In memoriam

Bob van den Boogert

Op 1 mei van dit jaar overleed plotseling op 56-jarige leeftijd ons redactielid Bob van den Boogert. Bob leerde ik kennen halverwege de jaren tachtig op het Kunsthistorisch Instituut, toen nog gevestigd in twee panden in de Johannes Vermeerstraat. Voor zijn doctoraal legde Bob bij mij een tentamen af in de architectuurgeschiedenis, waarin hij me op erudiete wijze uitleg gaf over Architectural Principles in the Age of Humanism van Rudolf Wittkower, op een manier waaraan ik niets kon toevoegen.

Kort daarop kreeg Bob ook een aanstelling op het instituut en beleefden we het genoegen samen een werkgroep stilistiek aan eerstejaars studenten te geven. We deden dat voor Amsterdamse begrippen gewaagd, want we lieten de studenten echt toeschrijven en dateren en maakten er niet zoals gebruikelijk een historiograe van de stilistiek van. Voor zover ik me herinner waren we al ruim voor die tijd goede vrienden. Dat hield in dat we geregeld de wereldvraagstukken met elkaar bespraken tot na het ochtendgloren. Meestal hielp dat de wereld ook vrijwel meteen een eind in de goede richting, of dat hoopten we dan.
1998 was voor Bob om meerdere redenen een bijzonder jaar. Er vonden discussies plaats over de verbouwing van het Rembrandthuis. Dat beschikte in die tijd nog over een interieur uit 1911 van architect K.P.C. de Bazel. Het museum zou een uitbreiding ondergaan en wilde het zeventiende-eeuwse huis terugbrengen in de situatie van 1656, het laatste jaar waarin Rembrandt er woonde. In dat jaar ging hij ook failliet en werd van zijn inrichting een boedelbeschrijving opgemaakt. In Het Parool en andere media ontspon zich een verhitte discussie en in het Rembrandthuis vond een openbaar debat plaats, waarin Henk Zantkuijl, bijgestaan door Ruud Meischke, de reconstructie verdedigde. De meeste monumentenzorgers, het Cuypersgenootschap maar ook vooraanstaande historici, zagen meer in het in stand houden van de bestaande toestand. Bij dit standpunt voelde ik mezelf ook het meeste thuis. In de uiteindelijke uitkomst van de kwestie speelde Bob een belangrijke rol. Mede door zijn studies en rapporten verloor het Cuypersgenootschap de rechtszaak tegen het verwijderen van het bestaande interieur. In dat jaar kreeg Bob een aanstelling bij het Rembrandthuis waardoor ook het inrichten van de vroegere woning en atelier van Rembrandt tot zijn taken ging behoren. Daarnaast richtte hij sindsdien aan de lopende band tentoonstellingen in en vaak leverde hij daarbij ook teksten voor de catalogi.
Ook in 1998 promoveerde Bob op zijn proefschrift Habsburgs hofmecenaat en de introductie van de Italiaanse hoogrenaissance in de Lage Landen. Verder trad hij in dat jaar toe tot de redactie van Binnenstad. In die rol ontpopte Bob zich als een fervent voorstander van historische reconstructies en als een geestverwant van Geurt Brinkgreve, die in die jaren nog deel uitmaakte van de redactie. Op de televisie haalde Bob fel uit naar modernistische architectuur die op dat moment in de binnenstad in aanbouw was, zoals de Kalvertoren van Pi de Bruin en de grillige vormen van de nieuwbouw aan de Nieuwezijds Kolk en de Nieuwendijk van Ben van Berkel. Vanzelfsprekend gingen de eerste bijdragen van Bob in het blad over de reconstructie van het interieur van het Rembrandthuis, maar hij schreef bijvoorbeeld ook over de in 1998 voltooide restauratie van Felix Meritis, de renovatie van de Zeedijk, het Makelaars Comptoir, de Amstelhof en hij fulmineerde tegen vergoelijkende opmerkingen over graffiti en slap optreden tegen de makers daarvan.
Na een aantal jaren slokte het Rembrandthuis, waarvoor hij zich zeer verantwoordelijk voelde, steeds meer vrijwel al zijn aandacht op. Daarbij was hij soms grenzeloos. Zo kon hij midden in de nacht nog aanbellen als hij een bepaalde foto niet kon openen. Van bijdragen in Binnenstad kwam het niet meer, al had hij daarvoor nog steeds allerlei ideeën. Nog niet zo lang geleden had ik hem bijna zover dat hij alsnog de herinrichting van het Paleis op de Dam wilde bespreken, waarover hij gepassioneerd en met bulderende lach zijn standpunt uiteen kon zetten. Zijn bepaald niet positieve oordeel over deze inrichting wist hij met interessante argumenten te onderbouwen. Helaas zal het van deze bijdrage niet meer komen. Hopelijk gaat de tentoonstelling over Gerard de Lairesse, waaraan hij sinds zijn vertrek bij het Rembrandthuis werkte, wel gewoon door. Dat zou een postuum eerbetoon zijn aan zijn wervelende en grenzeloze werk als kunsthistoricus.

Gerrit Vermeer

(Uit: Binnenstad 271, juli/augustus 2015)

Email this to someone Deel deze pagina!

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.