Het bolwerk Osdorp opgegraven - Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad

Het bolwerk Osdorp opgegraven

Onder het puin van het eind vorig jaar gesloopte bejaardenhuis Bernardus, Nieuwe Passeerdersstraat 2, gelegen tussen de Singelgracht en de Marnixstraat, hebben de Amsterdamse stadsarcheologen van Bureau Monumentenzorg en Archeologie (BMA) onder leiding van Jerzy Gawronski resten blootgelegd van het bolwerk Osdorp.

Dit bolwerk maakte deel uit van de Derde Uitleg van 1613 die van het IJ tot aan de huidige Leidsegracht liep. Vanaf het IJ gezien vormde dit bastion het elfde en laatste bolwerk van de stadswal, die pas zijn volle omvang bereikte bij de Vierde Uitleg in 1663, toen de stadswal 26 bolwerken telde. Tussen twee bolwerken bevond zich steeds een rechte wal of ‘gordijn’, dat ongeveer even breed was als een bolwerk. De bolwerken stonden haaks op die gordijnen en eindigden in een vooruitstekende punt, waarvan de zijden eveneens haaks op elkaar stonden. Vanuit de bolwerken konden de verdedigers vijanden die de gordijnen naderden vanuit de flanken bestoken. Aan de buitenzijde van de wal liep een dikke, bakstenen muur, die als beschoeiing diende voor de metershoge massa aarde daarachter, die de kanonskogels moest opvangen die door de stenen mantel drongen. Met het oog op de druk van deze massa helden de muren enkele graden naar achteren. Net onder het waterpeil van de stadsgracht, de huidige Singelgracht, bevonden zich achter het zware muurwerk gemetselde tongewelven voor de stabiliteit van het geheel, 44 per bolwerk, 47 per gordijn. Deze gewelven voorkwamen dat een deel van de (natte) aarde onder de hoge druk van de massa onder de muur door de gracht in zou vloeien. Vreemd genoeg was het muurwerk, zelfs het onder water staande deel, gemetseld met kalkmortel en niet met tras. Kalkmortel hardt niet onder water en laat water door, anders dan tras, dat wel onder water kan harden en dat water ook kan keren. Dit betekent dat het muurwerk gevoelig was voor uitspoelen van de specie.

De Kleine Stinkmolen

Afb. 1. Detail van de kaart van Balthasar Floriszoon van Berckenrode uit 1624. Op het bolwerk Osdorp (onder) staan de zeemmolen De Kleine Stinker, enkele huizen en droogramen. Afb. 2. Bartholomeus Barbiers, tweede helft achttiende eeuw. toont het bolwerk Osdorp, gezien vanaf de huidige Marnixstraat, voorheen de Schans. De weide op de voorgrond diende als lijnbaan (links) en bleekveld (rechts). Op de achtergrond staat de moutmolen de Witte Star, verder weg de molen De Liefde. Coll. SAA.

De bolwerken om de stad, zeker die aan de westzijde, boden een hoge positie en vormden daarmee geschikte plaatsen voor de bouw van windmolens. Op alle bolwerken kwam er een te staan. Het bolwerk Osdorp grensde aan de zuidelijkste punt van de Jordaan, het werkgebied van leerlooiers en passeerders, die hier nabij de stadswal dicht opeengepakt hun stinkende bedrijven uitoefenden. Het bood, net als het aan de noordwestzijde grenzende bolwerk Nieuwkerk, plaats aan een zeemmolen voor de productie van zeemleer (afb. 1). Zo concentreerde zich in dit gebied het leerbedrijf. Naar dit stinkende productieproces heette de molen op bolwerk Osdorp de Kleine Stinkmolen. Beide molens kwamen in 1711 in bezit van de brouwers Cornelis van Liesvelt van brouwerij Roohart en Nicolaas Noppen van de Witte Star. Zij verbouwden de beide molens tot moutmolens en probeerden ze te herdopen in het Roohart en de Witte Star (afb. 2), maar de oude naam bleef halsstarrig voortleven. De Witte Star op het bolwerk Osdorp werd kort na 1797 afgebroken, het Roohart eind 1808 bij de verlaging van de veste. Vanaf omstreeks 1735 stond er op de punt van het bolwerk Osdorp een hoge mast, waaraan een lange sterrenkijker gehangen kon worden. Vermoedelijk betrof dit het instrument dat tsaar Peter de Grote in 1697-1698 tijdens zijn verblijf in Amsterdam had laten maken. (1)

De verlaging van de stadswallen

Afb. 3. Johannes Schilling ontwierp omstreeks 1808 voor het verlaagde bolwerk Osdorp een nieuw gedeelte van de muur die aansloot op de oude muren (detail). Deze had ongeveer dezelfde doorsnede als het oude, verlaagde werk. Coll. SAA

De militaire strategie was erop gericht de vijand niet tot onder aan de muren te laten komen, maar op afstand tegen te houden, door bijvoorbeeld de inundaties van de Hollandse Waterlinie. In het begin van de achttiende eeuw beschikte de Republiek al over diverse van dergelijke verdedigingslinies. Dit had tot gevolg dat het onderhoud aan de bouwtechnisch gezien toch al kwetsbare stadswallen doorgaans geen hoge prioriteit genoot. Aan het einde van de achttiende eeuw verkeerden deze dan ook in een deplorabele toestand en niemand geloofde meer dat de wallen nog enige militaire betekenis hadden. Johan Samuel Creutz, directeur van het Stadsfabriekambt, constateerde in een rapport uit 1783 dat de door de aannemers in stukloon gebouwde verdedigingswerken slecht gebouwd waren en slecht onderhouden (2). Het regenwater drong te gemakkelijk naar binnen en de buitenste lagen baksteen bleken al geheel los te zitten. Volgens hem hadden de hoge muren ook weinig nut, want de kanonnen stonden zo hoog, dat ze over dicht genaderde vijanden heen zouden schieten. (3) Creutz stelde voor om de hoge muur bijna geheel af te breken en dan tot twee voet boven het waterpeil op te metselen met trasmortel. Daarachter kwam een aarden wal met een helling van 45 graden tot zes of zeven voet hoog, waarna de wal zacht glooiend naar beneden zou lopen, wat ‘zeer aangenaame wandelwegen binnen de stadt [zou] opleeveren wanneer aan den voet van de wallen een of twee regel boomen geplant wierden’. De rapporten die Creutz in de periode 1783-1785 schreef, kregen enige urgentie, doordat de stadswal op verschillende plaatsen dreigde in te storten. De eerste instorting had zich zelfs al voorgedaan, waardoor in 1769 een nieuwe Muiderpoort gebouwd moest worden, en in februari 1794 waaide een lang stuk muur van het Reguliersbolwerk om. (4) Johannes Schilling, een van de toenmalige directeuren van het Stadsfabrieksambt, maakte in 1796 een plan voor de afbraak van de wallen met een muur van slechts twee voet boven het stadspeil met rollaag en daarachter een aarden wal, zoals Creutz al had voorgesteld. In maart 1799 kreeg Schilling toestemming de wal af te breken, maar de uitvoering liet nog op zich wachten. Uiteindelijk liet de stad de wal door aannemers slechten. De eerste aanbesteding vond plaats op 29 januari 1806 en daarna volgden er in snel tempo meer. In 1818 was, op enkele stukken in de noordwestelijke hoek na, vrijwel de gehele stadswal verlaagd en op de meeste plaatsen voorzien van een dubbele rij platanen en essen. De stadspoorten bleven nog wel enige tijd staan, omdat deze hun functie behielden voor het heffen van poortgeld en stedelijke accijnzen.
Het bolwerk Osdorp is kort na 1807 verlaagd door aannemer Jan Timmer. (5) Van dit bastion moet al een gedeelte van de muur zijn ingevallen, want Schilling tekende een plan voor een nieuw stuk kademuur op nieuwe palen en met zware steunberen aan de binnenzijde (afb. 3 en 4). Het betrof een lang, recht stuk muur met een rechte hoek aan een van de uiteinden, die aan beide zijden aansloot op de bestaande muur.

Afb. 4. Johannes Schilling, Het palenplan van een stuk walmuur dat vernieuwd moest worden in het bolwerk Osdorp, detail (1808). Coll. SAA

Suikerraffinaderij

Afb. 5. Op de stadsplattegrond van 1872 staat de suikerraffinaderij op bolwerk Osdorp aangegeven. Afb. 6. H.L. Hanau, Het verlaagde bolwerk Osdorp met daarop de Amstel Suiker Raffinaderij ( 1900). Coll. SAA

In het gedeelte waar het bolwerk Osdorp had gestaan, kwamen geen wandelpaden, zoals op de meeste andere plaatsen, maar kreeg de industrie ruim baan. Ten westen van het bolwerk Osdorp stond lange tijd een gasfabriek. Latere aanplempingen in de Singelgracht boden hier plaats aan extra magazijnen en werkplaatsen. (6) Op het bolwerk Osdorp vestigde zich rond 1820 de suikerraffinaderij van C. De Bruyn & Zonen. In 1848 wilde deze firma haar grond verkopen, maar de nieuwe koper stelde als voorwaarde dat hij het hele terrein wilde hebben, in pacht dan wel in eigendom. Daarvoor moest de firma onderhandelen met de gemeente, die hier ook eigendom had. In 1852 droeg de firma het deels ook door aanplempingen vergrote terrein van 1 bunder, 53 roeden en 63 vierkante ellen over aan de Nederlandsche Suikerraffinaderij voor 50 jaren in erfpacht tegen betaling van 700 gulden per jaar (afb. 5) (7). Deze fabriek ging in 1877 failliet, waarna de Amstel suikerraffinaderij de productie voortzette (afb. 6). Sinds 1905 had deze nieuwe firma het terrein in eigendom. Door een overschot aan suikerfabrieken in de regio zag de eigenaar zich in 1910 echter genoodzaakt de fabriek te sluiten.

Het St Bernardus Gesticht

In 1912 werd het terrein gekocht door het St Bernardus Gesticht, een stichting van de Zusters van Liefde (Tilburg) voor de verpleging van zieken en ouden van dagen. In het jaar daarop volgde de sloop van de fabriek. Een deel van de grond werd meteen doorverkocht aan de gemeente Amsterdam. Zo verrees ten westen van het vroegere bolwerk in 1918 een onderdeel van het Amsterdamsch Tehuis voor Arbeiders, dat voor het grootste gedeelte op het terrein van de vroegere gasfabriek kwam te staan. Op het eigen terrein lieten de zusters een nieuw verpleeghuis voor 330 personen bouwen naar ontwerp van architect Paul de Jongh. In 1915 verhuisden de bewoners van het St Bernardus Gesticht van de Oude Turfmarkt naar hun nieuwe onderkomen. Tussen 1962 en 1973 onderging dit gebouw een ingrijpende modernisering, waarbij aan de Marnixstraat een nieuwe vleugel verrees op de plaats van een vleugel uit 1915. Later werden aan de Singelgrachtzijde witte buizen aangebracht met een boog, waarin de vluchttrappen hingen. In 2005 bleek het gebouw van Bernardus op meerdere punten niet meer te voldoen aan de kwaliteitseisen die het ministerie van VWS daaraan stelde. In opdracht van de OsiraGroep maakte De ArchitectenCie een ontwerp voor een nieuw Bernardus (zie: Betreurd St Bernardus van architect Paul J. de Jongh.).

De opgraving

Afb. 7. Restanten van het bolwerk Osdorp, zoals recentelijk opgegraven. De fundering van het gesloopte St Bernardus uit 1915 is dwars door de restanten van het bolwerk gebroken. Op een hoger niveau bevinden zich nog restanten van de kelders van het bejaardenhuis. In dit stuk van het bolwerk gaat de zijkant in een stompe hoek over in de punt. Ter versteviging van de hoek dienen zware blokken natuursteen. Afb. 8. Muurwerk uit het begin van de zeventiende eeuw in regelmatig kruisverband. Op de palen liggen houten kespen, waarop het muurwerk staat. Het vroegere waterpeil van het destijds zoute water is te herkennen aan de waterpokken net boven de houten kespen. (foto: G. Vermeer)

Bij de opgraving kwamen stukken van de verlaagde muur aan de zuidzijde tevoorschijn en zelfs een fragment van de in 1808 aangebrachte rollaag (afb. 7). Het schuinstaande gedeelte van de punt bleek te zijn doorsneden door het gebouw uit 1915. Onderin het zeventiende-eeuwse muurwerk van het bolwerk werden zeepokken aangetroffen, die het vroegere peil van het zilte water aangeven (afb. 8). Voor de palen waren aan de waterkant horizontale planken gespijkerd. Deze moesten voorkomen dat er water vanuit het bolwerk onder het muurwerk door de gracht in werd geperst. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat de gewelven onderin het bolwerk leegliepen. Ze zouden dan zonder steun van onderen het metershoge pakket aarde daarboven wellicht niet meer op zijn plaats kunnen houden. De opgegraven onderdelen kunnen helaas niet behouden blijven, maar wellicht kunnen de zeventiende-eeuwse bakstenen wel worden hergebruikt voor de restauratie van het bolwerk Zeeburg helemaal aan de oostzijde van de stad, dat weer opgemetseld zal worden als onderdeel van een nog aan te leggen park.

Gerrit Vermeer

Voetnoten:
1. J. van Eck, De Amsterdamsche Schans en de Buitensingel, Amsterdam 1948, p. 39.
2. Stadsarchief, toegangsnr. 5040 (Archief van het Stadsfabriekambt en Stadswerken en Stadsgebouwen), H.W. Werkman, inleiding.
3. Peter Prins, ‘De ontmanteling van Amsterdam’ in: Jaarboek Amstelodamum 85 (1993), p. 91-132 (91-93).
4. Prins, p. 95.
5. Prins, p. 123.
6. Prins, p. 113.
7. Van Eck, p. 52-54.

(Uit: Binnenstad 256, februari/maart 2012)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.