Het Rembrandthuis: een mooi reconstructieplan

Toen Rembrandt van Rijn in 1656 failliet ging, bewoonde hij het statige pand aan de Jodenbreestraat, waar nu Museum het Rembrandthuis gevestigd is. In dat jaar werd er, zoals gebruikelijk bij faillissementen, ten behoeve van een openbare veiling een gedetailleerde boedelinventaris van zijn bezittingen opgesteld. Voor kunsthistorici is dat een geluk bij een ongeluk, want op basis van deze inventaris kunnen we ons nu een redelijk goed beeld vormen van de toenmalige inrichting van Rembrandts woning en atelier.

Daarnaast is er dankzij gedegen onderzoek vanuit verschillende disciplines, inmiddels uitzonderlijk veel over de in- en uitwendige bouwgeschiedenis van het pand bekend. Al met al weten we momenteel voor 80% zeker, hoe het interieur van het Rembrandthuis er moet hebben uitgezien, toen de kunstenaar er woonde en werkte.
Bij de herdenking van Rembrandts driehonderdste geboortejaar in 1906 werd door de schilder Jozef Israëls het plan gelanceerd om aan het vroegere woonhuis van de schilder een memoratieve en museale functie te geven. Dit idee werd alom toegejuicht, waarop de gemeente Amsterdam het pand aankocht en het in 1907 overdroeg aan de Stichting het Rembrandthuis, met de expliciete bepaling dat het diende te worden teruggebracht "in de staat waarin het gedacht moet worden verkeerd te hebben toen het door de schilder Rembrandt van Rijn werd bewoond". Het is goed om de letterlijke tekst van deze voorwaarde steeds in gedachte te houden, wanneer we hierna in beschouwing nemen wat er vervolgens met het pand gebeurde. De prestigieuze restauratie-opdracht werd verleend aan architect K.P.C, de Bazel.

1606 1633 1660

Dat het pand zelf 'überhaupt' bewaard is gebleven,mag een wonder heten. Wanneer we nu door de Jodenbreestraat wandelen, moeten we immers constateren dat er bijna niets meer over is van de historische bebouwing van wat aan het begin van de 17de eeuw misschien wel de sjiekste straat van Amsterdam was. Het prachtig gerestaureerde - deels gereconstrueerde - de Pintohuis, de - eveneens gereconstrueerde - gevels aan de Sint Antoniessluis en het lieflijke sluiswachtershuisje behoren, met het Rembrandthuis zelf, tot het luttele wat bewaard bleef van de 17de-eeuwse architectuur in deze straat, waarvan, na de metro-kaalslag in de jaren zeventig, zelfs het oorspronkelijke patroon maar ternauwernood kon worden gered. Tussen een overdaad aan troosteloze en middelmatige moderne architectuur zijn deze fraaie relieken uit de Gouden Eeuw werkelijk bloemen op een mestvaalt.

Jodenbreestraat 4: toestand vóór de restauratie in 1907 (foto Bureau Monumentenzorg)

Toen Rembrandt het huis in 1639 kocht, was de eens zo deftige buurt eigenlijk al op haar retour. De stedelijke elite was inmiddels verhuisd naar de grachtengordel, waarvan het eerste deel in de voorafgaande decennia was voltooid. De woning aan de Breestraat was in 1606 gebouwd, als onderdeel van de eerste stadsuitleg kort na 1600, en reeds in 1628 ingrijpend verbouwd. De oorspronkelijke trapgevel werd daarbij vervangen door een nieuwe gevel met tympaan in classicistische stijl, waarschijnlijk naar ontwerp van Jacob van Campen, de latere architect van het Stadhuis aan de Dam. Ook werd het voorhuis met een verdieping uitgebreid tot zijn huidige hoogte en onderging het interieur ingrijpende wijzigingen, die mede aan de hand van documenten op de voet te volgen zijn. Nadat Rembrandt het huis in 1658 had moeten verlaten, werd het nogmaals verbouwd en bovendien gesplitst. En ook de daaropvolgende eeuwen lieten hun sporen in en aan het huis achter. Toen De Bazel in 1907 zijn restauratieplannen maakte, bevond het Rembrandfhuis zich bouwkundig in vervallen staat.
De Bazel koos voor een complete 'face-lift' van het pand. Zo liet hij de voor- en achtergevel steen voor steen uitnemen en opnieuw opmetselen, hier en daar aangevuld met fantasie-elementen, maakte hij alle verbouwingen van na 1658 ongedaan en trachtte hij de oorspronkelijke indeling van het huis te herstellen, waarbij hij overigens een aantal belangrijke fouten blijkt te hebben gemaakt. Wat de voorgevel betreft is de restauratie zeker geslaagd te noemen, maar over het interieur ontstond direct na de oplevering in 1911 al heibel. De meningsverschillen liepen daarbij zo hoog op, dat De Bazel zich genoodzaakt zag, zijn restauratie in een pamflet te verdedigen.
De controverse over De Bazels aanpak vertoont opmerkelijke gelijkenissen met de discussies die ook nu nog door monumentenzorgers en architectuurhistorici worden gevoerd. Was het wel echt nodig geweest om het pand zo grondig te vernieuwen?

De Bazel-interieur (foto's Bureau Monumentenzorg)

Had De Bazel niet onnodig veel van de nog aanwezige 'authentieke' materialen vervangen? En, misschien wel het belangrijkste bezwaar, had De Bazel, in weerwil van zijn opdracht om een 17de-eeuws interieur te reconstrueren, niet te veel als zodanig herkenbare, eigen inventies in het interieur verwerkt? Kortom, was De Bazels historiserende interieurstijl wel historiserend genoeg?
Het bestuur van het Rembrandthuis was over het resultaat in elk geval maar matig tevreden, wat niet verwonderlijk is wanneer we in de statuten van de Stichting het Rembrandthuis lezen dat men zich steeds tot doel heeft gesteld "het gebouw zoveel mogelijk in de staat te brengen, zoals het tijdens het leven van Rembrandt was ingericht" en "een denkbeeld te geven van de wijze hoe in de tijd van Rembrandt dergelijke huizen waren ingericht". Men zag direct al in, dat De Bazel zich niet letterlijk aan de restauratie-opdracht had gehouden en bewust een ontwerp naar eigen snit had uitgevoerd. Of, zoals De Bazel het zelf in 1911 formuleerde: "Het herhalen van het oude werk, zonder, zoals de vroegere meesters, te trachten nieuwe resultaten te bereiken, is eer een bespotting dan eerbiediging van hun kunst". Wanneer we het interieur van De Bazel nu in ogenschouw nemen, zien we nog beter dan diens tijdgenoten, hoezeer de architect overal eigen stijlelementen heeft toegepast, vooral in de schouwen en de alom aanwezige lambrizeringen. Overigens is ook De Bazels interieur na 1911 hier en daar weer ingrijpend aangepast, zoals diens - overigens verkeerd gepositioneerde - trap en de vitrines waarin Rembrandts prenten worden geëxposeerd. De eerlijkheid gebiedt dus te zeggen dat het oorspronkelijke interieur van De Bazel allerminst ongeschonden bewaard is gebleven.
Het Rembrandthuis heeft al sinds zijn oprichting als museale functie, naast de al eerder genoemde, het tentoonstellen van Rembrandts prenten. Rond deze functie van het gebouw als tentoonstellingsruimte heeft De Bazel zijn interieur ook duidelijk geconcipieerd. Met zijn 130.000 bezoekers per jaar is het museum al enige tijd geheel uit zijn voegen gegroeid. Toen zich recentelijk de gelegenheid voordeed, de naast het Rembrandthuis gelegen grond te verwerven (waar vroeger het "Saskiahuis" stond), werd deze unieke mogelijkheid tot uitbreiding dan ook met beide handen aangegrepen. In de nieuwbouw die momenteel naast het Rembrandthuis verrijst en medio 1998 voor het publiek wordt geopend, zal nu het grafische werk van Rembrandt worden geëxposeerd. Het oude deel van het museum verliest daarmee de tentoonstellingsfunctie die voor het interieurontwerp van De Bazel zo bepalend is geweest.
Hierdoor groeide natuurlijk al gauw het idee de restauratie van het 17de-eeuwse interieur nogmaals ter hand te nemen en nu daadwerkelijk tot een betrouwbare reconstructie van de 17de-eeuwse toestand te komen, overeenkomstig de hiervoor genoemde, oorspronkelijke bedoelingen van zowel de gemeente als de stichting. Er werd een omvangrijke projectgroep van deskundigen geformeerd, die het wetenschappelijke vooronderzoek zou verrichten en de reconstructie te zijner tijd zou gaan begeleiden. Dat het team werd geleid door H. Zantkuijl, expert bij uitstek in het 17de-eeuwse bouwen in Amsterdam, vormde alleen al voldoende garantie voor een wetenschappelijk verantwoorde werkwijze, waarin de nieuwste bouwhistorische inzichten zijn verwerkt.
Op grond van haar bevindingen bracht de projectgroep begin 1997 een gedetailleerd reconstructieplan uit. Het is een prachtig werkstuk geworden, waarin op basis van de huidige stand van wetenschap voor ieder onderdeel van het interieur een bijzonder gefundeerd reconstructievoorstel wordt gedaan. Ook wordt ons ruimschoots inzicht geboden in de afwegingen die de projectgroep op grond van de haar beschikbare bronnen heeft moeten maken. Wie dit rapport leest, vraagt zich slechts af, waarom het voorstel niet allang door alle instanties goedgekeurd, in de pers bejubeld en met gulle hand gefinancierd is. Maar hoewel het plan inmiddels door B. & W. is gefiatteerd, lijkt er vooralsnog een spaak in het wiel te worden gestoken door een andere commissie van deskundigen, namelijk de Welstandscommissie Binnenstad.
Steen des aanstoots blijkt het verwijderen van het interieur van De Bazel te zijn. Hoewel het nooit in de bedoeling heeft gelegen diens interieur na verwijdering te vernietigen en er door de projectgroep reeds een goede bestemming voor was gevonden in eenomgeving, waar het uitstekend tot zijn recht zou komen (het in de kunstnijverheid van rond 1900 gespecialiseerde museum in Assen), beschouwt de Welstandscommissie het ongedaan maken van De Bazels (mislukte) restauratie als een daad van vandalisme jegens de architect en een doodzonde tegen de heersende restauratiepraktijk.
Alle bekende restauratie-clichés zijn door de commissie in haar besluitvorming maar weer eens van stal gehaald: "Het is belangrijk dat bij een nieuwe restauratie van het pand de geschiedenis af te lezen blijft", "Een zorgvuldige reconstructie heeft uiteraard grote museale waarde, maar geen monumentale waarde" en: "Het huidige interieur van De Basel (...) vormt in de restauratiegeschiedenis een belangrijke schakel. De Basels' aanpak is modern te noemen. Hij kiest nadrukkelijk niet voor een historiserend concept." Dit lezende kunnen we ons nog beter voorstellen, hoezeer de Stichting het Rembrandthuis zich in 1911 belazerd wist door de architect.
Er dienen, alle mooie restauratie-principes ten spijt, bij de overwegingen van de Welstandscommissie een paar kritische vragen te worden gesteld:

  1. Waarom wordt De Bazels "moderne", "niet-historiserende" aanpak nu zo opgehemeld, terwijl er door de Welstandscommissie altijd zo'n punt van wordt gemaakt dat restauraties de "authenticiteit" van oude gebouwen zouden aantasten?
  2. Waarom wordt door de Welstandscommissie geen rekening gehouden met het feit dat een eerdere restauratie van het interieur niet conform de oorspronkelijke doelstellingen is uitgevoerd?
  3. Waarom laat de Welstandscommissie het vernietigen van de 17de-eeuwse bouwgeschiedenis van hele delen van de stad zomaar toe (zie o.a. de Kolk en de directe omgeving van het Rembrandthuis), terwijl zij zich nu zo druk maakt om de recente bouwgeschiedenis van een moedwillig verkeerd gerestaureerd pand?
  4. Waarom is de Welstandscommissie van oordeel dat een zorgvuldige reconstructie geen monumentale waarde bezit? Als dat zo zou zijn, kunnen we een groot deel van de historische binnenstad meteen afvoeren van de monumentenlijst. Uiteraard niet in de laatste plaats het Rembrandthuis zelf.
  5. Is het niet hoog tijd om de heersende restauratiedogma's weer eens grondig te herzien?

Bob van den Boogert

(Uit: Binnenstad 168, januari 1998)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.