Een nieuwe welstandsnota

Het werk van de Commissie voor Welstand en Monumenten (Amsterdam) wordt gestuurd door de nota De Schoonheid van Amsterdam, een kader voor het welstandsbeleid 1999, vastgesteld door de gemeenteraad. Die nota biedt uitgangspunten en criteria voor de beoordeling van bouwinitiatieven in de gemeente, onderscheiden naar gebied. Op 1 januari 2003 is de nieuwe Woningwet in werking getreden. In die wet is bepaald dat gemeenteraden uiterlijk op 1 juli 2004 een welstandsnota moeten hebben vastgesteld waarin duidelijk is aangegeven aan welke criteria plannen zullen worden getoetst.
Het voormalige pand Korte Prinsengracht 38-40 (tekening Juliet Oldenburger) Oudeschans 3, ontworpen door H. Zeinstra (tekening Juliet Oldenburger)

Zonder zo’n nota mag het bestuur na die datum geen welstandseisen meer stellen. En ook al zijn we het niet altijd eens met het oordeel van de welstandscommissie, het staat als een paal boven water dat welstandstoezicht absoluut noodzakelijk is om bouwinitiatieven in goede banen te leiden. De welstandscriteria moeten, zo is de bedoeling, zo concreet zijn dat de burger op voorhand weet hoe zijn plan zal worden beoordeeld. Een goed streven, maar of dat in de praktijk ooit helemaal valt te realiseren kun je betwijfelen. Hoe dan ook, de geldende nota biedt wat dat betreft zeker onvoldoende houvast, dus moet er een nieuwe komen. Bovendien moet die nota nu worden vastgesteld door de stadsdeelraad.
Er is een projectgroep door het stadsdeelbestuur aan het werk gezet om deze klus te klaren en het concept van de nieuwe nota is intussen in de inspraak gebracht. Vanzelfsprekend heeft onze vereniging de kans aangegrepen om haar mening te laten horen.

Zijn wij tevreden over de nieuwe nota? Ja en neen.
Ja, omdat naar onze mening de nota een serieuze poging is om meer duidelijkheid te scheppen en omdat wij het met de uitgangspunten ervan in hoofdlijnen wel eens kunnen zijn. Neen, omdat de nota naar onze mening niet ver genoeg is uitgewerkt om echt voldoende houvast bij de planbeoordeling te bieden en omdat zij daardoor ook de burger onvoldoende duidelijkheid biedt.
De nota formuleert het uitgangspunt als volgt: “Amsterdam heeft een eeuwenoude, gaaf gebleven, wereldwijd geroemde stadskern. Een uniek, maar ook kostbaar collectief bezit. De concentratie van een rijk en veelzijdig, in vijf eeuwen opgebouwd, gebouwenbestand in een grotendeels gave historische structuur stelt hoge eisen aan de kwaliteit en de zeggingskracht van nieuwe architectuur. Het belangrijkste uitgangspunt voor nieuwe ingrepen is de verantwoorde inpassing in de structuur en de architectuur van de binnenstad. Wie in de Amsterdamse binnenstad wil bouwen zal geen “confectie” maar “haute-couture” moeten leveren. Dat betekent dat, wat het stadsdeel Amsterdam-Centrum betreft, de kenmerken van het typische Amsterdamse “stadshuis” en varianten daarop een belangrijke basis zijn voor de welstandscriteria zoals die in deze nota staan.”
Hoewel wij nieuwe ingrepen natuurlijk zoveel mogelijk willen voorkomen lijkt, als zij onvermijdelijk zijn, het bovenstaande een goed uitgangspunt. Dat blijkt ook uit de in het laatste deel van de nota geformuleerde toetsingscriteria.
Er zit wel een klein addertje onder het gras. Voor grotere projecten gelden de criteria uit de welstandsnota niet. Dat betekent niet dat alles mogelijk is. Als zo’n project aan de orde komt zal de stadsdeelraad daarvoor de welstandscriteria expliciet apart vaststellen. Het formuleren van de welstandscriteria wordt in zo’n geval onderdeel van de (stedenbouwkundige) planvoorbereiding met de daarbij behorende inspraakmogelijkheid.

Omdat het centrum van Amsterdam een beschermd stadsgezicht is moet voor vrijwel iedere ingreep een bouwvergunning worden gevraagd. Het Dagelijks Bestuur vraagt steeds advies aan de welstandscommissie en volgt meestal dat advies. Het heeft echter de bevoegdheid daarvan af te wijken, b.v. als het vindt dat de commissie de criteria niet of niet juist heeft toegepast. Het D.B. kan volgens de Woningwet ook van het advies afwijken omdat het andere belangen zwaarder vindt wegen. Zo’n afwijking moet goed worden gemotiveerd, iets wat nog niet echt in de Amsterdamse bestuurscultuur is verankerd, en moet bij de jaarlijkse rapportage vanzelfsprekend aan de stadsdeelraad worden gemeld. Daarin schuilt een zeker risico, maar dat is naar onze mening praktisch onvermijdelijk en binnen gezonde bestuurlijke verhoudingen ook acceptabel.

De nieuwe Welstandsnota

Belangrijk is dat in de nieuwe nota niet alleen de bebouwing aan de orde komt, maar ook de openbare ruimte en het water. Wat betreft het water gaat het ook om de woonschepen. En als onderdeel van de bebouwing ook, afzonderlijk, om de reclame. Het zal niet lukken om alles meteen in de voor medio 2004 vast te stellen nota op te nemen. Aangezien het uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever is ieder jaar de werking van het beleid te evalueren en zo nodig bij te stellen komt er nog genoeg gelegenheid tot aanpassing.
Dat laatste is belangrijk i.v.m. het aspect van de nota waarmee onze vereniging niet zo gelukkig is. Wij vinden - en met ons de welstandscommissie - dat in de nota te weinig onderscheid is gemaakt tussen de qua karakter soms nogal uiteenlopende delen van de binnenstad. Omdat de verschillen in de binnenstad zo groot zijn is het niet altijd goed mogelijk om toetsingscriteria zo te formuleren dat zij overal toepasbaar zijn en tegelijk zo concreet dat het voor de burger duidelijk is waarop hij of zij zich bij het ontwerp moet richten. En anderzijds worden zaken soms dwingend geformuleerd die niet in alle omstandigheden zo dwingend toegepast hoeven te worden.
Met andere woorden er zal nog een gebiedsverfijning moeten volgen wil er sprake zijn van maatwerk. En juist maatwerk is onontkoombaar om het werk van de welstandscommissie voldoende te kunnen sturen en om de burger voldoende duidelijkheid te bieden. Het aanbrengen van die verfijning is niet gemakkelijk en het is uitgesloten dat dit nog lukt binnen de tijd tot de fatale datum. Laat het stadsdeelbestuur daarom de periode tot de eerste evaluatie in 2005 benutten om de relevante verschillen in gebiedskarakteristiek goed in kaart te brengen en de toetsingscriteria daarna waar nodig te differentiëren. En laat het stadsdeelbestuur aan de welstandscommissie expliciet de opdracht geven om in de komende periode systematisch de punten waarop een verdere differentiatie nodig is te registreren. Dat is eigenlijk een vanzelfsprekendheid want het is de bedoeling dat de commissie steeds duidelijk aangeeft op grond van welke criteria zij tot haar oordeel is gekomen. Als daarbij blijkt dat tussen het oordeel van de commissie en de geformuleerde toetsingscriteria in veel gevallen een breed gebied van nadere interpretatie ligt zijn de criteria niet goed geformuleerd. Hetzelfde geldt wanneer de commissie moet constateren dat de toepassing van de criteria in een flink aantal gevallen tot beperkingen leidt die niet nodig zijn.

Tot slot nog een algemene opmerking. Wat in een gebied kan worden gebouwd wordt in hoofdlijnen bepaald door het bestemmingsplan. Het welstandstoezicht is daarop als het ware een aanvulling vanuit een andere invalshoek. Samen bieden zij het bestuur de mogelijkheid om in het algemeen belang richting te geven aan het bouwen. Wat het beste met behulp van welk instrument kan worden geregeld is niet altijd direct duidelijk. Een uitgebreider gebiedsgerichte beschrijving van wat de na te streven kwaliteiten zijn kan helpen om tot een optimale elkaar versterkende inzet van beide instrumenten te komen.

Herman Pinkse

[Schriftelijke inspraakreactie]

(Uit: Binnenstad 204, maart 2004.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.