Anthony Tung: “Stadsherstel gaf Amsterdam geschenk”

De binnenstad onder een internationaal vergrootglas

Anthony M. Tung
"Preserving the world's great cities. The destruction and renewal of the historic metropolis"
New York, 2001
De Amerikaanse architectuurhistoricus Anthony M. Tung bracht in november 2004 wederom een bezoek aan Amsterdam. Hij kwam in de Amstelkerk en in het Aalsmeerder Veerhuis. Zijn in 2001 verschenen standaardwerk “Preserving the world's great cities. The destruction and renewal of the historic metropolis” was daarbij uitgangspunt voor het gesprek. Prof. Tung wilde meer weten over de Stadsherstel-aanpak. Over de stadsvernieuwing in de voormalige Jodenbuurt velde hij een hard oordeel.

De vermelding van de Amsterdamse binnenstad op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO is voorlopig uitgesteld door de benoeming van oud-staatssecretaris Van der Ploeg in de desbetreffende UNESCO-commissie. In Haagse Kringen realiseert men zich blijkbaar nog altijd niet dat ons land maar één monument van wereldklasse bevat, namelijk de Amsterdamse binnenstad. Dat de Nederlandse vertegenwoordiging in dat illustere gezelschap werelderfgoed begon met het voormalige eiland Schokland en het molencomplex van Kinderdijk is veelzeggend voor het vaderlandse gevoel voor proporties, zeker in verhouding tot wereldmonumenten als de Chinese muur en de piramiden van Gizeh. Dat gevoel voor proporties komt terug bij raadpleging van het boek van prof. Tung. In de reeks van door de auteur besproken hoofdsteden van cultuurhistorisch wereldformaat, werd onder meer ruim aandacht besteed aan Cairo en Beijing. Cairo heeft nog steeds een indrukwekkende middeleeuwse kern, die voor het eerst aangetast werd door drie jaren Franse bezitting 1798- 1801. Het Napoleontische gouvernement voerde straatvegers in, die na herstel van het Turkse bestuur prompt weer afgeschaft werden en Cairo in de 19de eeuw, onder Engels koloniaal bewind, de reputatie bezorgde de vuilste hoofdstad ter wereld te zijn. De Europese invloed bleef beperkt tot enkele verkeerswegen met grote gebouwen. Achter die schil naar het voorbeeld van Parijs verkommerde de traditioneel middeleeuwse stad.

Cairo - Beijing

Singapore: ongeremde hoogbouw verplettert de koloniale stad
(afbeelding uit het besproken boek)
Een gevelwand in Venetië die vraagt om onderhoud.

De enorme bevolkingsexplosie na Wereldoorlog II bracht geen nieuwe welvaart. Cairo groeide van 600.000 tot 12 miljoen inwoners. Een loodzware bureaucratie blokkeert de noodzakelijke stadsvernieuwing. Wat er gebouwd wordt, gebeurt vaak illegaal. Dat zijn enkele hoofdlijnen van prof. Tungs beschouwing over Cairo. Hij vermeldt ook hoe de plaats van de Piramide van Gizeh op de UNESCO-lijst een praktisch effect had toen de Egyptische regering voor de toeristen een autoweg wilden aanleggen van de stad naar de piramiden. De UNESCO-commissie ontdekte dat in twee jaar 58 verschillende ambtelijke instanties al goedkeuring voor die aanleg hadden gegeven. Het UNESCO-statuut was in die kringen onbekend. Gebaseerd op het rapport van de UNESCO-commissie ging de autoweg niet door. Een heel ander verhaal vertelt Beijing, vroeger Peking. Toen omstreeks 1950 in het kader van de Koude Oorlog de Sovjetrussische ‘hulp’ aan de verwante Chinese volksrepubliek op gang kwam, had de stad nog een gave eeuwenoude ommuring met grote poorten en grachten. Daar werd drastisch de bijl in gezet. Zodoende ging het houvast van het geometrische patroon van de reusachtige stad verloren. Alleen de beroemde ‘verboden stad’, die nu niet langer verboden is, werd niet ‘gemoderniseerd’. Wel had het terugtrekkende Kwo-Min-Tang-leger alles wat van de kostbare inventaris vervoerd kon worden meegenomen naar Taiwan. Rondom het gebied van de woonstad uit de eeuwen van het keizerrijk ligt een ring van fabrieken die een ongehinderde luchtvervuiling produceren. Volgens Tung is van de historische bouwkunst nog rond 5% over, toen de communisten aan de macht kwamen was dat 50%.

Amsterdam-Wenen

De door hun historische bouwkunst beroemde steden die in het overzicht van prof. Tung nader besproken worden, zijn gegroepeerd, soms gecombineerd, naar bepaalde thema’s. Beijing en Moskou vertellen het verhaal van het antistedelijke vandalisme van de communistische dogmatiek. Venetië dat van de spanning tussen toerisme en bewoonbaarheid. Waarom zijn Amsterdam en Wenen gecombineerd onder de titel “Behoud en sociaal geweten”? De historische rol van die twee steden is veeleer tegenovergesteld. Amsterdam is de typische burgerstad van individuele huizen waar nooit een nationaal regeringscentrum gevestigd is geweest, Wenen is vijf eeuwen lang een feodaal bestuurscentrum geweest, waar het woonblok rond een binnenplaats zowel voor deftige appartementen als voor goedkope huurwoningen gangbaar was. Een adelspaleis verschilde uiterlijk niet van een huurpaleis. De overeenkomst is, zo stelt prof. Tung, dat daar in het begin van de 20ste eeuw in twee van de gaafste en mooiste historische stadsbuurten vooruitstrevende initiatieven van sociale volkshuisvesting ontwikkeld werden. Dat gebeurde in beide steden onder socialistische signatuur, in de overtuiging dat arbeiderswoningen ook architectonische kwaliteit kunnen hebben. De metselwerkfantasie van onze Amsterdamse School getuigt daarvan. Puriteinse Duitse functionalisten noemden dat ‘Amsterdammer kitsch’. In Wenen zijn het grote complexen als de Karl Marx Hof die uit dezelfde inspiratie voortkwamen.

Wenen

Het socialistische stadsbestuur van Wenen eindigde in straatgevechten totdat de Anschluss de deur opende voor de geüniformeerde onderwereld. Wenen werd zwaar getroffen in de Tweede Wereldoorlog; 52 bombardementen en 10 dagen straatgevechten hadden in de hele stad maar vooral in de industriële buitenwijken grote gaten geslagen. Enkele geruïneerde topmonumenten werden nauwkeurig gereconstrueerd, zoals de kapconstructie van de S. Stefan met het enorme wapenschild in geglazuurde pannen. Eerder getroffen gebouwen werden zo goedkoop mogelijk gerepareerd, zonder de decoratieve onderdelen die juist de Weense charme gaven aan het straatbeeld. In tegenstelling tot Warschau waar de sporen van de planmatige vernieling door de bezetters zo nauwkeurig mogelijk werden weggewerkt, liet het Weense stadsbestuur bronzen gedenkplaten op gehavende gebouwen aanbrengen. Eén voordeel van Wenen tegenover Amsterdam is geweest dat de bouwmethode van paleisachtige blokken, behalve haar constructieve soliditeit, ook haar sociale functie van deftige appartementen behield, en daarmee een minimum aan onderhoud, terwijl de grote grachtenhuizen van Amsterdam in de 19de en 20ste eeuw hun woonfunctie verloren. Wetgeving en organisatie van de monumentenzorg in Wenen dateren nog uit de Habsburger tijd, maar zonder nieuw elan, de eens zo feestelijke stad heeft haar zwierigheid verloren. Terwijl in het naoorlogse Wenen volkshuisvesting en aandacht voor het historische stadsbeeld hun onderlinge samenhang kwijtraakten, was dat in Amsterdam juist de motor van een belangrijk uit de in de stedelijke geschiedenis geïnteresseerde burgerij voortgekomen initiatief.

Cultureel geweten

De 19de eeuw, zo stelt prof. Tung, is, als direct gevolg van de industriële revolutie en de daarmee samenhangen bevolkingsgroei in de steden, de tijd geweest van de grote vernieling van het onvervangbare stedelijk erfgoed. Maar het is ook de eeuw geweest waarin onder de ontwikkelde burgerij een cultureel geweten ontwaakte dat in allerlei verenigingen vorm kreeg. Daaruit is de monumentenzorg als overheidstaak gegroeid. Onafhankelijk daarvan, en gestuwd door arbeidersbeweging, ontstond er een sociaal geweten dat geschokt reageerde op de erbarmelijke woontoestanden in alle wereldsteden. Krotopruiming werd een maatschappelijke plicht. Waar de moderne bouwtechniek, de ruimte-eisen van het autoverkeer en krotopruiming met een uitsluitend marktgericht grondbeheer samengaan, daar is in de twintigste eeuw een techniek (Tung noemt het zelfs een ‘cultuur’) voor vernieling ontstaan, die het werelderfgoed van de in 25 eeuwen gegroeide stedelijke cultuur met ondergang bedreigt. Het ontbreekt niet aan wettelijke beschermingsbepalingen, maar wel aan handhaving daarvan, en aan praktisch onderhoud en herstel. In Oost-Azie, vooral in Japan, bestaat een methode om periodiek van gecompliceerde houten gebouwen onderdelen die door houtrot zijn aangetast, te vervangen door exacte kopieën van dezelfde houtsoort. Behalve die permanente reconstructie van individuele beroemde tempels kent Japan een gedetailleerd beleidsprogramma om van enkele wijken van Kyoto de karakteristieke aanleg en bebouwing te behouden, waar nodig te herstellen.
Uit Parijs haalt Tung het voorbeeld aan van de wijk Le Marais, aansluitend bij de Place des Vosges. Wie vóór 1940 in Parijs heeft rondgedwaald herinnert zich dat vervallen wijkje waar deftige hotels van vóór 1789 toen huisvesting boden aan talrijke kleine halfindustriële bedrijfjes. Straten waren nauwelijks begaanbaar en de woningen, voor zover je daarvan als voorbijganger een glimp kon opvangen, zouden in Amsterdam allang onbewoonbaar zijn verklaard. Nu is Le Marais, net als het prachtige plein met rondgaande bebouwing uit begin 17de eeuw, hersteld zoals Franse architecten en artisans dat nog in de vingers hebben. Het is opnieuw, zoals 400 jaar geleden, een wijk van stand, met musea, aanzienlijke woningen en kantoren. Als die opknapbeurt achterwege was gebleven, dan had voortgaand verval de stichting van een moderne kantoortoren, zie de Tour Montparnasse, waarschijnlijk ‘bespreekbaar’ gemaakt, en dat is overal de gevarenzone voor het bouwkundige erfgoed: vergelijk het verhaal van de Zandhoek in Amsterdam, waar industriële bebouwing voorkomen werd door monumentenrestauratie.

Amsterdam

Voor ons trekken in het globale overzicht van prof. Tung de passages over Amsterdam het eerste de aandacht. Monumentenzorgers zijn vanuit hun 19de-eeuwse oorsprong geneigd om te denken in eenheden van nationale stijlontwikkelingen, niet in Europese, en allerminst Oost- Aziatische, dat is, ondanks respect en bewondering, een verafgelegen, vreemde wereld. Terecht luidt de ondertitel van Tungs boek The destruction and renewal of the historic metropolis. Hoe verschillend de schoonheid van de besproken steden ook zijn moge (en dat is juist hun charme), de stoomwals van destructie is internationaal evenals het vervangende toekomstbeeld van hoogbouw in staal, beton en glas met parkeerkelders ondergronds. Om te redden wat er nog te redden valt, zijn wettelijke bepalingen nodig, maar onvoldoende zolang er veel te verdienen valt met overtreding daarvan. Het enige wat echt helpt zijn lokale, van overheidswege gesteunde initiatieven om verouderde krotopruimings- en cityvormingsidealen te vervangen door methoden van vakkundig bouwkundig herstel en functionele vernieuwing, waarbij de bekende museale restauratie van het individuele architectuurhistorisch belangrijke object de stoot geeft tot buurtherstel met een economisch en sociaal verantwoorde exploitatie. De daarvoor ontworpen formule vond prof. Tung alleen in Amsterdam, in de doelstelling van de Amsterdamse Mij. tot Stadsherstel, na de fusie met het Amsterdamse Monumentenfonds uitgegroeid tot Stadsherstel Amsterdam n.v. “Stadsherstel”, zo formuleert prof. Tung, “heeft Amsterdam een kostbaar geschenk gegeven: een realistische strategie voor stadsvernieuwing met behoud van het historische karakter, die bewezen heeft in de praktijk te functioneren. Beleidslijnen voor individuele restauraties, noodzakelijke vernieuwing, sociale volkshuisvesting en functionele vernieuwing, die apart van elkaar niet opgewassen zijn tegen de wereldwijde strategie van de vernieling, kunnen gecombineerd de nodige kracht ontwikkelen.”
De laatste principiële botsing tussen enerzijds de stadsherstelmethode en de anderzijds modernistische stadsvernieling ziet Tung in het Nieuwmarktgebied en de voormalige Joodse buurt. “Het vernieuwde gebied is een lomp compromis tussen eigentijds ontwerp en historische bouwtraditie, dat zijn vorm kreeg in een hard bevochten politieke concessie. Het is lang niet zo verenigbaar met het overige Amsterdam als de gebouwen die er voordien stonden. Op verschillende aangrenzende blokken van de weggesloopte Jodenbuurt demonstreren grote onsympathieke moderne constructies de slechtst denkbare breuk tussen de traditionele stad en de twintigste eeuw. De prijs van de dramatische stads-chirurgie is daar overduidelijk.”
“Dramatic urban surgery” dat is ditmaal geen lokaal oude-heren-gemopper, maar het oordeel van de man, die doorgaat met zijn studie van wat er overblijft van het werelderfgoed aan waardevolle stedelijke architectuur. Dat allerwegen slinkende erfdeel wordt niet alleen bedreigd door commerciële hoogbouw, maar ook door wat Tung ‘gentrification’ noemt, verdringing van huurwoningen voor een gemengde bevolking door alleen koopappartementen voor een kapitaalkrachtige koperscategorie. Het oordeel van de expert, die de herleving van onze omstreeks 1950 slooprijpe binnenstad in de periode 1953-2004 plaatst in de context van wat in andere beroemde monumentensteden gebeurt, zou in het overleg tussen Den Haag en Amsterdam op de agenda moeten staan.

Geurt Brinkgreve

(Uit: Binnenstad 210, maart/april 2005)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.