat niets anders op dan mevrouw Blomberg op te bellen, me te verontschuldigen en het totstandkomen van de fout uit te leggen. Ze was wel in goed gezelschap. En het was een mooi stukje stad. We werden het erover eens dat ze de eer had misschien de enige te zijn (buiten leden van het koninklijk huis), die ooit bij leven in Amsterdam een straatnaam heeft gekregen.

Ricardo

(Uit: Binnenstad 200, juni 2003.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.