De Raad van State en het bestemmingsplan Westerdokseiland

Zichtlijnenstudie kopgebouw: de belangrijkste zichtlijn is die vanuit de Keizersgracht. Maquette van het kopgebouw. Door het grootste gapende gat zou de zichtlijn vanuit de Keizersgracht lopen.
Begin december 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de beroepen die waren ingesteld tegen de beslissing van Gedeputeerde Staten over het bestemmingsplan Westerdokseiland. Omdat het waarschijnlijk niet voor ieder direct duidelijk is wat dat betekent eerst een heel korte samenvatting van de bestemmingsplanprocedure.

De gemeenteraad (of in Amsterdam de stadsdeelraad) stelt een bestemmingsplan vast nadat iedereen daarover zijn zegje heeft kunnen doen. Het vastgestelde bestemmingsplan gaat ter goedkeuring naar Gedeputeerde Staten (G.S.). Daar kunnen degenen die eerder bij de raad zienswijzen hebben ingediend opnieuw in actie komen; zij kunnen nu bij dat college bedenkingen indienen op de punten die zij eerder hebben aangevoerd of op punten die door G.S. buiten goedkeuring zijn gehouden. Als G.S. een besluit hebben genomen is er nog één mogelijkheid tot verzet: beroep daartegen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met dezelfde beperkingen. De uitspraak van de Afdeling is bindend voor alle partijen. Het is daarom van groot belang wat de Afdeling over dit plan heeft gezegd.

In eerste instantie leek het er op dat degenen die bezwaar hadden tegen de massale bebouwing op het Westerdokseiland en in het water van het IJ voor een deel gelijk hadden gekregen. Die laatste bebouwing, het z.g. kopeiland, is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder RvS genoemd) buiten goedkeuring gehouden. Maar helaas, de vreugde was van korte duur. In beroep was gesteld dat de geprojecteerde bebouwing op beide onderdelen een aantasting vormde van het beschermde stadsgezicht en omdat de RvS het kopgebouw niet goedkeurde leek het erop dat zij, althans voor dit onderdeel, deze mening deelde.
Nauwkeurige lezing van de niet altijd direct duidelijke juridische formuleringen leerde dat dit niet het motief was voor de afwijzing. De RvS maakte alleen bezwaar tegen het feit dat de gemeente de bebouwing niet precies genoeg had geregeld maar wees die bouwmassa niet principieel af. De zg. zichtlijnen, die heel duidelijk in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen waren opgenomen waren niet formeel in het bestemmingsplan vastgelegd. Dat vond de RvS niet aanvaardbaar, maar over de aanvaardbaarheid van het plan als zodanig sprak zij zich niet uit. Dat geeft al weinig hoop voor de toekomst, maar wat er verder in de uitspraak staat maakt het verhaal nog erger.
De bouwplannen tussen de Westerdoksdijk en het Westerdok zijn door de RvS goedgekeurd en daarbij heeft zij zich wel uitgesproken over de relatie met het beschermde stadsgezicht. Samengevat zegt de RvS dat de begrenzing van het beschermde stadsgezicht zodanig moet zijn gekozen als nodig is voor de handhaving van het te beschermen stadsbeeld, ook van buitenaf. M.a.w. daarbuiten kan de gemeente haar gang gaan, tenzij er een directe relatie is met andere belangen in het kader van de ruimtelijke ordening. De RvS zag dan ook geen aanleiding om genoemde bouwplannen niet goed te keuren.

Voorzover ons bekend is de stelling van de RvS geheel nieuw. Wordt dit vaste jurisprudentie dan ziet het er voor beschermde stads- en dorpsgezichten niet best uit, ook al mag je aannemen dat gemeentebesturen zich daaraan in het algemeen wel wat gelegen laten liggen. Maar ook goedwillende gemeentebesturen kunnen het nu moeilijk krijgen als zij medewerking weigeren aan plannen van ontwikkelaars met als argument dat het aangrenzende beschermde stadsgezicht die ontwikkeling niet toelaat.
Er lijkt alle aanleiding te zijn om vanuit de monumentenoptiek deze uitspraak grondig te bestuderen. De consequentie zou kunnen zijn dat beschermde stads- en dorpsgezichten groter moeten zijn en ook een overgangszone moeten bevatten met beperkende regelingen. Het is de vraag of we daarmee op de goede weg zouden zijn. Wij zijn erg benieuwd naar de visie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg over deze uitspraak.

Herman Pinkse

[Uitspraak van de Raad van State]

(Uit: Binnenstad 204, maart 2004.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.