Juffrouw Mirandolle herbouwt haar stoep

De keuze tussen schoonheid en rechtzinnigheid bij restauratie

vóór de restauratie (foto Bureau Monumenten & Archeologie) na de restauratie (foto Bureau Monumenten & Archeologie)
In 1997 overleed op honderdjarige leeftijd mejuffrouw Georgine Mirandolle, de laatste eigenaresse-bewoonster van het monumentale huis Herengracht 476. Zij had het pand in 1927 gekocht voor fl. 150.000,-- en schonk het in 1953 aan de Vereniging Hendrick de Keyser, op voorwaarde dat zij er, zolang dat ging, kon blijven wonen. Hendrick de Keyser verkocht in 1981 voor dertig jaar het vruchtgebruik van Herengracht 476 aan het Prins Bernhard Cultuurfonds, dat een grondige restauratie ter hand nam, aansluitend bij de reeds in opdracht van mejuffrouw Mirandolle uitgevoerde restauratiewerken. Het Prins Bernhard Cultuurfonds heeft een fraai verzorgd boekje laten schrijven door Wim Zaal: “Het huis aan de bocht”, waaruit gegevens voor dit verhaal zijn geput.

Juffrouw Mirandolle, ongetrouwd en zeer vermogend, stond aan het eind van een traditie, en aan het begin van een nieuwe. De lange rij voorgangers begon met de bouwheer, de arts- regent François de Vicq. Wie de architect is geweest weten we niet, zichtbaar is dat hij een bekwaam bouwmeester was, die het op Palladio geïnspireerde motief toepaste van over de volle gevelhoogte doorlopende pilasters, gekroond door een driehoekig fronton. Dat motief was in de bouwtijd 1666-’70 al ietwat ouderwets, het was de stijl van Jacob van Campen en Philips Vingboons. Een volgende bewoner, Dirk van Lennep verving in 1730 de frontondriehoek door een rijk gebeeldhouwde attiek. Veel grote grachtenhuizen uit omstreeks 1670 werden toen gemoderniseerd; in de zware Louis XIV-decoratie braken de eerste rococokrullen door. Duidelijk werd ook in de interieurs de scheiding benadrukt tussen dienstvertrekken, huiselijke en pronkruimten. De heren regenten onder hun grote allongepruiken waren geen actieve kooplieden meer, zoals hun voorgangers een eeuw tevoren, die goederenberging in souterrain en op zolder nodig hadden, het waren bankiers en renteniers. Met de Franse bezetting deden armoede en zuinigheid hun intrede, er werd meer gesloopt dan gebouwd, onderhoud bleef achter, grote huizen stonden leeg, in de eerste plaats de buitenplaatsen. Herengracht 476 onderging omstreeks 1810 een operatie die in de 19de eeuw veel dubbele grachtenhuizen heeft verminkt. De hoge dubbele stoep verdween, een raam verving de voordeur met haar fraaie omlijsting, de vestibule daarachter werd een extra kamer, de hoofdingang kwam op straatniveau in het midden, de dienstdeuren links en rechts werden complete voordeuren van het souterrain dat nu met grotere ramen als de onderste laag, de begane grond, werd ingericht.
Het was een functionele verbouwing, die kantoorruimte opleverde in plaats van kamers voor inwonend huispersoneel. De dubbelfunctie deftig wonen met kantoor aan huis heeft veel grote huizen van de grachtengordel door de 19de en het begin van de 20ste eeuw in stand gehouden. Naarmate de vermogende families verhuisden, eerst naar de Vondelparkbuurt, vervolgens naar het Gooi en Kennemerland, nam de kantoorfunctie de vrijkomende ruimte in. Die verschuiving was niet altijd zachtzinning maar garandeerde een zekere continuïteit in het onderhoud. Wat in de wijk Le Marais in Parijs gebeurde, waar de interieurs van de statige hotels van de adel na Napoleon verpauperden tot krotwoningen en werkplaatsen, totdat de monumentenzorgers er een ‘secteur sauvegardé’ van maakten, dat geleidelijke vervalproces is de grachtengordel bespaard gebleven, terwijl het zich in de ‘volkswijken’, de Jordaan, de eilanden en de Jodenbuurt rond 1900 al scherp aftekende. De grachtengordel behield haar allure; daar wonen of kantoor houden bleef deftig.
Hadden haar voorgangers bewoners-eigenaars Herengracht 476 naar de smaak van hun tijd ingericht, en waar nodig aangepast aan nieuwe gebruikswensen, voor juffrouw Mirandolle stond het huis als kunstwerk van architectuur en ambacht centraal. Haar eerste adviseur was de architect C.W. Royaards, de meest extreme perfectionist in de restauratiewereld. De verbouwing van 1803 was naar zijn nadrukkelijke uitgesproken mening ‘een gruweldaad’ geweest, die alleen hersteld kon worden door de stoep, de voordeur en het basement van de gevel stijlzuiver en ambachtelijk perfect te reconstrueren zoals François de Vicq deze in 1668 had laten bouwen en versieren. Royaards ging niet zo ver dat hij het driehoekige fronton wilde terugbrengen, de door de beeldhouwers Van Logteren gehakte horizontale attiek is van zo grote artistieke kwaliteit dat vervanging niet aan de orde kwam, ook al omdat de herstelde pilastergevel met haar dubbele stoep en voordeur, en de op zichzelf fraaie attiek boven de kroonlijst weliswaar een halve eeuw in leeftijd verschillen, maar een harmonische eenheid vormen, boeiender dan de oorspronkelijke.

De stoep van juffrouw Mirandolle, net voltooid toen de bezetter het huis vorderde, was na de bevrijding al zo vertrouwd dat men vooroorlogse foto’s moest raadplegen om de ‘gruweldaad’ van 1810 terug te vinden. Die stoep werd een ijkpunt in de discussie over restauratieprincipes. De doctrine dat het zichtbaar houden van de bouwgeschiedenis prioriteit verdient boven wensen van opdrachtgevers om een oorspronkelijke stijleenheid te reconstrueren, werd door die stoep opzij geschoven. De verbouwing 1810 was ongetwijfeld een fase in de bouwgeschiedenis, maar niettemin een gruweldaad tegen de waarde van de gevel als kunstwerk. Een verwante doctrine ontkent zelfs het bestaan van kwaliteitsverschil tussen de bouwfasen. Eind 19de eeuw werden veel trap- en halsgevels vervangen door rechte houten kroonlijsten. Dat was goedkoper dan het met de vereiste zorgvuldigheid opnieuw metselen en voegen van een bouwvallig geworden trap- of halsgevel, wat in de architectuurhistorische ontwikkeling kan gelden als een vorm van horizontale schaalvergroting, en daarmee als een interessante bouwfase. Voor het gevelbeeld waren die eenvormige kroonlijsten een verarming, die geaccentueerd werd door de invoering van het T-raam in plaats van de traditionele roedenverdeling.
De hoofdinspecteur E. van Houten van Bouw- en Woningtoezicht voerde in de jaren ’20 – ’40 de regel in dat bij een sloopvergunning de natuurstenen onderdelen moesten worden bewaard en bij voorkeur herplaatst in nieuwbouw op dezelfde plek. De met een oude geveltop opgesierde panden vormen nu een aparte categorie, de z.g. ‘Van Houten-monumenten’. Vaak is een stijlverband tussen de top en de gevel ver te zoeken, maar aan het nu formeel beschermde stadsgezicht leveren de Van Houten-monumenten een bescheiden, maar wel karakteristieke bijdrage. Belangrijker dan die feitelijke bijdrage is de herwaardering van de gebeeldhouwde fragmenten geweest, waarvan in de jaren zestig een grote voorraad, beschadigd vaak en ongesorteerd, terecht was gekomen op het erf van de voormalige synagoge Uilenburg. De opgave om die fragmenten uit te leggen, te herstellen en te completeren werd in 1968-’86 ter hand genomen door het restauratieatelier Uilenburg. Die herleving sloot aan bij de in de jaren ’60-’70 op gang gekomen restauratiebeweging van de kleinere woonhuismonumenten. Daarvan kregen de gevels nu weer, waar mogelijk, een bijpassende natuurstenen bekroning, en een roedeverdeling van de ramen. Hoeveel lijstgevels ‘teruggerestaureerd zijn tot trap-, hals-, en klokgevels is niet geregistreerd, het zijn er vele dozijnen. Het bureau Monumentenzorg heeft die ontwikkeling van het begin af gesteund. Uit de Rijksdienst komt echter herhaaldelijk de door subsidieweigering bekrachtigde vermaning: “terugrestaureren is principieel verkeerd, het is strijdig met het beginsel ‘behouden gaat voor vernieuwen’, het verstoort een wetenschappelijk interessante bouwgeschiedenis”. Waarop geantwoord kan worden: herplaatsen van de gebeeldhouwde fragmenten doet de praktijk uit de 17de en 18de eeuw herleven, toen die decoratieve sculpturen ter keuze bij de steenhouwers lagen. Om het cultuurhistorische erfgoed van aanleg en bebouwing goed in stand te houden is de wetenschappelijk geschoolde stijlkennis even onmisbaar als bouwhistorisch onderzoek, de ambachtelijke vaardigheid bij de uitvoering, en – niet te vergeten – de financiële ruimte om de onrendabele top van het werk op te vangen. De stoep van mejuffrouw Mirandolle werd in de eerste oorlogsjaren perfect gereconstrueerd. Dat was het begin van het restauratieprogramma van Herengracht 476 onder leiding van architect A.A. Kok, dat kamer na kamer het kostbare interieur heeft opgeknapt en bruikbaar maakte voor de veelzijdige activiteiten van het Prins Bernard Cultuur Fonds. De stoep van mejuffrouw Mirandolle kan gelden als signaal in de bezettingstijd voor een nieuwe manier om met monumenten om te gaan. De reconstructie door architect Royaards betekent: bouwgeschiedenis handhaven is een goede zaak maar geen onwrikbaar voorschrift, historisch interessante verminkingen kunnen als artistieke gruweldaden gelden en eisen dan correctie. Behalve hun eigen kwaliteit hebben de gevels hun waarde als onderdeel in een gevelwand. Herplaatsing van gebeeldhouwde fragmenten is, indien stilistisch en ambachtelijk verantwoord uitgevoerd, zowel een verrijking van het pand zelf als van het stadsbeeld.

Geurt Brinkgreve

Het boek "Huis aan de bocht" is via de Amsterdamse boekwinkels te bestellen. De prijs bedraagt 16 euro.

(Uit: Binnenstad 201, september 2003.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.