Het Edisontheater op de Elandsgracht - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Het Edisontheater op de Elandsgracht

Voor de tapijthal op Elandsgracht 92 is een bouwplan ontwikkeld ten behoeve van een hotel. Het gaat om de verhuizing van een bestaand hotel uit het Wallengebied. De gemeente werkt hieraan mee vanwege de beoogde ‘upgrading’ van het Wallengebied (Project 1012). Onze vereniging heeft destijds besloten om maar eens te kijken hoe de Welstandscommissie in deze kwestie zou handelen. (1)
Afb. 1. Het voormalige Edisontheater aan de Elandsgracht (foto: Stadsarchief Amsterdam) Afb. 2. Het afgekeurde ontwerp voor Elandsgracht 92 Afb. 3. Nieuwe, goedgekeurde ontwerp voor Elandsgracht 92 (Kampman Architecten)

Van het voormalige Edisontheater is door een aantal verbouwingen vrijwel niets meer over. Aan de binnenkant is het een soort fabriekshal en de voorgevel is nog maar een schim van wat het ooit was (afb. 1). Door zijn geslotenheid is deze gevel een dissonant in de gevelwand. Behoud van een gebouw is alleen wenselijk als er voldoende behoudenswaardige zaken aanwezig zijn of als de gevels waardevol zijn voor het stadsgezicht. Bij de laatste inventarisatie t.b.v. de gemeentelijke monumentenlijst is het Edisontheater niet als zodanig gewaardeerd en ook een nieuw onderzoek, naar aanleiding van de huidige sloop/nieuwbouwplannen, heeft niets opgeleverd. In zo’n situatie heeft het geen zin nog langer voor het behoud van het gebouw op te treden en dient alle aandacht te gaan naar de criteria voor de nieuwbouw. Dat schept zeker een probleem, want alleen een formele monumentenstatus kan een eigenaar dwingen met de sporen van het verleden rekening te houden. De eigenaar heeft dan echter niet langer te maken met Monumentenzorg, maar met de Welstandscommissie.
Het eerste bouwplan van de eigenaar was historiserend (afb. 2). Het ontwerp refereert aan de oorspronkelijke, rijk gedetailleerde gevel van het Edisontheater, zij het dat het twee verdiepingen hoger is, waardoor de verhoudingen totaal anders zijn. Wij hadden wel verwacht dat de Welstandscommissie bezwaar zou hebben tegen dit historiserende plan, maar de wijze waarop dat gebeurde verbaasde zelfs ons. De commissie was van oordeel dat de architect het meest karakteristieke aspect van de bestaande gevel, namelijk de ‘ongenaakbaarheid’, als uitgangspunt voor het nieuwe ontwerp diende te nemen. Nu verdraagt de geslotenheid van een tapijthal zich slecht met het karakter van een hotel, dus de architect werd met een schier onmogelijke opdracht opgezadeld met als resultaat een modieuze manifestatie – met smalle spleetjes als vensters – die wederom een dissonant in de gevelwand zal vormen (afb. 3). 
Beide plannen gaan dus terug op een oudere situatie, het aanvankelijke plan refereerde aan de oorspronkelijke geornamenteerde gevel, terwijl het nieuwe plan naar de huidige gesloten gevel verwijst, maar het karakter van het laatste plan komt meer tegemoet aan de wens van de Welstandscommissie dat nieuwbouw zich ook moet manifesteren als ‘eigentijds’ zonder al te veel rekening te houden met het beschermd stadsgezicht, en het verbaast dan ook niet dat deze benadering de commissie meer aansprak.

Wat kunnen we hier nu uit concluderen? De Welstandscommissie is destijds opgericht om ervoor te waken dat nieuwe gebouwen ‘wel staan’ in de gebouwde omgeving en aan de bestaande kwaliteit van die omgeving geen afbreuk doen – niet om architectuurbeleid te voeren en voorkeuren uit te spreken voor bepaalde bouwstijlen. Dat deze oorspronkelijke doelstelling geheel lijkt te zijn verlaten, blijkt uit het feit dat de commissie graag de huidige Welstandsnota wil wijzigen om meer ‘vernieuwende projecten’ mogelijk te maken. Geheel voorbijgaand aan de herleefde belangstelling van jonge architecten voor historische architectuur, schrijft Martin van Dort in het laatste jaarverslag van de commissie dat er in de binnenstad sprake is van een ‘verstarrende regelgeving’ met als gevolg een ergerlijk ‘pragmatisme om wijzigingen onopvallend in de historische context in te passen’. (2) De Welstandscommissie ziet liever ‘eigentijdse’ architectuur in de binnenstad verschijnen en geeft dus haar eigen invulling aan de betekenis van het ‘beschermd stadsgezicht’. Het karakter van de binnenstad blijft hierdoor echter niet behouden, maar wordt langzaam omgevormd. Het lijkt mij daarom aanbevelenswaardig niet de Welstandsnota, maar de Welstandscommissie te vervangen. In de sollicitatieprocedure dient er m.i. op te worden gelet dat de personen zich committeren aan de Welstandsnota en het daarin vastgelegde uitgangspunt om het stadsgezicht te beschermen.

Walther Schoonenberg

Noten:
(1) Zie: Herman Pinkse, Wedergeboorte van het Edisontheater? in: Binnenstad 236 (oktober 2009) en Herman Pinkse, Elandsgracht 92 in: Binnenstad 237 (december 2009).
(2) Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam 2009, Amsterdam 2010, p. 34.

(Uit: Binnenstad 249, december 2011)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.