Prinsengracht 124

Geen bezitting van Diogenes ligt zo mooi in het stadsbeeld als de buurhuizen Prinsengracht 124-126, recht tegenover de Leliegracht en met het uitzicht op de Westertoren. Toen onze stichting het nu voltooide nr. 124 aankocht in 1964, was het zwaar verzakt aan de zuidelijke bouwmuur, ontruimd, gestut en dichtgetimmerd.
Prinsengracht 124-126, vóór en na restauratie (Diogenes, 1967/68)

De subsidievoordracht van 18 juni 1965 noemt de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd in acht punten:

  1. het slopen en weer opmetselen van de voor- en achtergevel alsmede het afbreken van het achterhuis,
  2. het herstellen van de fundering door middel van pulspalen waarop een betonconstructie wordt aangebracht,
  3. het herstellen van het metselwerk van de bouwmuren,
  4. het herstellen van balklagen en vloeren,
  5. het herstellen of zonodig vernieuwen van kozijnen, ramen, deuren en luiken alsmede het aanbrengen van een passende roedeverdeling in de ramen,
  6. het herstellen van de kap, de dakbedekking en de kroonlijst,
  7. het treffen van voorzieningen aan het interieur,
  8. het oliën van het gevelmetselwerk en het schilderen van het natuursteen.
Wie dit lijstje doorleest vraagt zich af wat er dan nog wél bruikbaar was van het statige laat-18e eeuwse huis. Eerlijk gezegd: niet veel. En toch zouden wij dit wel degelijk een restauratie willen noemen en geen herbouw zoals Wolvenstraat 17. Balklagen, bouwmuren en kapspanten zijn hersteld en niet door een geheel nieuwe constructie vervangen, de gevel die scheefgezakt was, werd met dezelfde steen en in hetzelfde fijne voegwerk weer opgetrokken, een aantal kozijnen en de strakke kroonlijst met de kleine attiekraampjes konden worden gehandhaafd. De onooglijke pui, met de etalageramen van een sluiterij, is vervangen door een empirepui. De bestemming bleef verwant met de vroegere: het was een sluiterij, het wordt een café, genaamd "De Prins", in de ruimten begane grond en sousterrain. De woonlaag eerste verdieping moet dan voor de bedrijfsleider worden gereserveerd. De ruimten daarboven worden tot één woning verenigd, die door een musici-echtpaar zal worden betrokken. Van buiten lijkt de bovenwoning groter dan zij in werkelijkheid is. Achter de attiekraampjes zit namelijk maar een heel ondiep kamertje, waarachter een veel lagere kap schuilgaat, zodat de derde verdieping in feite een zolderverdieping is. Het kapje dat men vanaf de gracht ziet is een soort schijn-architectuur, het is maar enkele meters diep. Het resultaat van dit vertoon van deftigheid is een bijzonder fraaie gevel die doet denken aan de stijl van Abraham van der Hart, van 1777 tot 1820 stadsbouwmeester van Amsterdam.
Bij het "uitpeilen" van hef huis zijn weinig gegevens te voorschijn gekomen over de oorspronkelijke indeling. Het was op de in de vorige eeuw gebruikelijke wijze gesplitst in etagewoningen met kleine kamertjes, en een achterhuis dat wegens totale bouwvalligheid moest worden gesloopt en niet is herbouwd, omdat men er van gemeentewege naar streeft ter voorbereiding van een bestemmingsplan voor de Jordaan wat meer licht en lucht te krijgen in de dichtgebouwde binnenterreinen.
Zo is Prinsengracht 124 onder leiding van architect P. Pais door de firma Hubon grondig hersteld en inwendig vernieuwd. Het is het laat-18e eeuwse huis gebleven, maar met een 20e in plaats van een 19e eeuwse gebruikswijze.

(Uit: De Lamp van Diogenes 5, juli 1968.)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.