Bestemmingsplan Overhoeks

Raad van State verklaart bezwaren ongegrond

Manhattan aan het IJ
(links de Shell-toren)
Op 2 mei 2006 is de vereniging in beroep gegaan bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen de beslissing van de provincie Noord Holland om het bestemmingsplan Overhoeks goed te keuren. Op 22 mei 2008 vond de hoorzitting bij de Raad van State plaats. Op 2 juli volgde de uitspraak: de bezwaren van de vereniging werden ongegrond verklaard. Dat betekent dat de gemeente kan gaan bouwen. Er is nu niets meer dan een Manhattan aan het IJ kan voorkomen.

De vereniging heeft bezwaar tegen de bouw van vijf woontorens van maximaal 115 meter hoog recht tegenover het Centraal Station, torens die vanuit de stad gezien zelfs boven het CS zullen uitsteken en zichtbaar zullen zijn vanuit de Jordaan, het Singel, de NZ Voorburgwal en de Geldersekade. Op de gemeentelijke wens om een Manhattan aan het IJ te realiseren, duidelijk zichtbaar vanuit de binnenstad, is veel kritiek gekomen. De hoogbouw betekent volgens de vereniging een aantasting van de visuele integriteit van de historische binnenstad en brengt de aanwijzing van de binnenstad op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO in gevaar.

De Raad van State deelde de kritiek van de vereniging echter niet. Het bestuursorgaan toetst immers aan het geldende beleid. De hoogbouwbeleid van de gemeente maakt de hoogbouw in Overhoeks mogelijk. Het is niet mogelijk gebleken op procedurele gronden een spaak in het wiel te steken: ook het argument van de vereniging dat de Hoogte Effect Rapportage niet betrekking had op het ter visie gelegde bestemmingsplan is niet door de Raad van State gehonoreerd. De uitspraak toont aan dat het geldende hoogbouwbeleid niet stringent genoeg is en hoogbouw als Overhoeks mogelijk maakt. Het woord is nu aan de politiek het hoogbouwbeleid aan te scherpen. Een nieuwe hoogbouwnota is door wethouder Herrema voor deze zomer aangekondigd.

De volledige tekst van de uitspraak vindt u beneden.

Meer lezen:
[Vereniging tekent bezwaar aan bij Raad van State]
[Vereniging maakt bezwaar tegen bouwhoogte]

(WS, 2/7/2008)


200703382/1.
Datum uitspraak: 2 juli 2008
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. de stichting Stichting Monumenten Amsterdam-Noord, gevestigd te Amsterdam,
2. de stichting Stichting Amsterdams Netwerk Vrouwen Bouwen Wonen, gevestigd te Amsterdam,
3. de vereniging Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, gevestigd te Amsterdam, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder.

1. Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Amsterdam (hierna: de raad) bij besluit van 18 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "overhoeks".
Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Monumenten Amsterdam-Noord (hierna: de SMAN) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, de stichting Stichting Amsterdams Netwerk Vrouwen Bouwen Wonen (hierna: de stichting Amsterdams Netwerk) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2007, en de vereniging Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad (hierna: de VVAB) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2007, beroep ingesteld. De SMAN heeft haar beroep aangevuld bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2007 en 9 juni 2007. De stichting Amsterdams Netwerk heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2007. De VVAB heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2007.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.
De raad en de VVAB hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2008, waar de SMAN, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de SMAN, de stichting Amsterdams Netwerk, vertegenwoordigd door [bestuurslid] van de stichting, en de VVAB, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Dijck, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, en A.G. Schaap, ambtenaar in dienst van de gemeente Amsterdam.
2. Overwegingen
Ontvankelijkheid
2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
2.1.1. Het college en de raad stellen zich op het standpunt dat het beroep van de stichting Amsterdams Netwerk niet-ontvankelijk is, omdat de stichting Amsterdams Netwerk niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt.
2.1.2. In artikel 2 van de statuten van de stichting Amsterdams Netwerk staat dat de stichting tot doel heeft het ontwikkelen en bevorderen van de invloed van vrouwen op het gebied van bouwen en wonen in Amsterdam in de ruimste zin van het woord en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, en het bevorderen van de communicatie tussen alle vrouwen in Amsterdam die op het terrein van bouwen en wonen, in de ruimste zin des woords, actief of werkzaam zijn.
Naar het oordeel van de Afdeling moet uit de in de statuten geformuleerde doelstellingen onder meer worden begrepen dat de stichting Amsterdams Netwerk het belang bij de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en de ruimtelijke ordening in Amsterdam beoogt te behartigen, vanuit een vrouwelijke invalshoek. Dit belang is bij het bestreden besluit betrokken. Gelet hierop is het beroep van de Stichting Amsterdams Netwerk ontvankelijk.
Toetsingskader
2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
Het plan
2.3. Het plangebied omvat een gedeelte van het bestaande industrieterrein Buiksloterham en het voormalige Shell-terrein en ligt op de noordelijke IJ-oever.
Wat betreft het industrieterrein Bovenhoeks heeft het plan een conserverend karakter. Het plan voorziet met betrekking tot het voormalige Shell-terrein in een juridisch-planologische regeling die het mogelijk maakt dit terrein te herontwikkelen tot een gemengd woon-, werk- en recreatiegebied.
Procedurele bezwaren
2.4. De SMAN betoogt dat de gemeenteraad en het college bij de besluitvorming omtrent het plan ten onrechte niet hebben beschikt over de originele zienswijzen en bedenkingengeschriften, maar zich in plaats daarvan hebben gebaseerd op de samengevat weergegeven zienswijzen en bedenkingen.
2.4.1. De Afdeling is niet gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten in de weergave van de zienswijzen in de raadsvoordracht door het college van burgemeester en wethouders, dan wel in de weergave van de bedenkingen van de SMAN door het college, niet juist zijn samengevat. Voor zover de SMAN betoogt dat de oorspronkelijke zienswijzen en bedenkingen niet ter beschikking stonden aan de raad, respectievelijk de gedeputeerden, overweegt de Afdeling dat ter zitting onbestreden door de raad en het college is gesteld dat de raadsleden en gedeputeerden de oorspronkelijke zienswijzen en bedenkingen hebben kunnen inzien. Voorts acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de raad, respectievelijk het college, de bezwaren of argumenten van de SMAN door de gevolgde handelwijze niet, onvoldoende of op onjuiste wijze in de overwegingen met betrekking tot het plan hebben betrokken.
2.5. De SMAN betoogt dat het college ten onrechte geen eigen oordeel heeft gevormd over de ingediende bedenkingen, maar in plaats daarvan heeft aangesloten bij de reactie van de raad daarop.
2.5.1. Het college heeft in het bestreden besluit ter motivering verwezen naar de reactie van het college van burgemeester en wethouders op de zienswijzen en de reactie van de raad op de ingebrachte bedenkingen, en is daarnaast op enkele aspecten van de bedenkingen van de SMAN afzonderlijk ingegaan. Voor zover het college met betrekking tot de bedenkingen van de SMAN heeft verwezen naar de reactie van de raad op die bedenkingen, overweegt de Afdeling dat het college in het bestreden besluit heeft aangegeven in te stemmen met deze reactie en deze reactie als bijlage bij het bestreden besluit heeft gevoegd. Deze reactie dient derhalve te worden beschouwd als het standpunt van het college met betrekking tot de door de SMAN ingebrachte bedenkingen.
Het volgen van een dergelijke handelwijze leidt niet tot de conclusie dat het college zich niet - mede naar aanleiding van door de SMAN ingebrachte bedenkingen - een eigen oordeel heeft gevormd omtrent hetgeen een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening vereist. De Afdeling overweegt voorts dat noch de WRO, noch enig andere rechtsregel zich tegen deze handelwijze verzet.
Inhoudelijke bezwaren
2.6. De SMAN, de stichting Amsterdams Netwerk en de VVAB hebben bezwaar tegen de ontwikkelingen op het voormalige Shellterrein.
2.7. De SMAN, de stichting Amsterdams Netwerk en de VVAB betogen dat het mogelijk maken van hoogbouw ter plaatse van de Strip in strijd is met provinciaal en gemeentelijk hoogbouwbeleid.
2.7.1. De zogenoemde Strip ligt in het zuidelijk deel van het plangebied en wordt in het noorden begrensd door een oeverpark in de vorm van een driehoek, welk gedeelte wordt aangeduid als de Scheg. De Strip loopt van het zuidwesten naar het noordoosten en heeft de bestemming "Gemengde functies 2 (G2)". Ingevolge artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de op de plankaart aangeduide bouwhoogten, zijn op de Strip vijf torens met een bouwhoogte van 75 tot 110 meter toegestaan, gebouwd in een plint van bebouwing met een hoogte van 24 tot 35 meter.
2.7.2. In het structuurplan "Structuurplan Amsterdam; kiezen voor stedelijkheid" (hierna: het structuurplan) staat dat in Amsterdam vooral intensieve en gemengde stedelijke milieus worden verwezenlijkt en dat de IJ-oever hiervoor een belangrijk gebied is. In het structuurplan staat verder dat, gelet op onder meer de invloed op het landschap en de stedenbouw, in het algemeen restricties gelden voor het plaatsen van gebouwen die in hoogte duidelijk afwijken van de omgeving. Het verantwoord plaatsen van hoge gebouwen moet daarom worden getoetst aan een hoogbouweffectrapportage.
Aanvullend op het structuurplan is een toetsingskader voor hoogbouw neergelegd in de gemeentelijke nota "Hoogbouw, Beleid en Instrument" (hierna: de nota Hoogbouwbeleid), vastgesteld op 22 juni 2005. Daarin staat dat het belangrijkste doel van het Amsterdamse hoogbouwbeleid is hoogbouwinitiatieven zorgvuldig in te passen in de bestaande structuren van de stad. De landschappelijke inpassing behoeft een stedelijke afweging bij hoogbouwplannen buiten de Singelgracht en hoger dan 60 meter. Verder zijn in de nota Hoogbouwbeleid de aspecten genoemd die in een hoogbouweffectrapportage moeten worden bezien.
2.7.3. Niet in geschil is dat de maximale hoogte van de vijf torens op de Strip afwijkt van de hoogten van bebouwing in de omgeving. In het kader van de planvorming is daarom een hoogbouweffectrapport opgesteld door de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam, gedateerd september 2003 (hierna: het HER). In juni 2004 is een aanvullend HER opgesteld. In het HER en het aanvullend HER zijn onder meer de landschappelijke effecten van de voorziene hoogbouw voor de omgeving onderzocht en zijn de gevolgen voor onder meer bezonning en het windklimaat in kaart gebracht.
2.7.4. Ter onderbouwing van het betoog dat het plan, voor zover het hoogbouw op de Strip mogelijk maakt, in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid voeren de SMAN, de stichting Amsterdams Netwerk en de VVAB aan dat de openheid van de omgeving en de zichtlijnen onaanvaardbaar worden aangetast door de in de Strip voorziene hoogbouw. Volgens de SMAN en de VVAB houdt het plan daarmee tevens een aantasting in van verscheidene beschermde stadsgezichten en staat het in de weg aan verwerving van de status van werelderfgoed voor de grachtengordel.
2.7.5. De binnenstad van Amsterdam, tussen de Singelgracht en het IJ, is bij besluit van 29 januari 1999 aangewezen als beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder g, gelezen in samenhang met artikel 35 van de Monumentenwet 1988. Vast staat dat het plangebied geen deel uitmaakt van dit beschermde stadsgezicht "Amsterdam binnen de Singelgracht".
In het HER en het aanvullend HER staat dat de hoogbouw in de Strip vanuit een aantal locaties in de binnenstad zichtbaar zal zijn. Uit de bij het HER en het aanvullend HER behorende zichtgebiedenkaarten en gemonteerde foto's, die volgens het deskundigenbericht een betrouwbaar beeld geven van de zichtbaarheid van de hoogbouw, blijkt evenwel dat het zicht op de hoogbouw vanuit de binnenstad beperkt is. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het plan een grote aantasting inhoudt van de zichtlijnen vanuit de binnenstad. Gelet hierop en op de aard van de te beschermen waarden van de binnenstad, zoals die uit het besluit tot aanwijzing van de binnenstad tot beschermd stadsgebied blijken, waaronder de historische bebouwing en de gave historisch-ruimtelijke structuur van het gebied, en gelet op de afstand van minimaal ongeveer 200 meter tussen de grens van het gebied dat als beschermd stadsgezicht is aangewezen en de grens van het plangebied, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, met name voor zover dit voorziet in hoogbouw ter plaatse van de Strip, geen onaanvaardbare aantasting inhoudt van het beschermde stadsgebied van de binnenstad.
Gelet op de beperkte zichtbaarheid van de hoogbouw vanuit de binnenstad komt de Afdeling het standpunt van het college dat met het plan op een zorgvuldige wijze afstemming heeft plaatsgevonden tussen de historische stedenbouwkundige waarden van de binnenstad en de met dit plan in gang te zetten nieuwe ontwikkelingen, dan ook niet onredelijk voor. In het licht hiervan ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de raad heeft kunnen volgen in het standpunt dat de met dit plan gekozen ruimtelijke invulling van het plangebied het streven van de raad om de grachtengordel op de werelderfgoedlijst van Unesco geplaatst te krijgen, niet onmogelijk maakt.
2.7.6. De omgeving ten oosten van het plangebied, de Van der Pekbuurt, wordt volgens het deskundigenbericht gekenmerkt door laagbouw uit onder meer de jaren '20 en '60 in een groene omgeving. De Van der Pekbuurt is thans niet aangewezen als beschermd stadsgezicht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat op enig moment wordt beoogd een deel van Amsterdam-Noord, waaronder de Van der Pekbuurt, als beschermd stadsgezicht aan te wijzen. Volgens het rapport "De Noordelijke IJ-oever, een cultuurhistorische effectrapportage", opgesteld door het Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam en gedateerd augustus 2003 (hierna: het CHER) zijn de te beschermen waarden in de Van der Pekbuurt hoofdzakelijk gelegen in het kleinschalige karakter van de bebouwing en de opbouw en structuur van de wijk. Het plangebied valt, met uitzondering van de zuidelijk gelegen Tolhuistuin, niet binnen de grenzen van het beoogde beschermde stadsgezicht.
De voorziene hoogbouw in de Strip zal, volgens het HER, het aanvullend HER en het deskundigenbericht, vanuit een aantal delen van de Van der Pekbuurt te zien zijn. Volgens het HER en het aanvullend HER zullen de schaalverschillen tussen hoogbouw en tuindorp zich dan ook duidelijk manifesteren. Deze schaalverschillen kunnen volgens het HER worden aangegrepen om het bijzondere en compacte karakter van het tuindorp te versterken. De Van der Pekbuurt zal een bijzondere en eigen positie behouden die door de schaalverschillen wordt versterkt. Gelet hierop en gelet op de afstand van ongeveer 85 meter van het plangebied tot de meest dichtbij gelegen bebouwing in de Van der Pekbuurt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in de weg staat aan de mogelijke toekomstige aanwijzing van de Van der Pekbuurt als beschermd stadsgezicht.
2.7.7. De SMAN en de VVAB wijzen voorts op de nota "Richtlijnen hoogbouw Amsterdam-Noord", op 12 januari 2005 vastgesteld door de deelgemeente Amsterdam-Noord (hierna: de nota Richtlijnen Hoogbouw). Volgens de SMAN en VVAB is het plan in strijd met die nota, omdat de voorziene hoogbouw niet kan worden aangemerkt als een ruimtelijk accent.
2.7.8. In de nota Richtlijnen Hoogbouw staat dat hoogbouwaccenten, zijnde incidentele gebouwen die beduidend hoger zijn dan gebouwen in hun omgeving, op het voormalige Shell-terrein zijn toegestaan ter plaatse van de strook zoals opgenomen in het stedenbouwkundige en programmatische projectbesluit over dat terrein. Vast staat dat de strook waarin hoogbouw is voorzien zoals die in het voornoemde projectbesluit en het stedenbouwkundig plan is opgenomen, overeenkomt met de Strip zoals die in het plan is neergelegd. De Afdeling ziet in hetgeen de SMAN en de VVAB hebben aangevoerd voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het cluster van voorziene torens op de Strip kunnen worden aangemerkt als ruimtelijk accent binnen Amsterdam. Daartoe overweegt de Afdeling dat de Strip een concentratie van vijf torens bevat in een overigens lager bebouwde omgeving en dat de oppervlakte van de Strip in verhouding tot de oppervlakte van de lager bebouwde omgeving, beperkt is.
2.7.9. Onder meer ter onderbouwing van het betoog dat het mogelijk maken van hoogbouw in strijd is met gemeentelijk beleid, voert de SMAN aan dat de voorziene hoogbouw leidt tot onaanvaardbare windhinder.
2.7.10. Voorafgaand aan de planvaststelling is onderzoek verricht naar de gevolgen van de in het plan mogelijk gemaakte hoogbouw voor onder meer het windklimaat. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Vervolg Windtunnelonderzoek Bouwplan Shellterrein Noordelijke IJ-oever te Amsterdam" (hierna: het windonderzoek), opgesteld door adviesbureau Peutz & Associes b.v., gedateerd 18 mei 2004.
Niet in geschil is dat ten gevolge van de voorziene nieuwbouw in de Strip, op enkele plaatsen windhinder zal ontstaan. In hetgeen de SMAN heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene nieuwbouw leidt tot een zodanige windhinder dat het college daaraan niet in redelijkheid voorbij kon gaan. In het windonderzoek, het HER en het aanvullend HER staat dat ter plaatse van de woningen aan de noordzijde van de Scheg een overwegend goed windklimaat kan worden verwacht. In de Scheg kan zich windhinder voordoen als het park als verblijfsgebied wordt gekwalificeerd. Rondom de Strip, ten zuiden van de Scheg, heerst volgens het HER en het aanvullend HER een goed tot matig windklimaat. In de binnenhoven van de hoogbouwstrip en bij de routes tussen en rondom de Strip kan zich echter windhinder voordoen. In het HER en het aanvullend HER wordt voorgesteld om bij de uitvoering van het plan te voorzien in afschermende maatregelen, zoals begroeiing, of aanpassingen in de gebouwen op de plaatsen waar windhinder valt te verwachten.
Met betrekking tot de Scheg heeft de raad ter zitting toegelicht dat de windhinder door middel van beplanting kan worden beperkt. Nu de SMAN niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze conclusie onjuist is, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de Scheg een aanvaardbaar windklimaat kan worden gegarandeerd.
Met betrekking tot de windhinder in de directe omgeving van de hoogbouw in de Strip acht de Afdeling van belang dat in artikel 4, derde lid, onder g, van de planvoorschriften is opgenomen dat nadere eisen kunnen worden gesteld met betrekking tot de vorm van de hoogbouw, teneinde nadelige effecten op het gebied van onder meer wind te voorkomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in het kader van een concreet bouwplan nogmaals een HER zal worden opgesteld, waarbij de invloed van de vorm van het voorziene bouwwerk op het windklimaat zal worden meegenomen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de opgenomen nadere eisenregeling ter voorkoming of beperking van windhinder een voldoende waarborg bevat om overal in het plangebied een aanvaardbaar windklimaat te garanderen.
2.7.11. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen de SMAN, de VVAB en de stichting Amsterdams Netwerk hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover daarmee hoogbouw ter plaatse van de Strip wordt mogelijk gemaakt, in strijd is met het provinciale of gemeentelijke beleid.
2.8. De Stichting Amsterdams Netwerk betoogt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde functies 4 (G4)", omdat hiermee het zicht op het IJ vanuit de Van der Pekbuurt geheel wordt weggenomen.
2.8.1. In het plan is ten oosten van de Scheg, in de doorgang tussen de Scheg en de Van der Pekbuurt, een plandeel opgenomen met de bestemming "Gemengde functies 4 (G4)".
Vast staat dat er in de huidige situatie, door de bebouwing op het voormalige Shell-terrein, vanuit de Van der Pekbuurt geen zicht is op het IJ. Volgens het gemeentebestuur wordt met het voorziene gebouw beoogd de windhinder ter plaatse van de smalle doorgang van de Scheg naar de Van der Pekbuurt te beperken. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande in hetgeen de stichting Amsterdams Netwerk heeft aangevoerd, geen aanleiding het resultaat van de gemaakte belangenafweging en de instemming hiermee door het college, onredelijk te achten.
2.9. De stichting Amsterdams Netwerk betoogt dat het plan een onaanvaardbare aantasting inhoudt van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorisch waardevolle gebouwen.
2.9.1. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is een onderzoek naar de cultuurhistorische waarden in Amsterdam-Noord uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het eerdergenoemde CHER. In het CHER staat dat in het plangebied verscheidene gebieden zijn met waardevolle gebouwen.
2.9.2. In het CHER staat dat de Tolhuistuin als cultuurhistorisch kerngebied geldt door de aanwezigheid van karakteristieke groen- en waterstructuren en waardevolle bebouwing. In de plantoelichting staat dat de waardevolle bebouwing in de Tolhuistuin behouden blijft en de architectuur van de gebouwen met een monumentale waarde gerespecteerd zal worden. Het ecologisch waardevolle arboretum zal met zorg worden behandeld, aldus de plantoelichting. Aan de Tolhuistuin mogen ingevolge het plan geen gebouwen worden toegevoegd. Wel is een beperkte uitbreiding van bestaande gebouwen mogelijk. Gelet op het vorenstaande en de ligging van de Tolhuistuin, door het Buiksloterkanaal gescheiden van het noordelijker gelegen deel van het plan waar hoogbouw wordt voorzien, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen ernstige aantasting van de cultuurhistorische waarden van de gebouwen in de Tolhuistuin inhoudt.
2.9.3. Ook het voormalige Shell-terrein is in het CHER als waardevol cultuurhistorisch kerngebied aangemerkt. Het plan voorziet in het behoud van het Groot Laboratorium en de toren overhoeks, maar voor het overige wordt het gebied herontwikkeld.
Volgens het deskundigenbericht zal het aanzicht van de toren overhoeks door het plan veranderen. Waar de toren door met name de hoogte van 75 meter in de huidige situatie een landmark vormt, zal de toren in de toekomstige situatie in het beeld van de op enige afstand gelegen hoogbouw in de naastgelegen Strip opgaan. De Afdeling ziet echter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de cultuurhistorische waarde van de toren overhoeks niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Daartoe overweegt de Afdeling dat het gebouw, met de kenmerkende architectonische aspecten, behouden blijft.
Het Groot Laboratorium wordt behouden, maar wordt opgenomen in de zogenoemde Plint van gebouwen, waarin de hoogbouw van de Strip komt te staan. Het college heeft zich met betrekking tot de wijzigingen ten aanzien van dit gebouw en met betrekking tot het verdwijnen van andere voormalige Shellgebouwen, in navolging van het gemeentebestuur, op het standpunt gesteld dat er een zwaarwegend belang gemoeid is met het mogelijk maken van woningbouw en andere stedelijke functies. De positie van het plangebied ten opzichte van het centrum en de beschikbare infrastructuur, maakt volgens het gemeentebestuur en het college voorts dat het plangebied zeer geschikt is om stedelijke functies te ontwikkelen. Veel van de voormalige Shellgebouwen kunnen volgens het gemeentebestuur voorts slechts tegen hoge kosten geschikt worden gemaakt voor woningbouw en bovendien houdt ook een eventueel hergebruik van die gebouwen niet een efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte in. In hetgeen de stichting Amsterdams Netwerk heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang bij het mogelijk maken van woningbouw in dit geval zwaarder wegend moet worden geacht dan het ongewijzigde behoud van de voormalige Shellgebouwen. Daarbij betrekt de Afdeling voorts dat de gebouwen die niet zullen worden herontwikkeld weliswaar cultuurhistorische waarde hebben, maar niet zijn aangewezen als beschermd rijks- of gemeentelijk monument.
2.10. De stichting Amsterdams Netwerk betoogt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde functies 2 (G2)" tussen de toren overhoeks en de Strip, waarop de zogenoemde Kubus is voorzien. Volgens de stichting wordt ten onrechte het zicht op het voorziene filmmuseum weggenomen.
2.10.1. In de plantoelichting staat dat een locatie die zowel zichtbaar is vanuit Amsterdam-Noord als vanaf het IJ, een voor de hand liggende locatie is voor het voorziene filmmuseum. Het filmmuseum is daarom voorzien ter plaatse van de westelijke zijde van de Scheg. Gelet op de ligging van de Kubus ten opzichte van het filmmuseum, de zuidoever van het IJ en Amsterdam-Noord, zoals die uit de plankaart en het deskundigenbericht blijkt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Kubus een aantasting van de zichtlijnen op het filmmuseum vanaf de zuidelijke IJ-oever of vanuit Amsterdam-Noord meebrengt.
2.11. De SMAN en de stichting Amsterdams Netwerk betogen dat de woningen binnen de zogenoemde Campus niet voldoende geventileerd kunnen worden, hetgeen gezondheidsproblemen voor de toekomstige bewoners mee zou kunnen brengen.
2.11.1. De Campus ligt ten zuiden van het industrieterrein Buiksloterham. Op de gronden van de Campus, die de bestemming "Gemengde functies 1 (G1)" hebben, zijn onder meer woningen, kantoren en wijkvoorzieningen voorzien. De gebouwen zijn ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften voorzien binnen de op de plankaart weergegeven bouwvlakken. De bouwhoogte in de Campus varieert, maar de maximumbouwhoogte is 30 meter.
2.11.2. Vast staat dat een deel van de Campus valt binnen de geluidszone vanwege het industrieterrein Buiksloterham. Op dit deel van de gronden binnen de Campus rust de aanduiding "bouwhoogte waarboven dove gevel (dg/0)". Ingevolge artikel 3, derde lid, onder k, van de planvoorschriften geldt voor die gronden dat bebouwing ten behoeve van geluidgevoelige functies boven de aangegeven bouwhoogte uitsluitend mag worden gerealiseerd mits deze, aan de zijde(n) met een door het industriegeluid veroorzaakte geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A), is voorzien van een dove gevel of een vliesgevel. Volgens het deskundigenbericht is het gevolg van een dove gevel dat de gebruiker van het gebouw voor die zijde of zijden van het gebouw waar de dove gevel is geplaatst, is aangewezen op mechanische ventilatie. De SMAN en de stichting Amsterdams Netwerk hebben hun stelling dat mechanische ventilatie tot een onacceptabel binnenmilieu leidt, niet onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding de SMAN en de stichting Amsterdams Netwerk in dat betoog te volgen. De Afdeling merkt voorts op dat slechts enkele bouwblokken geheel binnen de geluidszone vanwege het industrieterrein liggen. Mede gelet op de ruime doeleindenomschrijving van de bestemming "Gemengde functies 1 (G1)" heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze bouwblokken zodanig kunnen worden ingevuld dat een aanvaardbaar binnenklimaat in de woningen is gewaarborgd. Daarbij wijst de Afdeling voorts op het Bouwbesluit, waaraan de te verwezenlijken bebouwing moet voldoen en waarin minimumeisen zijn gesteld aan de aan- en afvoer van lucht.
2.12. De SMAN betoogt dat de invloedssfeer van de warmte-koudeopslag, waarvan binnen het plangebied gebruik zal worden gemaakt, reikt tot buiten de grens van het plan en vreest een conflict over het gebruik van de diepere ondergrond.
2.12.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder l, en artikel 4, derde lid, onder i, van de planvoorschriften zijn gebouwen op de gronden met de bestemmingen "Gemengde functies 1 (G1)" en "Gemengde functies 2 (G2)" slechts toegestaan voor zover voorzien van de benodigde voorzieningen ten behoeve van het gebruik van warmte-/koudeopslag. De Afdeling stelt vast dat het plan de aanleg en het gebruik van een warmte-/koudeopslag niet uitsluit. Het plan voorziet echter niet bij recht in de aanleg en het gebruik van een dergelijke installatie, maar slechts in de bouw van randvoorzieningen die voor een dergelijke installatie nodig zijn. Wat betreft de eventuele gevolgen van het gebruik van die voorzieningen op de diepere ondergrond en voor gronden buiten het plangebied, overweegt de Afdeling dat die gevolgen zullen moeten worden bezien in het kader van de normen die ingevolge de milieuwetgeving voor dergelijke installaties gelden.
Conclusie
2.12.2. De conclusie is dat hetgeen de SMAN, de stichting Amsterdams Netwerk en de VVAB hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
De beroepen zijn ongegrond.
2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E.T.Y.M. Moe Soe Let, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Buuren w.g. Moe Soe Let
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008.

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.